Ik zal wat hij wil vragen

De zomervakantie zal wel voorbij zijn, want ik kreeg een e-mail van Hans, die Nederlandse les geeft aan een groepje buitenlandse studenten. Die zijn weer bij elkaar gekomen en hadden weer een ingewikkelde vraag bedacht:

Een cursist schreef Ik zal wat hij wil vragen in plaats van het juiste Ik zal vragen wat hij wil.
Haar argument was: Ik zal iets vragen is goed volgens ons taalgevoel en volgens de regel dat in een hoofdzin met een persoonsvorm + infinitief die infinitief naar het einde van de zin gaat.
(Eveneens, mutatis mutando: voltooid deelwoord ipv infinitief.)Als je iets vervangt door wat ik wil gaat het plotseling fout. Ik heb gezegd dat ik het jou zou vragen, maar dat mijn eigen idee is, dat de werkwoorden wil vragen achter elkaar geplaatst sterk de neiging hebben tot 1 zin te behoren met onderwerp hij.Die aantrekkingskracht tussen wil en vragen kun je ook kunstmatig overwinnen door een pauze in te lassen:Ik zal wat hij wil PAUZE vragen. Dat klinkt al een stuk acceptabeler.

Tja, wat moet ik antwoorden? Het is inderdaad zo: als het lijdend voorwerp een zelfstandig naamwoordsgroep is, of een voornaamwoord, dan staat het voor de infinitief (ik zal de weg vragen), maar als het lijdend voorwerp zelf weer een zin is, staat die zin eigenlijk altijd achteraan. Er is een omvangrijke wetenschappelijke literatuur over de vraag waarom dit zo is, maar ik betwijfel of Hans’ leerlingen daar wat aan hebben. Er zit geloof ik weinig anders op dan dit feit maar uit het hoofd te leren.

Het voorbeeld met die pauze deed me ineens inzien dat er nog een complicatie was die ik over het hoofd gezien had. Volgens mij kun je die zin wel zeggen, maar dringt zich daarbij een andere betekenis op.Of eigenlijk is het bovenstaande zinnetje dubbelzinnig:

– Ik zal hem vragen: ‘Wat wil jij?’ – Datgene wat hij wil dat ik vraag, zal ik vragen.

De eerste betekenis dringt zich meer op, maar de tweede kan in sommige contexten ook: “Ik ga de minister interviewen en de hoofdredacteur wil dat ik naar zijn kinderen vraag. ik vind dat een rare vraag, maar hij is de baas. Dus ik zal vragen wat hij wil.”

– Ik zal wat hij wil vragen.

eventueel met een pauze heeft juist veel sterker die tweede betekenis, misschien omdat de bijzin daar een ingesloten antecedent heeft (wat = datgene wat) en daarmee meer een zelfstandignaamwoordsgroep is:

Ik zal [de vraag die hij wil stellen] vragen.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in taalkunde met de tags . Bookmark de permalink.

3 reacties op Ik zal wat hij wil vragen

  1. Misschien ter aanvulling: er bestaat een miniatuurtje over die dubbelzinnigheid van dergelijke bijzinnen, naar aanleiding van de bekende dichtregel 'Lees maar, er staat niet wat er staat.' (http://www.neder-l.nl/bulletin/1999/07/990709.html)

    Voor de disambiguering heb ik later voorgesteld om het "vraagwoordpolaire" element 'in vredesnaam' te gebruiken (http://www.neder-l.nl/bulletin/1999/07/990709.html). Als je dat erbij zet, kun je alleen de afhankelijke vraag bedoelen en niet meer de betrekkelijke bijzin met ingesloten antecedent. De gangbare manier om die naar voren te halen is het ingesloten antecedent expliciteren:

    (1) Ik zal [wat hij in vredesnaam wil] vragen
    (2) Ik zal [datgene wat hij wil] vragen

  2. Ah, ja, inderdaad. Ik herinnerde me vanochtend wel dat ik ooit iets gelezen had over die kwestie naar aanleiding van Nijhoff, maar om de een of andere reden associeerde ik dat niet met de miniatuurtjes, en ik kon het ook niet meer vinden.

  3. Ingmar Roerdinkholder schreef:

    Laatst merkte iemand hier op – ik weet niet meer bij welk stukje- dat men vaak 'oh' in plaats van 'o' (het tussenwerpsel) schrijft.
    Ik dacht dat dit Engelse invloed is, omdat in het Nederlands de -h juist de kortheid van de klinker aangeeft, bv. in goh, joh.
    Nu valt mijn oog hierboven op Marcs 'ah, ja…' Ik spreek dit ah zelf uit als lange aa, het rijmt zelfs op het erop volgende 'ja'.
    Maar volgens mij schrijft er niemand ooit 'a' zonder h in dit geval.
    Terwijl in bv. bah de h duidelijk weer de kortheid van de klinker aangeeft, net als in joh. Maar in het woordje 'tja' komt nooit een h voor, hoewel dit in mijn beleving ook meestal een korte a heeft.
    En hè is ook nooit heh, het twijfelachtigheidswoordje ù wordt juist weer wel als eh gespeld.
    Het zijn allemaal woorden met klanken die niet goed binnen het Nederlandse spellingssysteem passen en uitzonderingen zijn in het klanksysteem. Daarom zijn de regels hoe je ze moet schrijven ook niet duidelijk. Niet dat dat belangrijk is, maar wel interessant

Reacties zijn gesloten.