Schrijfwijzer (7): ‘Wat heb ik daar nu aan, sprak de leek onzeker.’

Wat voor beeld van ‘de taalgebruiker’ heeft Jan Renkema, de auteur van de Schrijfwijzer, waarvan onlangs de vorige editie verscheen? Hij geeft er zelf een duidelijk beeld van in de volgende passage, waarin hij die taalgebruiker tegenover de ‘taalkundige’ zet:

De taalgebruiker wil een voorschrift, een norm. De taalkundige kan vanuit zijn beroep alleen maar zeggen: zo zit taal in elkaar. Dit spanningsveld staat bekend als de spanning tussen prescriptie (voorschrijven) en descriptie (beschrijven).

Waarom die taalkundige er hier bij gehaald wordt, snap ik ook niet zo goed, er is in de voorafgaande tekst geen aanleiding voor. En ook niet waarom je er niets aan zou hebben om te weten hoe taal in elkaar zit, als je een norm wil hebben: wat is nu eigenlijk de ‘spanning’ tussen voorschrijven en beschrijven? Waar komt de norm dan wel vandaan, als hij niet komt van hoe taal in elkaar zit?

Het is een constante in Renkema’s werk, dit beeld van ‘de’ taalgebruiker die in vertwijfeling en onzekerheid smeekt om houvast in een norm, en de taalkundige die dat maar niet begrijpt.
Zie bijvoorbeeld dit artikel uit Onze Taal in 1985, waarin de taalgebruiker soms een ‘leek’ heet:

Wat heb ik daar nu aan, sprak de taalgebruiker onzeker. Ik wil weten of iets goed of fout is. Geef mij regels! (…) Een leek heeft behoefte aan regels die vóórschrijven hoe men zich in taal uitdrukt.

Let op het onpersoonlijke men; de gebruiker wil niet weten hoe hij zich zelf moet uitdrukken, maar hoe men dat doet. Ik weet niet waar die nadruk vandaan komt. Misschien is Renkema’s perceptie op de ‘gewone man’ wel bepaald door de mensen die zich tot hem wenden met hun taalvragen; ik neem in ieder geval aan dat de schrijver van de Schrijfwijzer al decennia overstelpt wordt met allerlei vragen. Dat heeft bij hem misschien de gedachte doen postvatten dat dit is hoe ‘de gewone man’ denkt.

Vrolijk-verbaasd

Maar mijn beeld is een heel andere. Er bestaan vast wel onzekere taalgebruikers, maar dat lijkt mij slechts een kleine groep. Ga eens een dagje in een streekbus zitten, of in de tram, en vraag je af hoeveel mensen om je heen behoefte hebben aan houvast en regels die hun voorschrijven hoe ‘men‘ zich in taal uitdrukt. De gemiddelde Nederlander gaat helemaal niet gebukt onder zoveel onzekerheid en zit er zeker niet op te wachten dat een taalkundige hem of haar komt vertellen hoe het moet.

Ook al zijn er 450.000 exemplaren van de Schrijfwijzer verkocht, daarmee zijn de lezers nog niet representatief voor ‘de taalgebruiker’, want taalgebruikers zijn wij allemaal. Ook die mensen in de tram.

Bovendien: het succes van de boeken van Paulien Cornelisse – die veel korter in de markt zijn, maar waarvan de oplage ook al bij de honderdduizenden ligt – laat zien dat er inmiddels een heel andere toon over taal veel beter aanslaat bij ‘de taalgebruiker’: geen vragen om ‘houvast’, maar je verbazen over ‘hoe het echt zit’. Dat is de interesse en de belangstelling waarvan Renkema altijd dacht dat die was voorbehouden aan de ‘taalkundige’, maar die door veel meer mensen gedeeld lijkt te worden.

Gelukkig wordt de samenleving op taalgebied steeds anarchistischer; wat dat betreft is het te hopen dat dit de laatste editie van de Schrijfwijzer is. Althans, dat is wat ik morgen, in de slotaflevering van deze vrolijke zomerreeks, hoop aan te tonen.