Een regel der Duytsche Schoolmeesters

Ik vertel geen nieuws als ik zeg dat www.dbnl.org een literaire goudmijn is, je kunt er uren op doorbrengen om van de ene verbazing in de andere te vallen. Mijn oog viel op Dirck Adriaensz. Valcooch, een zestiende-eeuwse dichter, van wie niet veel meer bekend is, dan dat hij geboren en later ook weer gestorven is. In 1591 werd er een boekje van hem gepubliceerd: Een Nut ende Profijtelijck Boecxken, ghenaemt een regel der Duytsche Schoolmeesters, die proghie-kercken bedienen, Nu eerst uitghegheven, ende ghepractiseert, door Dirck Adriaensz.Valcoogh, Schoolmeester tot Barsigherhorn.

Dit pedagogische werk is tot in de achttiende eeuw heruitgegeven, het was dus bijzonder invloedrijk. En inderdaad, we kunnen er veel van leren, hoe je inkt moet maken, bijvoorbeeld. Dat kan altijd van pas komen als je digibord het begeeft. Ook heel fijn voor als je horloge kapot is: de zonnewijzer. Maar nog mooier is de handleiding voor het slaan van kinderen.

Wat macht ende authoriteyt de Schoolmeesters hebben in ’t straffen der kinderen.
Die Schoolmeesters hebben sulcken vrydom en macht,
So gering de kinders om schoolgaan zijn gebracht
Van haer Ouders, Mombers, ende Curateuren,
Terstont moet hen slaghen en straffe ghebeuren
Van den Meester, sonder haer te vraghen eenich woort,
Gedurende so lang zy misdoen, en in boosheyt gaen voort.
Was daer een Scholier die een groot-feyt had gedaen,
Eener ghequetst, oft int school had doot gaen slaen,
En d’overheyt wilde hem om ’t seyt corrigeren en vangen,
Hem geesselen, coppen, en aen galgen hangen,
So wanneer den Schoolmeester strast den selven Scholier
So moet ofstaen den Heer, Prins en Justicier,
En can niet comen aen den Scholiers lijf en goet
Noch niemant derf hem geven gelt oft boet.
Veel experte schrijvers ons dit selve doceren;
‘De roede can alsulckes afdoen ende weeren.’
Voort, al stonden d’ouders voor der Scholen deur,
En den Schoolmeester leyde haer kint om geesselen veur
En slagen gaf na zijnen wil en behagen,
So moeten die ouderen het selfde verdragen.
In het school te treden hebben sy geen macht,
Om ’t kint den Schoolmeester te ontnemen met cracht
Eer die straffinge gedaen is te vollen.
Nu raed ick de Schooldienaer, dat hyse so niet ga sollen,
Noch stooten, datse bloeden, of de leden breken:
Want waer’t dat ghy in de furie so waert ontsteken,
Dat ghy hem smeet bloedende, verdoost, of van sin verbaest,
Dien Meester rade ick te vertrecken so haest:
Want ’t misdaet (aen den Scholier gedaen) sou druypen
Op zijn cop: dus, Schoolmeesters, hout maet in slaen en stuypen,
Weest coel gesint, niet hittich van gemoeden.
U instrumenten sullen slechts wesen plack en roeden:
Want dat daer boven is, dat is van den quaden.
Wee hem, die daer coemt in ‘sdorps ongenaden.

Je mag als leraar dus de leerlingen slaan. Maar niet te hard, dat wil zeggen dat er geen bloed bij mag komen kijken en dat je ook niets mag breken. Kleinigheidje. En als ouders verhaal komen halen, dan hebben zij pech gehad, want wat de leraar in zijn klaslokaal doet, doet hij goed. Ik denk dat als we deze pedagogiek weer invoeren, het lerarentekort zeer snel opgelost zal zijn.