Middelnederlandse scheldwoorden 6

Om eerlijk te zijn dacht ik dat het samenstellen van een Middelnederlandse scheldwoordenlijst op basis van de rederijkerswoordenlijst een klein klusje was. Het tegendeel bleek waar. Dit is nu al deel 6… (Deel 1 staat hier.) En er zullen nog meer afleveringen volgen. Excuses voor de overlast.

Gabbaert,
zn. Van gabben?
Spotter, grappenmaker? ‖ Die niet en wil horen en dooch geen gabbaert, Doesb. 247 [vóór 1528].
Galactipote,
zn. (Quasi) geleerde samenstelling uit gr. galact-, cas. obl. v. gala, melk en lat. potare, drinken?
Melkdrinker? ‖ Adieu galactipoten al inden melck ghebroct, de dene, Langhen Adieu 283 [ca 1560].
Gapaert,
zn. Van gapen.
Komische benaming voor hoofd? – Sijnen gapaert laten, zijn leven verliezen? ‖ Een slechtaert een foolaert ende een scrapaert Ende een drogaert lietender hueren gapaert, Doesb. 246 [vóór 1528].
Gasthuyspluyme,
zn. Uit gasthuys en pluyme.
Spottende benaming voor een bewoner van een gasthuis, d.i. armhuis? ‖ Hadieu, gasthuyspluyme, Trudo 2183 [ca 1550].
Geckaert,
zn. Van gecken.
Spotter, zot(vg. kil.: ghecker/gheckaerd. Derisor, irrisor, cauillator). ‖ Een rimpelaert sprac: siet toe elck geckaert, Doesb. 247 [vóór 1528].
Gecker, gheckere,
zn. Van gecken.
Nar, zot (vg. kil.: ghecker / gheckaerd. Derisor, irrisor, cauillator). ‖ Swijcht ghy gheckere, En ghy beroemere, H.d.Am. L 7v [m. 16e e.]; Noijt mijn daghen ic zulck enen gecker // vand. Bijstier 225 [eind 16e e.].
Gesoort,
zn. Van soort?
Gespuis, tuig (vg. soort in dez. bet. in WNT i.v. Soort, bet. 4)? ‖ Ick wou al tgesoort voorden donder waer ten keel onder / waer / die oyt dit discoort // screuen, M. Bedr. Hart 209 [1577].
Ghaernepotspinneghe,
zn. Uit ghaerne, garen (?) en potspinneghe (zie ald.).
Bedrieglijke, leugenachtige bedelares? Blijkens het verband in de aanh. met toespeling op de zegsw. enen catoen in de oren spinnen (zie Catoen). ‖ Adieu ghaernepotspinneghen oock int cotthoen, de dene, Langhen Adieu 218 [1560].
Ghasthuysmuyter,
zn. Uit ghasthuys en muyter.
Spottende benaming voor een bewoner van een gasthuis, d.i. armhuis? ‖ Hoort Canonicken van Sinte Cristoffels oordene En ghasthuysmuyters qualijck inde pluymen, de roovere 405 [3e kw. 15e e.].
Ghebras,
zn. Zie MNW en WNT i.v. Gebras.
1) Eig. brouwsel; in fig. toepassing: dwaas of zondig gedoe. ‖ Camp v.d. Doot 502 [1493]; Sp. d. M. 2545 [beg. 16e e.]; St 1, 167 [vóór 1524]; everaert 175 [1527]; H.d.Am. T 1 [m. 16e e.]; Smenschen gheest 432 [ca 1560?]; Zeven Sp. Bermh. N iiij [1591].
2) Werk (in gunstige zin). ‖ De smit hiet meersterscap (!) doer sijn ghebras, Camp v.d. Doot 1859 [1493].
3) Gebroed, gebroedsel. ‖ Al ’t Joodsche ghebras, die hem (t.w. Christus) deden quellen, a. bijns 425 [ca 1540]; Al hoer ghedachte (t.w. van de vrouwen) es valsch ende quaed hier Gheen aergher ghebras leefd, cast., C. v. R. 197 [1548].
– In de aanh. bep. schepsel, creatuur. ‖ Ick en sach noyt leeliker ghebras, Zeven Sp. Bermh. R iv [1591].
Ghebroetheyt,
zn. Van ghebroet.
Gebroedsel, gespuis; met des viants ghebroetheyt worden in de aanh. de ketters bedoeld. ‖ Welck broot, woordt, lichaem, des viants gheboetheyt (l. ghebroetheyt?) met scandaliserende scrifts onvroetheyt, ja met verblinde hertnackighe verwoetheyt gharen souden extirperen, Christenk. 17 [ca 1540].
