Middelnederlandse scheldwoorden 4

Terwijl heel Nederland zucht onder en geniet van de tropische hitte, ben ik voor het onvolprezen Neder-L in de Middeleeuwse scheldwoorden uit de woordenlijst van Mak gedoken. Clabotshoot dat ik ben. En is het al af? Nee, natuurlijk niet. Misschien de volgende keer.

Canteleckere,
zn. Uit cante en lecken met -ere.
Profiteur? (Vg. WNT i.v. Kant (I), sub bet. IV: ‘(mede) aan een kant, aan een of het kantje lekken (likken), een weinig-, enigermate (mede) genieten, profiteren van iets, (mede)deelen in iets, deel hebben aan iets.’ – Kantenlikker als zodanig kent WNT slechts in de bet. schoenmakersgereedschap (zie WNT i.v. Kant (I), Samenst. en Likken (II), Samenst.). ‖ Swycht! swycht! ghy muecht wel swygen! En kendtmen v niet? ey ghy swaeck riet! // ghy canteleckere! Con. Balth. 154 [1591].
Cantknagher,
zn. Uit cant en knaghen met -er.
Korstenknabbelaar? ‖ Cruepele / blinde / steinders ende claghers Makelghen / potspinneghen ende cantknaghers Staet betacht men saeydter gheluck, de roovere 404 [3e kw. 15e e.].
Catyver,
zn. Van catyven (zie Ketyven)? Of van catyf (met anal. -er)?
Stakker. ‖ Wat sechdy van deesen armen catyvers, Huis v. Idelh. 370 [m. 16e e.].
Cattenghespuijs,
zn. Uit catte en ghespuijs.
Hels gespuis? Of nietswaardig, verachtelijk volk? // V.: Wij waren eens vermaert // fijn, H.: men macht vermanen // al. V.: mer hoe gheacht // nv? H.: als catten ghespuijs // quaet, Christenk. 296 [ca. 1540].
Cauwettere,
zn. Van cauwetten.
In de aanh. naar het schijnt iemand die onrechtvaardig, onbillijk, is, die iemand niet geeft, wat hem toekomt; mogelijk heeft zich deze bet. ontwikkeld uit die van lasteraar, kwaadspreker, eerrover, die men op grond van de artt, kauwetteren / kauwetten, kauwetterer en kauwetstere bij Kiliaen (zie MNW i.v. Cauwetster, WNT i.v. Kawetten) mag aannemen. ‖ Ontbeyt jc zalhu beghiften ghesellen. Jc en wil niet bekent zyn / als een cauwettere, everaert 277 [1530].
Chare,
zn. Zie MNW i.v. Care, WNT i.v. Kaar (I).
Wellusteling, ‘snoeper’. ‖ Vvie saude verclaren, Suzannen mesbaren? Om dat zu haer reinicheit wilde bewaren Ieghen daude charen, cast., C. v. R. 200 [1548].
Clabotshoot,
zn. Zie WNT i.v. Klabotshoofd.
Domkop. ‖ S.: Ou claddorie O.: Wat ist clabotshoot? S.: Rasch coemt hier buyten, Antw. Sp. Ff ij [1561].
Claddaert,
zn. Zie MNW i.v.
1) Smeerlap. ‖ Hadse ghij aff ghesedt, Sondich Becoren, stunckende claddaert! Sacr. v.d.N. 1300 [3e kw. 15e e.].
2) Soort kledingstuk? ‖ Een crimpaert met enen gescuerden claddaert, Doesb. 247 [vóór 1528].
Cladsalve,
zn. Uit cladden en salve.
Knoeier (vg. kladsalver, dat Kiliaen en Hexham vermelden als synoniem met kwakzalver, zie WNT i.v. Kladden (I), Samenst. afl.; ook in de aanh. zou – ofschoon de samenst. cladsalve wel te verdedigen is – cladsalver gelezen kunnen worden). ‖ Meester cladsalue v botte scheere Die trect al waer sy in thien iaren niet gheslepen, Antw. Sp. F ij [1561].
Clapheylighe,
zn. Uit clappen en heylighe.
Iemand die vroom is met zijn mond. ‖ Clapheylighen, twaer noot dat men u verniste, a. bijns 147 [1548].
Clappeghe,
zn. Van clappen.
Kwaadspreekster. ‖ Nydeghe Clappeghe een persoonage ghecleet als een broodbiddeghe aermelic jnt habyt wesende manc, everaert 147 [1523].
Clater(e), claetere,
zn. Zie MNW i.v., WNT i.v. Klater (III).
1) Ratel, rinkelbel (als narrenattribuut) in de zegsw. enen een clater(e) coopen, als nar, zot behandelen, voor de gek houden? ‖ Gelooft ghij dat ick u coop een clater, Abr. Off. 693 [eind 16e e.]; Bay! sydy sot men coept v een claetere, Bel. v. Sam. 1060 [eind 16e e.].
2) Snater, mond. ‖ Sotteghem en schieloose / ghy sijt die beste Die beyde wel cont met uwen clater / rallen, Antw. Sp. Y iv [1561].
3) Schreeuwlelijk? Of kwebbel? (vg. corn.-vervl.: Klater, babbelziekevrouw). ‖ Ke! wilt v lyen // ghy magher clatere! Snoert uwen snatere, Bel.v. Sam. 466 [eind 16e e.].
Clekere,
zn. Van clekeren, drillen of trillen (zie de bo i.v. Klekeren).
Die met de billen drilt, klekerbil, klikkebil? ‖ Sietse my staen kiken de leelicke clekere. Zu beghind haer naer den man te rasschene, cast., C. v. R. 234 [1548].
