Met een ernstig gezicht ‘broem, broem’ zeggen

Wij, leden van het Cornelis Verhoeven Genootschap (ja, door dit weblog te lezen, bent u daar ineens lid van geworden; u, die altijd tegen iedereen die het horen wilde vertelde dat u van geen enkele club lid zou worden, u kijkt daar wel even raar van op, hè? Maar niks aan te doen, zo is het leven nu eenmaal!), wij mogen natuurlijk graag lezen in de enorme stapel boeken, maar wij vinden het ook fijn om Verhoeven-anekdotes te delen.

Gisteren was ik op Facebook in gesprek met een logicus die me ineens een herinnering aan Cornelis Verhoeven (‘is dit de Cees Verhoeven die ik nog ken als hoogleraar Antieke Filosofie in A’dam?’) aan de hand deed:

Het was een reuze aardige man, die ik eigenlijk alleen maar kende van de koffiekamer van het filosofie instituut op het Binnengasthuisterrein. Over een logicadissertatie zei hij me: “Ik heb het gelezen totdat er spinnen over het papier begonnen te lopen”.

Ik ben momenteel aan het lezen in Boven de boomgrens. De taal van het beleid. Dat bestaat uit een aantal stukjes die Verhoeven in de jaren zestig en zeventig schreef voor onder meer De Stem en Brabantia.

Meestal neemt Verhoeven een of andere beleidsterm (cultuurspreiding bijvoorbeeld) en analyseert die dan elegant kapot. Uiteindelijk laat hij van alle gewichtigheid van beleidsmakers en bestuurders zonder dat je het merkt niets heel. Hij laat zien dat ze zich bezighouden met een taalspel dat ver weg staat van alles wat echt mooi en fijn is in het leven. De beste bestuurder is iemand die over allerlei onbestaande dingen praat alsof ze wel bestaan:

Ik moet dan onwillekeurig denken aan mijn zoontje die van elk blokje een auto maakt door ermee te schuiven en ernstig ‘broem, broem’ te zeggen. Intussen gaat het werkelijke leven uiteraard gewoon door, inclusief het merkwaardige feit dat de mensen Met , het grootste prestige en het hoogste salaris genieten. In zekere zin gebeurt dat terecht: zij houden namelijk de grootste illusie in stand en bezweren dus een dreigende verlamming.

Al veertig jaar geleden zag Verhoeven dat die gewichtige woordspelletjes van de beleidsmakers (managers bestonden nog niet) alles kapot zouden maken:

Het onderwijs, wat is dat nog? Is het de school of is het de schimmel van instellingen waaronder die verstikt wordt? (…) Het ministerie moet bezuinigen en dus prioriteiten stellen. Een mooie gelegenheid om de schimmel te verwijderen, zou ik denken. Maar ik weet niet wat hiërarchie is. Er komen nieuwe diensten en instituten bij o.a. een Onderwijs Planbureau. Boven de boomgrens, in de ijle lucht, wordt het leven kunstmatig in stand gehouden. De bezuinigingen betreffen uiteraard vooral het veld.

Ik herhaal het nogmaals: dit is bijna veertig jaar geleden geschreven! En er is sindsdien niets veranderd.

Een mens werkt. Twee mensen verdelen het werk. Drie mensen beraadslagen over de verdeling van het werk. Vier mensen beraadslagen over de beraadslaging.