Gheesken,
zn. Van Ghese (uit Gesina)? of bijvorm van gansken (vg. kil.: Gheese Vet. j. ganse. Anser)?
Lichte vrouw (vg. kil.: Gheese. Vetus. j. hoere. Meretrix). ‖ Lichte gheeskens, die als meeskens om aes vlieghen, Leuv. Bijdr. 4, 213 [beg. 16e e.].
Gheeu,
zn. Zie WNT i.v. Geeuw.
Kletspraat? Praatjesmaker? ‖ O.: Hoort me dien gheeu. V.: Welc een gheckere. Tscynt of de weerelt / drieuwe vp zyn dume, everaert 466 [1e h. 16e e.].
Goute,
zn. Oorspr.?
Bargoense naam voor een lichte vrouw (vg. Liber Vagatorum, bij moormann, Bronnenb. Cliché 2, na blz. 12: Goute een lichte vrouwe). ‖ Buyten der stadt moecht ghy wel luysen en vloyen En met v goute lancx den breederick schoyen, Antw. Sp. Aaa iiijv [1561].
Griel(e), grielken,
zn. Zie WNT i.v. Griel (III).
Oude vrouw (vg. de bo i.v. Griele: ‘een nijdig vrouwmensch’). ‖ Sy en willen gheen / meyskins houden / noch doonekins Maer houden matroonekins / versufte grielkens Aerme houde vraukins / met gheluwe dielkens, de roovere, Quicunque 638 [3e kw. 15e e.].
Opm. I Het woord komt ook voor bij de dene blijkens de aanh. bij de bo i.v. Swatelen: ‘Stamercatte griele bottecroes zwatelpot’ [ca 1560]; de bet. wordt daaruit echter niet voldoende duidelijk.
Opm. II. Als naam waarmee zinnekens elkaar aanspreken komt griel (tot een vrouw) grielken, (tot een man) voor in Christenk., resp. 362 en 289 [ca 1540].
Grijser,
zn. Zie WNT i.v. Grijzer.
Grompot, knorrepot (vg. plant.: Greyser, oft grijser. Rechignard. Homo vultuosus). ‖ ghistele, Ter. Hec. 6 [1555]; Bruyne 1, 30 [2e h. 16e e.]; Abr. Off., in Hs. TMB, A, fol. 63 [eind 16e e.?].
Opm. Nog bij bredero 1, 142.
Grondeken,
zn. Van grond.
Uitsl. rhet. is de toepassing als pars pro toto ter aanduiding van een menselijk, inz. vrouwelijk wezen; meisje. ‖ Sp. d. M. 3319 [beg. 16e e.]; H.d.Am. H 2v, L 4 [m. 16e e.]; Katm. 358 [vóór 1578].
– Dobbel grondeken, onbetrouwbaar, loos wezen, loos wicht. ‖ St 2, 151 [vóór 1524]; Trauwe 5 [1595?].
Gruys,
zn. Zie MNW i.v. Gruus, WNT i.v. Gruis (I)?
Gespuis. ‖ Al mach na zyn siele dat helsghe gruys haken, Sy suelen foulte int apprehenderen slaen, Trudo 2438 [ca 1550].
Opm. De bet. heeft zich wrsch. ontwikkeld uit ‘uitschot, uitvaagsel’, zoals in Trauwe 642 [1595?]: ‘B.: Duer ons valsch abuys, L.: Sydy der werelt gruys’ en 1487: ‘Ghy moet er bey wt, als der hellen gruys. Oft ick sall u hersteken’.
Guyser,
zn. Zie WNT i.v. Guizer.
Schooier, sloeber, bedelaar? ‖ Wat segdy dy van Ons Lieve Vrou te Loerette? Speelt men daer van de vette voor ons, arme guysers? (× Catuysers), in Kluchtsp. I, 198 [eind 16e e.?].
Halsbandt,
zn. Zie WNT i.v. Halsband.
Gierigaard, vrek. ‖ Oock noemptmen hem met een verwijtelijck rumoer / Halsbandt / Tayaerdt / splijtmijte / vilt / rekel / en loer Om dat hy tzijne niet en verquist door desen, Haagsp. k iv [1561].
Happeghetap,
zn. Uit happen en ghetap.
Kletser, kwaadspreker? ‖ Ick heet Veel claps / Onder veel happeghetaps // ben ick so vermaert, Antw. Sp. n iijv [1561].
