Klankencyclopedie van het Nederlands (8): [ʋ]

[ʋ] De [ʋ] is het symbool voor de Nederlandse manier om een w uit te spreken: met de boventanden op de lippen – een beetje als de [v], maar dan zonder dat de lucht tot wrijving wordt gebracht. Bijna overal elders spreekt men de w anders uit: met beide lippen, als een soort korte oe (oeapperen). Het fonetische symbool daarvoor is [w]. Ook niet-Nederlandse variëteiten van het Nederlands – het Surinaams- en Vlaams-Nederlands – en zuidelijke dialecten in Nederland hebben allemaal de [w].

We maken het mensen die Nederlands willen leren ook niet makkelijk: de [f], de [v] en de [ʋ] liggen heel dicht bij elkaar. Je kunt een buitenlandse student eenvoudig tot wanhoop drijven door wee, vee, fee te zeggen en die persoon te verzekeren dat dit heus drie verschillende woorden zijn. Het werkt nog extra goed als je er een andere Nederlander bijhaalt die de woorden inderdaad alle drie uit elkaar blijkt te kunnen houden.

Die w heeft, of hij nu als [ʋ] of als [w] wordt uitgesproken, ook een raar, ambigu karakter. Als een woord met twee medeklinkers begint, kan de w soms op de eerste plaats staan (wreed) en soms op de tweede (kwal). Andere medeklinkers hebben een duidelijke voorkeur voor één van die twee plaatsen. De [r] kan bijvoorbeeld alleen op de tweede plaats staan, er is geen enkel woord dat begint met [r] en dan een andere medeklinker. Zo kan de [k] eigenlijk alleen op de eerste plaats staan – behalve dat hij op een [s] kan volgen, maar die [s] tart dan ook zo’n beetje alle regels die je hierover kunt opstellen (en kan op de eerste plaats staan in ski, op de tweede in psalm, en zelfs aan het begin van de enige groepen van drie medeklinkers die er zijn zoals straat en spreek).

Aan het eind van het woord is de w wat kieskeuriger. Als we ons weer tot groepjes van twee medeklinkers beperken, kan hij eigenlijk alleen de tweede zijn, en zelfs dat is maar de vraag. Veel mensen spreken die w in murw eerder uit als een f, is mijn indruk, en de w in erwt helemaal niet. Als eerste lid van zo’n groepje kan de w alleen gevolgd worden door een t, die aan het eind van het woord net zo flexibel is als een [s] aan het begin.

Tot slot is de w voor sommigen ook nog een bron van ergernis. Zij horen de weerman bui[ʋ]en zeggen en smijten de Avrobode woedend in een hoek van de kamer. Dat moet natuurlijk bui[j]en zijn! (Er zijn ook mensen die dezelfde reactie hebben bij bui[j]en, omdat het natuurlijk bui[ʋ]en moet zijn. Probeer dan maar eens uit te leggen dat er nooit iemand is geweest die zich met voldoende autoriteit over deze kwestie heeft uitgelaten om te kunnen spreken van een keiharde regel.)

De reden waarom allebei voorkomen, en er nooit iemand is die bijvoorbeeld ei[ʋ]eren zegt, of dou[j]en, is dat de ui aan het eind een beetje lijkt op de [j] én een beetje op de [w]. Zo’n tussengevoegde medeklinker lijkt altijd zoveel mogelijk op de voorafgaande klinker, en in dit geval is die strijd dus onbeslist.