Middelnederlandse scheldwoorden 2

Vorige week kwam ik met een lijst van Middelnederlandse scheldwoorden die ik uit het Rhetoricaal Glossarium van J.J. Mak had samengesteld. Uiteraard was deze lijst niet compleet; ik heb nog een paar aanvullingen:

Capoen, cappoender, capuijn,
zn. Zie MNW i.v. Capoen, WNT i.v. Kapoen.
Arme drommel, stakkerd. ‖ Cappoenders teender oude placke weerdich geboren, de roovere 405 [3e kw. 15e e.]; Helpt toch ons arme capuijnen ter noot, Schuyfman 240 [vóór 1504]; Desen Capoen/ is van passen te recht om slane, Zeven Sp. Bermh. G vv [1591] (zie ook ald. G vij).
Cappaer(d)t,
zn. Zie WNT i.v. Kappaard.
Eig. die een (monniks)kap draagt (vg. kil.: Kappaerdt. Cucullatus, capitio indutus), v.v. schimpnaam voor een monnik (vg. Tschr. 35, blz. 300). ‖ a. bijns, N.Ref. 171, d, 11 [1525] (var.: capaert); vaernewijck, Ber. T. 2, 68 [ca. 1568].
Opm. Nog bij coornhert 1, 468 d.
Confueris,
zn. Oorpr.?
Schimpnaam voor een man. ‖ Mijn daegen en sach ick noijt sullcken confueris wadt sou hij meijnen die cockelueris, Hs. TMB, G, fol. 28v [eind 16e e.?].
Iachtbracxken,
zn. Uit iacht en bracxken, diminutief van brack.
Eig. jachthondje, in de aanh. gebruikt als schimpnaam voor een ijdeltuitige vrouw. ‖ Seker iachtbracxkens ghij draeyt wel v spillekens, Antw. Sp. k iiij [1561].
Lantmeuken,
zn. Uit lant en meuken (van meu, meeuw).
Eig. bep. soort meeuw (zie de aanh. uit Nieuwe Werelt 3, 54a [1622] in WNT i.v. Land, Samenst. enz. in de bett. 1-3), in de aanh. schimpnaam voor een lichtzinnige of zedeloze (jonge) vrouw. ‖ Locspreukens, lantmeukens, die sotkens bedrieghen, Leuv. Bijdr. 4, 213 [beg. 16e e.].
Locspreuken,
zn. Uit locken, lokken en spreuken (van spreu, spreeuw).
In de aanh. schimpnaam voor een lichtzinnige of zedeloze (jonge) vrouw. ‖ Locspreukens, lantmeukens, die sotkens bedrieghen, Leuv. Bijdr. 4, 213 [beg. 16e e.].
Luijsack,
zn. Zie MNW i.v. Luussac.
‘Luiszak’, in de aanh. als schimpnaam gebezigd (vg. kil.: Luys-sack. Pediculosus; vg. ook corn.-vervl.). ‖ H.: Wat meijndy ghij luijsack (lees of versta: luijssack, en wel niet luy-sack, zoals bij v.d. venne, aang. in WNT i.v. Lui (II), Samenst., enz.) F.: wat segt gij lecplateel, Berv. Br. 285 ]ca 1520].
Platgat,
zn. Zie WNT i.v.
Iemand met een plat en breed achterste (vg. kil.: plat-gat. Depygis: natibus macris & depressis en plant.: Platgat. Ayant le cul plat & large. Planipodex; ook bij marin), in de aanh. gebezigd als schimpnaam voor een vrouw. ‖ Way Jonckfrou platgat / wat moechdy dincken, Antw. Sp. e iiij [1561].
Quaern(e),
zn. Zie MNW i.v. Querne, WNT i.v. Kweren.
Eig. handmolen; in de aanhh. fig. gebruikt als schimpnaam. ‖ Siet, waer hij comt, dafgrijselick quaerne, Christenk. 1709 [ca 1540] De waerdyn is een goe ouwe quaern, Katm. 532 [vóór 1578] (zie ook Hs. TMB, G, fol. 70 [eind 16e e.?].
Quaetpurck,
zn. Uit quaet en purck, dwerg (zie WNT i.v. Purk)?
