Klankencyclopedie van het Nederlands (14): [ɣ]

[ɣ] De [ɣ] maak je door de achterkant van je tong op te tillen tot hij dichtbij het zachte verhemelte komt – niet dichtbij genoeg om de uitstromende genoeg helemaal te blokkeren (dan maak je een [k]), maar dichtbij genoeg om de lucht flink te laten wervelen. Dat wervelgeluid levert de [ɣ] op, de klank die in het schrift meestal wordt weergegeven met de letter .

Althans, strikt genomen is ook nog nodig dat je de stembanden laat trillen tijdens het uitspreken van die klank. Dat lukt alleen wanneer je je tong niet al te ver naar achteren plaatst. Je krijgt dan een zachte g, zoals het volgende filmpje laat zien:

Dit filpmje (het speelt op halve snelheid) toont een doorsnede van de mond, alsof deze overlangs is doorgesneden (het mes ging recht door de kaak en tussen de voortanden door). De witte streep is de rug van de tong, de groene streep geeft aan waar het gehemelte zit. De lippen zitten rechts. Overigens is de spreker hier duidelijk geen Nederlandstalige, de klank is net iets anders dan enige Nederlandstalige hem zou maken, maar het is een goede benadering van een zachte g. (Ik heb eerder geschreven over deze techniek.)

Mensen met een zachte g, maken vaak nog verschil met de klank die als ch geschreven wordt: voor hen rijmen vlaggen en lachen niet op elkaar, en klinken gloor en chloor niet hetzelfde. Het verschil is dat de klank die met ch correspondeert (fonetisch geschreven als [x]) stemloos is:

Een harde g wordt meer achterin de mond gemaakt. Om mechanische redenen is het dan heel moeilijk om tegelijkertijd de stembanden te laten trillen. Het geruis van de g-klank geeft teveel turbulentie. (Bovendien zou een eventuele trilling van de stembanden door datzelfde geruis, dat door de hele mondholte versterkt wordt, ook nog eens lastig te horen zijn.)