Linguïstisch Miniatuurtje CLVI: Schrijfeigenwijzer

Bijna twee jaar heb ik rustig kunnen slapen. Precies 20 maanden heb ik in de veronderstelling geleefd dat op de taalprofsite het definitieve stukje stond over de constructie de reizigers worden verzocht over te stappen. Sinds ik die kwestie negen jaar geleden in een miniatuurtje had opgerakeld had zich, voornamelijk op de taalprofsite, een verwoede discussie afgespeeld, die met veel inspanning tot een acceptabele conclusie gevoerd was, waar toentertijd iedereen mee leek te kunnen leven. Maar drie dagen geleden werd deze illusie ruw verstoord door de -terloopse- mededeling van Jan Renkema dat hij het “deze keer niet met [mij] eens” was.

Drie nachten heb ik wakker gelegen, piekerend waar Renkema en ik het nu in vredesnaam over oneens waren.
Het kon niet het advies zijn, want net als ik -en een beetje tegen de heersende opinie in- vond Renkema het meervoud beter dan het enkelvoud. Was het dan de manier waarop het advies werd uitgelegd? Dat zou heel goed kunnen, want ik heb nooit de intentie gehad om een advies uit te leggen, ik stelde alleen een verkeerde voorstelling van zaken aan de kaak (namelijk dat de reizigers worden verzocht om over te stappen eigenlijk een ongrammaticale zin zou zijn omdat in de actieve zin de reizigers meewerkend voorwerp zou moeten zijn).

In deze tekst licht Renkema zijn advies bij de kwestie nader toe. Is dat duidelijk uitgelegd? Marc van Oostendorp vindt van niet, maar ook Renkema zelf vindt het een moeilijke uitleg omdat de kwestie zelf zo ingewikkeld is. Misschien moet u de tekst zelf even lezen, tot en met de zin Bent u er nog? Ik wacht wel even…

Bent u er weer? Tja, ik weet het niet. Aangezien het testen van de pudding in het eten besloten is, kun je moeilijk theoretiseren over begrijpelijkheid. Of een uitleg effectief is hangt af van het evenwicht tussen helderheid en beknoptheid. Je kunt iets helder uitleggen maar als je daar meer dan vijftig minuten voor nodig hebt zitten je leerlingen al in een ander lokaal. En je kunt het wel heel kort zeggen, maar als je leerlingen het niet snappen doen ze het in dezelfde les weer gewoon fout, of zelfs slechter omdat ze gaan twijfelen aan hun eigen taalgevoel.

Maar hoe dan ook: als het gaat om de vraag in hoeverre Renkema en ik het didactisch oneens zijn, kun je constateren dat daar blijkbaar geen sprake van is. Want net als ik legt Renkema de link met het werkwoord vragen, dat heel duidelijk twee lezingen heeft, die corresponderen met twee ontledingen. Naar mijn smaak zou je dat moeten uitleggen met de betekenissen “informeren” en “uitnodigen/aansporen,” maar de link met vragen in de betekenis “uitnodigen” is ook mijns inziens een prima manier om diezelfde betekenis (en dus ontleding) voor verzoeken over het voetlicht te krijgen.

Dan moet het de ontleding zelf zijn waar Renkema het met mij oneens is. Dat is op het eerste gezicht ook al onwaarschijnlijk, want ook Renkema blijkt van mening dat in de actieve zin Wij verzoeken de reizigers om over te stappen het zinsdeel de reizigers lijdend voorwerp en niet meewerkend voorwerp is. Dat vindt ook niet iedereen, dus zelfs hier staan wij schouder aan schouder tegen de heersende opinie.

Toch moet hier ergens een twistpunt zitten. Het moet gaan over de ontleding van de constructie iemand verzoeken om iets te doen. In het definitieve stukje op de taalprofsite staan alle bekende argumenten opgesomd voor welk van de ontledingen dan ook. Daaruit blijkt dat er redelijke argumenten zijn voor twee ontledingen (iemand als lijdend voorwerp en iemand als meewerkend voorwerp), maar de taalprof kiest voor iemand als lijdend voorwerp omdat hij de mogelijkheid van twee ontledingen minder aantrekkelijk vindt. Vindt Renkema soms dat er twee ontledingen zijn? Nee, ook hij kiest voor iemand als lijdend voorwerp. Maar waar zit dan toch die onenigheid?

Ik denk dat ik het heb gevonden. Vanuit de uitleg rond de constructie met vragen komt Renkema tot de volgende gevallen:

  1. iemand/iets vragen
  2. iemand om iets vragen
  3. aan iemand om iets vragen
  4. aan iemand iets vragen
  5. iemand iets vragen

In (1) en (2) is iemand duidelijk lijdend voorwerp. In (1) is iemand het enige voorwerp, en in (2) is om iets een voorwerp met voorzetsel. In (3) en (4) is aan iemand ondubbelzinnig meewerkend voorwerp (want er staat het voorzetsel aan bij). Maar wat is het nu in (5)? Renkema vult deze constructie in met de buurman stoelen vragen. Dan is stoelen het lijdend voorwerp, en (dus?) de buurman meewerkend voorwerp.