Schimpnaam voor een vrouw. ‖ Lijs oft anders Belij Quaetpurck, Lijs en Jan Sul (uit de lijst van personages) [eind 16e e.?].
Ronckaert,
zn. Van roncken.
Die snorkt in de slaap (vg. plant.: Roncker, oft ronckaert. Ronfleur), in de aanh. gebezigd als schimpnaam voor een oude man. ‖ Out ronckaert nu moet ick met v gheplaecht zijn, H.d.Am. Y 6v [m. 16e e.].
Rooghe,
bn. Ontleend aan ofr., fr. rogue?
Eig. aanmatigend, hooghartig; in de aanh. zelfst. gebruikt en mogelijk vervaagd tot een alg. schimpnaam. ‖ Hy (t.w. Trouwe) is by huyvetters oft schomakers getooghen; Daer sal hy verborghen syn by die valsche rooghen, Trauwe 1122 [1595?].
Troch,
zn. Zie MNW i.v.?
In de aanh. schimpnaam voor een man. ‖ Ten is niet waer /, seght vuijlen troch, Crijsman 259 [eind 16e e.?].
Vaddaert,
zn. Van vadde (zie WNT i.v. Vadde (II); vg. MNW i.v. Vaddaert.
In de 1e aanh. schimpnaam voor een duivel, te verg. m. ons ‘beest’, ‘bliksem’ e.d., in de 2e aanh. sukkel, drommel. ‖ IJ, luij vaddaert, Dair liegdij an, bij den bloede, Sacr.v.d.N. 1301 [3e kw. 15e e.]; Daer bleef hi, hi en mochte niet wech arm vaddaert, Doesb. 247 [vóór 1528].
Vadde, wadde (?),
zn. Zie MNW i.v., 2e art., WNT i.v. Vadde (I).
Eig. slordige, onzindelijke, luie vrouw (vg. kil.: vadde. Ignaua mulier), v.v. schimpnaam voor een vrouw in het algemeen. ‖ Hij hiet robyn en sij laudate en wadde (l. vadde?), St 1, 104 [vóór 1524]; Es hij niet wel geplaecht… die een jong vaddeken heeft, Hs. TMB, G, fol. 66v [eind 16e e.?].
Opm. Als schimpnaam voor een man (niet bep. ‘dronkelap’, zoals WNT i.v. Vadde (I), bet. 6 wil) ook in Hs. TMB, G, fol. 41v [eind 16e e.?]: ‘Dese vuijlle vadden // wadt sij gaen beginnen als sij een vrouwe hebben dien sij beminnen so clappen sij moij terstont’.
Verte,
zn. Zie MNW i.v. Vert.
Eig. crepitus ventris v.v. ook schimpnaam of naam voor een ongunstig, verachtelijk persoon. ‖ Nu voorts erge verte, Menschwerdinge Christi 362* [m. 16e e.?]; Creimers, speellieden & lichte verten begeiren altyt kermisse oft jaermerten, Bruyne 1, 65 [2e h. 16e e.]; Geacht syn als een qua verte, Hs. TMB, G, fol. 66* [eind 16e e.?] (hic? of eig.: crepitus ventris of ‘mulier pedens siue crepitum ventris emittens frequenter’ (kil. i.v. Verte)?).
Vleete,
zn. Zie MNW i.v. Vlete, 2e art.?
Eig. naam van een vis, t.w. een soort rog; in de aanh. gebezigd als schimpnaam. ‖ Siende dat ons burgers so werden verbeeten, van de Spanssche vleeten, reael, in Amst. Jaarboekje 1897, 59 [1578].
Weer,
zn. Identiek met weer, (gesneden) ram (zie MNW i.v. Weer, 4e art.)? De Bo i.v. Weer, 3e art. stelt het woord gelijk met got. wair, lat. vir, maar dit wordt, naar het schijnt, uitsl. aangetroffen in samenstt., zoals weerwolf.
Schimpnaam voor een man (vg. de bo i.v. Weer, 3e art.). ‖ Ick seg duer derruer //: spyt allen de Spaensche weeren, duer smenschen sonden crycht elck lant veel heeren, Bruyne 2, 98 [2e h. 16e e.].