De perfecte uitspraak van de r

Met de uitspraak van de Nederlandse r is al een tijdlang van alles aan de hand. Er moet een periode zijn geweest dat alle Nederlandstaligen hem op dezelfde manier uitspraken – zeer waarschijnlijk met een rollende tongpunt, zoals bijvoorbeeld nu in het Spaans nog algemeen is. Maar in de loop van de tijd verandert daar van alles aan: je krijgt de zogenoemde Kinderen-voor-Kinderen-r waarbij de tong zich oprolt, en de schraap-r, en de r waarbij de huig trilt in plaats van de tong, en niet te vergeten: een r aan het eind van het woord die je bijna niet meer hoort (niet mee hoot).

Maar wanneer is dat precies gebeurd? Dat is soms moeilijk te achterhalen.

We hebben wel opnamen van de afgelopen honderd jaar, maar dat gaat meestal over gebeurtenissen die de sprekers zich bewust waren van de opname-apparatuur en dus overdreven goed articuleerden. Pas voor de recente decennia krijgen we meer duidelijkheid, onder andere doordat mensen zich vaker en makkelijker laten opnemen.Maar voor eerdere tijden moeten we het doen met incidentele observaties van taalgebruikers. Zo las ik gisterenavond het boekje Hopelijk gaat het strakt bij God beter, waarin vier brieven van J.J. Voskuil aan Henk Romijn Meijer staan afgedrukt uit 1957 en 1958. (Er zijn slechts honderd exemplaren van dit boekje, haast u.) Voskuil werkte toen pas kort op wat later het Meertens Instituut zou heten. Op 17 september 1957 schrijft hij over een bijeenkomst in Zwolle van de medewerkers in het instituut met een groep mensen die voor hen regelmatig vragen beantwoordden over hun dialectgebruik en de nageboorte van het paard:

De meest intelligente was een man met en vlinderdasje (in mijn herinnering heeft hij geen hoofd, wat voor hem pleit) die ‘wel eens even een lans wou breken voor de perfecte uitspraak van de r, het ergerde hem dagelijks opnieuw dat hij zo vaak werd weggelaten, zelfs door mensen achter de groene tafel (dat waren wij) en hij wou maar besluiten met het woord van Annie M.G. Schmidt dat ze Sjaan in de familie Doorsnee laat zeggen: mevoi.’

Het laatste is intrigerend. Als ik denk over een weggelaten r denk ik meestal over een r aan het eind van de lettergreep: koor wordt tot kooh, maar niet rook wordt tot ook. (Ik heb ooit geschreven over het verschijnsel bij de koningin.) Mevoi is een ander geval, want het ligt wel aan het begin van de lettergreep. Zou die man zonder hoofd dat ook vaker gehoord hebben bij de Amsterdamse intellectuelen achter de tafel?