Hassaert,
zn. Van hassen, assen, eisen (zie WNT, Suppl. i.v. Asschen (III)?) Gelijkstelling met mnl. hassaert, hasaert (uit ofr., fr. hasard), dat als personificatie alleen is opgetekend in de bett. ‘ongeluk’, ‘kansspel’ of afl. van *hassen, bassen (indien hassebassen althans als een reduplicatievorm mag worden opgevat) verbiedt het verband in de aanh.
Die veeleisend, niet gemakkelijk te voldoen is? ‖ Hinnentasters oft sulcke passaerts Soeken dicwils thinnen ey, al synt rycke hassaerts, Om weten wanneer thinneken legghen sal, Leuv. Bijdr. 4, 261 [beg. 16e e.].
Helscudde,
zn. Zie MNW i.v.
Aartsschelm. ‖ Waerom en belet ghijt niet, helscudde? Sacr.v.d.N. 41 [3e kw. 15e e.].
Henne(n)taster, hinne(n)taster,
zn, Uit henne en tasten met -er. Zie MNW i.v. Hennetaster.
1) Wellusteling, vrouwengek (vg. J.W. Muller in Tijdschr. 38, bl. 153). ‖ Nu tast, hinnetastere, Man en wijf 160 [eind 15e e.?]; Jan den hinnentaster, Bruyne 1, 94 [2e h. 16e e.].
2) Aantaster van de vrouwelijke eer, vrouwensmader. ‖ Tfy moet hu lien werden die vrauwen versmaden, Berampers, hinnetasters, qualick beraden, cast., C. v. R. 193 [1548]; Tfy vuyl hinnentastere, H.d.Am. Y 4 [m. 16e e.]; Ghy dronckaert! onbeleeft sot! der vrouwen belastere!… Ghij vuijle hennentaster, zoudij niet gaen, daer die vrou in arbeijt leijt? Katm. 112 [vóór 1578].
Hishaen,
zn. Uit hissen, hitsen (?) en haen.
Opstoker? Vechtjas? ‖ Tmach wel mis heeten maar ghij sult altoos wis slaen ghij sijt een hishaen en een verwijtere ghij hout u selffs heylich voor geen beschijtere o corenbijtere wadt sijt ghij een gast, Hs. T M B, B, fol. 71v [2e h. 16e e.?].
Hoerresoen,
zn. Uit hoer en soen, zoon.
Den blauwen hoerresoen wieghen, mooi weer spelen? ‖ Dus wilt om ws selfs langhe vrueght en gherief Luttel tijts den blauwen hoerresoen wieghen En dwingen v. al gaget natueren yeghen V cort leet sal worden v langhe lief, v.d. dale, Stove 605 [1528].
Hoppe,
zn. Zie WNT i.v. Hop (I).
Lichte vrouw (vg. kil.: hoppe. Obscena, spurca mulier: & Meretrix). ‖ Hopkens, popkens, duven die stuyven ter stoven, Leuv. Bijdr. 4, 213 [beg. 16e e.]; My dunct dat (Hero) noch een vuyl hoppe Zal worden, eer dat zal eynden dit spel, H.d.Am. Cc 3v [m. 16e e.].
Huysesel,
zn. Uit huys en esel.
Huissloof (vg. kil.: Huys-esel. j.
huys-duyue. Cochlea en Huys-duyve adag. οἰϰουροσ, qui semper domi desidere gaudet: cochlea). Of – als synoniem van vloerduyue en camercatte in de aanh. – snol, hoer? ‖ Der Constenaers famen // sietmen dus schatten / Huysesels / vloerduyuen / en camercatten, Antw. Sp. k iij [1561].
Hurtekanne,
zn. Uit hurten, horten en kanne.
Drinkebroer? ‖ Ghy bendenaers // schuerbiers / ende hurte // kannen diet bier ende wyn // uut met eenen sturte // vannen daghelicxs ghequelt zynde metter brandt//are, Judich 1213 [1577].
IJdelspilleke,
zn. Uit ijdel en spilleke.
IJdeltuit? ‖ Siet doch een doochnietken, een ijdelspilleken, Hebbense gheldt, elc crijgcht wel wat voor dlijf, Deene eenen man en dander een wijf, a. bijns, N.Ref. 307 e, 3 [1528].
Ivroengie,
zn. Ontleend aan ofr. ivroigne.
Eig. dronkaard, in de aanh. naar het schijnt synoniem met ‘personagie’, ‘troengie’ en ‘grimagie’. ‖ N.: Waer sach oijt man vreemder visagie? W.: Welcken ivroengie! N.: Watten personagie! W.: Watten troengie! N.: Watten grimagie! Tcalf v. W. 138 [eind 16e e.?].