Waarom vinden autisten vragen makkelijker dan beloften?

Door Marc van Oostendorp

Ik was de afgelopen dagen in Parijs, waar ik een congres heb bijgewoond over taal in het brein. Zo was er een fascinerende lezing over taalproblemen van autisten. Een van die problemen heeft te maken met zinnen zoals de volgende:

1.- Rob vroeg Roos dat boek te lezen.

2.- Rob beloofde Roos dat boek te lezen.

Voor niet-autistische lezers is een verschil tussen deze twee zinnen onmiddellijk duidelijk: in zin 1 is Roos de beoogde lezer, maar in zin 2 is dat Rob. Met de eerste zin hebben autisten geen probleem, maar met de tweede soms wel. Hoe komt dat?

In beide zinnen is het onderwerp van lezen verzwegen. Er wordt iemand mee bedoeld die al genoemd is in de hoofdzin: het onderwerp bij vragen, het meewerkend voorwerp bij beloven. Om dat te begrijpen moet je de betekenis van die werkwoorden begrijpen. Maar dat vereist eigenlijk weer inzicht in de complexiteit van menselijke verhoudingen en dat is mogelijk waar het mis gaat voor autisten.

Vanwaar dan dat verschil tussen vragen en beloven? In veel gevallen is er een andere strategie mogelijk om het verzwegen onderwerp te achterhalen: je kiest de dichtstbijzijnde naam. Dat is Roos in deze voorbeelden en dat levert bij vragen dus het juiste onderwerp op, maar bij verzoeken niet.

In het algemeen vinden mensen het moeilijker om stukjes van een zin bij elkaar te rapen wanneer er iets tussen staat dat teveel lijkt op een van die stukjes. Zo blijken mensen vraag 3 net iets lastiger te vinden dan vraag 4.

3.- Wat hebben die vrouwen voor mannen gekust?

4.- Wat hebben die vrouwen voor boeken gelezen?

De reden is vermoedelijk dat wat in 3 hoort bij voor mannen (de vraag is wat voor mannen het zijn die gekust werden). De vrouwen staan tussen wat en mannen in en werken als storende factor. In zin 4 is het effect minder groot omdat je daar wat en voor boeken bij elkaar moet zoeken. De vrouwen staan daar nog steeds tussen, maar vrouwen hebben nu eenmaal minder met boeken gemeen dan met mannen.