De Griekse in het Griekse

Die –e in de Griekse wat doet hij daar? Is het dezelfde vrouwelijke uitgang die we vinden in redactrice of diëtiste? Of is Griekse eigenlijk een bijvoeglijk naamwoord (zodat de hele constructie een soort verkorting wordt van de Griekse vrouw)? Daar denk ik weleens aan als ik niet slapen kan.

Toevallig vond ik in de novemberlading van de DBNL een artikel van de Utrechtse taalkundige Wim Zonneveld dat over dat onderwerp gaat. Volgens Zonneveld is Griekse inderdaad een bijvoeglijk naamwoord. Hij geeft daar aardige argumenten voor.

Zo wijst hij erop dat je op deze drie vormen van het bijvoeglijk naamwoord zonder zelfstandig naamwoord kunt onderscheiden:

a. het Grieks (de taal)
b. het Griekse (de landstreek, stad, ‘wij gaan deze zomer richting het Griekse’)
c. de Griekse (de vrouw)

De vierde logische mogelijkheid ontbreekt: de Grieks. Maar dat is niet zo gek want de-vormen zonder verbuiging ontbreken ook in andere rijtjes die je kunt maken. Zo kun je bijvoorbeeld (een beetje ouderwets) wel zeggen het Grieks huis (‘om mijn Grieks huis olijfbomen staan’), maar je kunt niet zeggen de Grieks olijfolie. En zo heb je ook het volgende rijtje:

– Deze kaas is het lekkerst/het lekkerste/de lekkerste/[uitgesloten:]de lekkerst

Waarom dat zo is, waarom de zo’n absolute, zo’n veel sterkere macht over het bijvoeglijk naamwoord heeft dat het verbuiging afdwingt, terwijl het daar veel slapper mee omgaat, vertelt Zonneveld niet. En ook verder heb ik daar nog nooit iets over gelezen.

Nu maar hopen dat ik snel weer een keer niet slapen kan.