Leve het dorre geleerdenproza

Waarom schrijven taalkundigen zo slecht? Af en toe wordt mij die vraag gesteld. Of de presuppositie van die vraag (taalkundigen schriven slecht) waar is, weet ik eigenlijk niet – de enige aanwijzing die ik heb is dat hij wel eens aan mij gesteld wordt, door mensen die verstand hebben van schrijven en die weleens, of nou ja, minstens één keer in hun leven, wat van taalkundigen gelezen hebben.

Ik ken inmiddels wel alle theorieën die over dat veronderstelde gebrek bestaan. Mijn favoriet: dat mensen vaak een vak gaan studeren omdat ze er moeite mee hebben. Mensen die met zichzelf in de knoop zitten worden psycholoog, mensen die geen normale zin kunnen maken, gaan taalkunde sturen. Maar dat vind ik toch vooral een grappige theorie, zonder dat ik er echt in geloof. (Een probleem van die theorie is dat het moeilijk te verklaren is waarom mensen pakweg scheikunde of geschiedenis gaan studeren: omdat er iets mis is met hun lichaamssappen? Omdat ze gisteren niet van vandaag kunnen onderscheiden?)

Waarschijnlijk schrijven wij taalkundigen waarschijnlijk net zo goed of slecht als andere wetenschappers. Een onderzoeker moet enorm veel schrijven: artikelen, onderzoeksaanvragen en verslagen voor NWO. Dat zijn vooral invuloefeningen met een vaste structuur, er komt weinig creativiteit bij kijken. (Zie deze mooie blogpost op Scientific American van vorige week.)
Zo moet het ook, vind ik. Ik zeg het ook altijd tegen studenten en promovendi: geen metaforen, geen grappige of beeldende titels, geen mooie zinnen. Duidelijk moet je zijn, op het saaie af. Je moet niet overtuigen doordat je het zo mooi zegt. De inhoud, die moet het doen. Een goed proefschrift spiegelt zich eerder aan de Enkhuizer Almanak dan aan de roman. Je moet er wat in kunnen opzoeken. Niemand leest eigenlijk ooit proefschriften en dat moet ook niet. Zelfs voor een wetenschappelijk artikel heeft afgezien van een enkele masterstudent nooit iemand tijd.

Zoiets geldt ook voor jargon. Je kunt op sommige partijtjes goede sier maken door een zin van een wetenschapper voor te lezen en je dan vrolijk te maken over dat jargon. Maar als je zeker weet dat iedere lezer alle jargonwoorden kent, is er niets op tegen. Sterker nog, het is dan vaak korter en efficiënter om die moeilijke woorden te gebruiken. Doe dat dan ook! (Het rare van onze huidige cultuur is dat ik vermoed dat sommige mensen de vorige zin als ironie lezen. Maar het is geen ironie!)

Dat is de manier waarop een wetenschapper moet kunnen schrijven. Bijna alle taalkundigen die ik ken hebben een goede stijl voor wetenschappelijke publicaties: dor en moeilijk te volgen voor buitenstaanders. Het nadeel daarvan is misschien dat we ons dan niet zo lekker uitdrukken en ook niet met het grootste gemak smakelijke verhalen opdissen waar de lezer lekker van gaat smullen.

Maar dat moeten anderen dan maar doen. Er zijn in het Nederlandse taalgebied gelukkig genoeg goede journalisten (en een paar slechte) die genoeg van ons vak begrijpen om een meeslepend en leerzaam verhaal te maken. Dat is een ander vak. Een wetenschapper verwijten dat hij niet goed over zijn vak kan schrijven is als een kok verwijten dat hij de stoelen van zijn gasten niet aanschuift als ze gaan zitten.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , . Bookmark de permalink.