Diederik Stapel als taalkundige

Door Marc van Oostendorp

Stel je voor dat Diederik Stapel geen fraudeur was geweest. Dat hij wel keurig al die formulieren door honderden scholieren had laten beantwoorden en al die antwoorden had laten intikken in tabellen en die dan vervolgens nauwkeurig statistisch had laten uitrekenen. Daar had je toch ook niet aan moeten denken. Dan hadden we nu nog steeds met zijn soort onderzoek opgescheept gezeten.

Het rapport dat over zijn zaak verschenen is, zet in pijnlijk detail uiteen wat er allemaal mis ging in Stapels geval en het bekritiseert ook tamelijk expliciet het hele vakgebied waarin Stapel werkte, dat van de sociale psychologie. Maar ook overal elders zou er ineens sprake zijn van ‘slodderwetenschap’.

Het rapport is daarbij een beetje vreemd van opbouw: het is erg duidelijk dat er verschillende auteurs aan gewerkt hebben.

Stukken waarin op het langdradige uiteen wordt gezet hoe de commissies te werk gingen, worden afgewisseld met welhaast emotionele uitbarstingen, waarin iemand bijvoorbeeld verontwaardigd ingaat op het feit dat Stapel in zijn Groningse oratie de psychologie de ‘koningin van de wetenschap’ noemde (dat lijkt me niet juist, maar het is ook geen misdaad om het te zeggen) en stukken waarin statistici dolenthousiast uit de doeken doen hoe hoe je met statistiek echte data kunt onderscheiden van verzonnen data, zonder dat overigens ergens wordt uitgelegd of de methode die ze gebruiken weleens echt empirisch onderzocht is.

De statistiek is toch al bezig de winnaar te worden van de affaire-Stapel. Echte wetenschap is: statistiek doen, dat lijkt af en toe een belangrijke boodschap van de Commissie Levelt. Er wordt met afschuw melding gemaakt van bijeenkomsten waarin een coauteur van Stapel werd geconfronteerd met een statistische blunder en daar zijn schouders over ophaalde.

Slechts heel kort, ergens in een bijzin helemaal aan het einde van het rapport, wordt een kwestie genoemd waar het volgens mij allemaal om zou moeten draaien: die ‘wonderboy’ Stapel gold weliswaar als een grote ster, maar hij droeg eigenlijk niets bij aan de theorievorming. Er wordt ook niet zoveel door collega’s naar zijn werk verwezen. Al die tientallen frauduleze artikelen van hem kunnen makkelijk worden weggestreept, want ze hebben eigenlijk toch niks fundamenteels te melden over de menselijke geest. Als het allemaal waar en betrouwbaar was geweest, waren het nog steeds op de keper beschouwd niet meer dan leuke, grappige weetjes die de wonderboy jaar in jaar uit uit de hoge hoed toverde.

Dat je een grote onderzoeker kan worden – toppublicaties, decaan, speciale vergoedingen van je universiteit – met alleen maar leuke weetjes, dat is pas echt zorgelijk. Ik denk bovendien dat het de fraude gemakkelijker heeft gemaakt.

Wanneer men in een vak werkt aan een serieuze theorie, betekent dit dat men in gesprek is met elkaar. Die theorie brengt al die weetjes samen in een groter bouwwerk, zodat je makkelijker kunt zien wat wel of niet betekenisvol is. Er zijn voor- en tegenstanders van een theorie die elkaar proberen te overtuigen van hun eigen gezichtspunt door nieuwe gegevens naar boven te halen. Maar ze zullen ook allebei hun uiterste best doen om de ‘bewijzen’ van de andere kant omver te werpen. Er zal daarom kritisch naar die gegevens gekeken worden.

In een vak waar de voornaamste ambitie lijkt om grappige correlaties naar boven te halen, maakt het nauwelijks uit wat voor statistieken je collega’s allemaal produceren. Dat controleren kost allemaal maar nodeloze tijd, die je ook kunt besteden aan je eigen sexy correlaties.

Je ziet het in allerlei andere vakken ook gebeuren. Het wordt steeds populairder om nieuwe gegevens, enorme stapels van almaar nieuwe gegevens, te doorzoeken. Je bent een goede onderzoeker als je met steeds meer verrassende analyses van data komt. Proberen die gegevens in een groter verhaal, een theoretisch kader, in te bouwen wordt minder populair. Het levert minder publicatiemogelijkheden op, je kunt het voor je carrière beter niet doen.

Ik geloof niet dat er op dit moment veel Stapels in de taalkunde rondlopen, al is het maar omdat er geen mensen zijn die zo waanzinnig veel publiceren. Maar als we niet uitkijken, wordt de verleiding voor jonge onderzoekers wel steeds groter.