Cleutermeerse,
zn. Uit cleuteren, cloteren en meerse, mars. De samenst. is blijkbaar opzettelijk gevormd met obscene bedoeling. Voor meerse in obscene toepassing zie everaert 174, 465, 469.
In de (corrupte?) aanh. in een onduidelijke, maar kennelijk obscene bet. ‖ Ick (t.w. Luxurie, een vrouwe als een hoere gecleet) heeffe (l. heffe, vg. de aanh. i.v. Wriessen,) veel te geern aen die cleuter meerse, Ick soppe veel te geern in de achter//sop, Well. Mensch 611 [2e kw. 16e e.].
Cloyaert,
zn. Van cloyen, krabben of slaan, kloppen (WNT i.v. Klooien, bet. 1) of beslapen (ald., bet. 2).
Die ‘cloyt’ in een der bovengenoemde bett. ‖ Men vint veel aerden: vrolickaert stueraert Cloyaert loyaert cackaert en prollaert, Doesb. 247 [vóór 1528].
Cockuwe,
zn. Ontleend aan ofr., fr. cocu?
Hoorndrager? ‖ Adieu vul vreimde babben ende loose cockuwen, de dene, Langhen Adieu 154 [ca 1560].
Cocxskin, coxken,
zn. Zie WNT i.v. Kok (III).
Meisje dat houdt van opschik (om de man te behagen). ‖ Joncwyfuekens Die de maerdtghanc doen / als fraye cocxskins Die gheerne reyn ghaen / al zynt vule mocxskins Om te bekueren / deis ouervliegherkins, everaert 443 [1e h. 16e e.].
Opm. Ook in Musyckb. van tielm. susato 11: ‘Dese coxkens en aerdighe moxkens, si gaen al lonckende onder haer cloxkens.’
Corenweeldeke(n), coorneweeldeke(n),
zn. Uit coren en weeldeke(n).
Brooddronken, overdadig, bandeloos levend persoon. ‖ Ghy nachtridders ghi coorne weeldekens ghi wittebroots kinderkens, St 1, 159 [vóór 1524]; Ghi ionge wellustige coren weeldekens, Doesb. 135 [vóór 1528].
Cornuyt,
zn. Zie MNW i.v. Cornuut, WNT i.v. Kornuit.
Hoorndrager. ‖ Hy is als een cornuyt begheckt, Die zijn wijfs vuylheyt ghedoocht, of deckt, v.d. meulen, Ketiuigh. 43 [ca 1500].
Cornuter,
zn. Van cornute, cornuut of *cornuten?
Hoorndrager? Vlegel? ‖ Adieu / an alle bynghels ende groote cornuters, de dene, Langhen Adieu 188 [ca 1560].
Cornuweel,
zn. Zie WNT i.v. Kornuweel. Bastaard (vg. de bo i.v. Kornuwéel: ‘Een mensch uit gemengd ras, anders gezeid een Brikkelaar’). ‖ Van moetheyt zoudick wel als een cornuweel // hyghen, Taruwegraen 728 [1581] (De Vyant der Menschen spreekt, in toneelaanw. na r. 699 ‘eenen bastaerden vyant’ genoemd).
Coussensot,
zn. Uit cous en sot.
Vrouwengek. ‖ Coussen sotten hovende gemeynlijc Onder de ionge Jonckers die op dwijf versnotten, Leenhof 660 [na 1531].
Crabbaert,
zn. Van crabben.
Dief (vg. krabber in dez. bet. in WNT i.v. Krabber (I), bet. 1). ‖ Longeren fiel wadt hebdij al gestoolen nu moeten wij doolen als rijck crabbaerts, Hs. TMB, G, fol. 68v [eind 16e e.?].
Credaet,
zn. Rijmformatie van lat. credere.
Gelovige, blijkens het verband in de aanh. in ongunstige zin. ‖ (Saulus sprekende over de verafschuwde Christenen:) Binnen Damasco woonen noch veel van dese credaten, Bekeeringe Pauli 364 [ca 1550?].
Cretsaert,
zn. Van cretse of van cretsen.
? Uit het verband blijkt niet, of het woord in de aanh. identiek is met kretser en zo ja, in welke van de tot dusver bekende bett. (1 krabber, krasser, 2. lastdrager, 3. schuimspaen, zie MNW i.v. Cretsen) het is gebezigd. ‖ Een mallaert vulde met cretsaert den danckaert, Doesb. 246 [vóór 1528].
Crevitsedansdansser,
zn. Uit crevitsedans, kreeftendans en dansser.
Eig. die achteruit danst; fig. die achterop raakt? ‖ Adieu visschers bachten nette die noyndt gheernaert vynghen crevitsedansdanssers met een dobbelen toer, de dene, Langhen Adieu 227 [1560].
Criepe, crijpe,
zn. Van criepen.
Eig. die gauw ‘criept’ (piept, klaagt, kreunt, vg. de bo i.v. Kriepe), v.v. stakker; sukkel. ‖ De Miere in eerde was wroetende Logierde en sliep, in cleen hollekens diepe Als aerme criepe, de dene, Fab. 111 [1567]; Houwt dat ghi crijpe / en datte, Boertelick Sin 161 [eind 16e e.?].
Crigelaert,
zn. Van crigel.
Stijfkop? (vg. kil.: Krijghelaerd. Homo durae ceruicis). ‖ Enen grouaert die hem hiet moddaert Crigelaert lelickaert plompaert en slinckaert, Doesb. 246 [vóór 1528].
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , . Bookmark de permalink.