De taal van Youp van ’t Hek

Ik moet zo vreselijk lachen. Ruim vijfentwintig jaar schrijft de cabaretier Youp van ’t Hek al columns voor NRC Handelsblad. De krant stond er gisteren uitgebreid bij stil, met een viertal pagina’s waarin de columnist vrolijk onder meer zijn werkwijze uit de doeken deed. De columnist is belangrijk voor de krant, er schijnen veel mensen te zijn die hem op zaterdag kopen om zijn stukje te lezen. Zijn columnbundels zijn altijd beststellers.

Wat verklaart het succes van Van ’t Heks proza?

Ik heb voor de grap de recente bundel Goede woede doorgenomen, maar alle technieken laten zich eigenlijk al illustreren aan de hand van Van ’t Heks recentste stukje (”Wat moet ik?’), dat ook op de website van de krant staat.Het eerste, en belangrijkste stijlkenmerk lijkt me het veelvuldig voorkomen van woorden als grappig, komisch, vrolijk en lachen. In Goede woede staat vrijwel geen stukje zonder een dergelijk woord en in het stukje van gisteren wemelt het ervan. (Eerste zin: ‘Soms is het leven te vrolijk.’ Verder: ‘Wel grappig dat we die Peekel eigenlijk alleen kennen…’, ‘(Ik) vermaak me ondertussen prima’, ‘Als iemand om de onzin van het bestaan kan lachen is het onze eigen Trix’.)

Daar staat geinig genoeg tegenover dat er eigenlijk weinig echte grappen worden gemaakt. In de eerste alinea wordt het beeld opgeroepen van ‘de heer Peekel’ die een ‘schemeroudje’ benadert met ‘een lepel vieze vla’, maar verder worden er weinige komische technieken uit de la getrokken. Ook de scene die ‘Trix’ (de koningin) zo zou laten lachen, wordt op de keper beschouwd niet grappig beschreven: een Italiaanse clown zou op Eerste Kerstdag in Carré Willem Holleeder naar voren hebben gehaald. Meer wordt er eigenlijk niet over verteld.

Een klassieke schrijversles is dat je emoties bij de lezers moet oproepen en ze niet rechtstreeks moet benoemen: show, don’t tell. Van ’t Hek laat zien dat je deze regel naar hartelust kunt overtreden en toch veel succes hebben – dat het dus eigenlijk een onzinnige regel is. Van ’t Hek bereikt een komisch effect door een aantal dingen op te sommen die de afgelopen week gebeurd zijn en hij vertelt er steeds bij dat hij er om moet lachen. Omdat hij bekend staat als iemand die de spot drijft met allerlei burgerlijkheid, maakt het feit dat Youp een zaak noemt, die zaak vanzelf komisch.

Grappig genoeg staat in de krant van gisteren ook Youps eerste column nogmaals afgedrukt (ik heb hem online niet kunnen vinden). Dat is een veel klassieker stukje, met een zorgvuldig opgebouwde heuse grap waarvan de clou pas in de laatste zin komt. Zulke grappen had de komiek 25 jaar geleden nog nodig om zijn publiek te laten lachen – tegenwoordig kan hij dat alleen maar door voor te doen hoe je dat doet, lachen.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in column met de tags . Bookmark de permalink.

4 reacties op De taal van Youp van ’t Hek

  1. Frans van Nes schreef:

    Ik blijf haken aan de laatste zin van de voorlaatste alinea. Wat is daar het onderwerp? Het feit? Maar wat is dan het lijdend voorwerp? Hoe dan ook, er ontbreekt iets.

  2. Die zin was inderdaad zo raar, dat was niet grappig meer. Ik heb hem herschreven.

  3. E. Vroege schreef:

    Weet u wat Youp van 't Hek ook in vrijwel ieder stukje een aantal keer doet? Zichzelf een vraag stellen en die vervolgens zelf beantwoorden. Wat ik van deze stijlfiguur vind? Irritant. Buitengewoon irritant. Waarom? Daarom.

  4. Martijn Benders schreef:

    Dit fenomeen is niet uniek aan van 't Hek. Op 99% van de poezieavondjes kun je precies hetzelfde fenomeen observeren: men doet poetisch om de geste van het poetisch doen, wie de daadwerkelijke tekst analyseert ziet echter dat er helemaal geen poezie in aanwezig is.

Reacties zijn gesloten.