Ik geloof niet dat ik het tot zover met Renkema oneens ben. In de invulling de buurman stoelen vragen, wat ik persoonlijk wel matig vind klinken (ik zou er dan altijd aan bij zetten), lijkt mij ook de beste analyse om dit te beschouwen als de variant van (4) waarin aan is weggelaten.

Nu zitten we al vrij diep in de analyse en nog zijn wij het nergens oneens. Maar nu naderen we toch een pijnpunt. Nu volgt in de uitleg van Renkema de overstap naar verzoeken met de voorbeeldzin De NS verzoekt (aan) de reizigers (om) over te stappen. En de ontleding die Renkema voorstelt is: de reizigers is lijdend voorwerp, tenzij er aan bij staat. Maar let op: ook als je bij de bijzin om weglaat wordt de reizigers meewerkend voorwerp. Waarom? Omdat de bijzin over te stappen dan lijdend voorwerp wordt.

Hier zijn we er. Dit is blijkbaar waar Renkema en ik het over oneens zijn. Hij vindt dat je in iemand verzoeken iets te doen de bijzin als lijdend voorwerp moet zien en in iemand verzoeken om iets te doen niet. De beknopte bijzin met om is volgens Renkema geen lijdend voorwerp. Deze argumentatie kende ik nog niet. Ik zou om hier altijd als een onderschikkend voegwoord benoemen, maar blijkbaar is Renkema van mening dat het om het voorzetsel om gaat.

Ik zie niet goed hoe je kunt aantonen dat om voegwoord of voorzetsel is, maar het is volgens mij wel een feit dat het onderschikkend voegwoord om bestaat. Je hebt constructies als proberen om iets te doen waarbij je onmogelijk kunt volhouden dat het gaat om proberen om iets (net als bij vragen om iets). Dus het is zeker dat een beknopte bijzin die met om begint niet per se een zinsdeel met voorzetsel is.

Die argumentatie kun je nog aanvullen door erop te wijzen dat zinsdelen met andere voorzetsels bij invulling met een beknopte bijzin soms dat voorzetsel én om krijgen. Zo heb je bijvoorbeeld eraan denken om iets te doen. Dit is een invulling van aan iets denken, waarbij aan terecht komt in een voorlopig voorzetselvoorwerp eraan en de beknopte bijzin toch het voegwoord om krijgt. Naar analogie zou je bij verzoeken kunnen krijgen iemand erom verzoeken om iets te doen. Met een beetje extra context (iemand er dringend om verzoeken om op tijd te komen) nog wel een acceptabele constructie, lijkt me.

Hoe dit ook zij, het lijkt me onweerlegbaar dat je een lijdend voorwerp kunt hebben in de vorm van een beknopte bijzin met om. Dus, als je -zoals Renkema- van mening bent dat in iemand verzoeken iets te doen de bijzin iets te doen lijdend voorwerp is, waarom zou dat dan ineens niet zo zijn als je er het voegwoord om bij zet? En andersom: als je vindt dat in iemand verzoeken om iets te doen de bijzin géén lijdend voorwerp is, waarom zou dat dan ineens wel zo zijn als het voegwoord om wordt weggelaten? Want, om staande te houden dat in iemand verzoeken om iets te doen de bijzin een voorzetselvoorwerp is, kun je geen gebruik maken van het voegwoord om. Je moet dan aannemen dat het voorlopige voorzetselvoorwerp erom is weggelaten (iemand erom verzoeken om iets te doen). En als dat kan, waarom zou dat dan niet kunnen als het voegwoord om is weggelaten?

Bent u er nog? Mijns inziens probeert Renkema de kwestie te vereenvoudigen door te suggereren dat om een voorzetsel is in iemand verzoeken om iets te doen. Dan heb je voor iemand een makkelijke keuze. Mijns inziens kom je dan in de problemen bij alle andere gevallen van de beknopte bijzin waar om heel duidelijk geen voorzetsel is.

Heb ik dan een duidelijker advies? Tja, ik ben eigenlijk niet zo van de adviezen, ik buig graag het hoofd voor betere adviseurs dan ik. Maar in dit geval zou ik zeggen: volg je taalgevoel, want beide mogelijkheden zijn te verdedigen. Als je een universitaire opleiding taalwetenschap volgt en het gaat je om de ontleding dan hebben we genoeg stof voor een heel college, maar wil je alleen maar weten of je in de lijdende vorm het beste enkelvoud of meervoud moet gebruiken, probeer dan niet wijzer te schrijven, maar eigenwijzer. Volg je eigen wijsheid.

Peter-Arno Coppen