Over de geboorte van lidwoorden, naamvallen en andere (on)gemakken

door Suzanne Aalberse


Vaak lees je over het verdwijnen van lidwoorden of naamvallen. Steeds meer mensen zeggen ‘de mooie meisje’ en de –n van ‘te allen tijde’ is er alleen op papier nog maar allang niet meer in gesproken taal. Toch  zijn lidwoorden en naamvallen ooit ontstaan. Hoe eigenlijk en waarom?


In zijn boek Sociolinguistic Typology.  Social determinants of linguistic complexity schrijft Peter Trudgill over de situatie waarin naamvallen, lidwoorden en andere elementen die in ieder geval voor volwassen en soms ook voor kinderen lastig te leren zijn, toch kunnen opkomen. Dat is vooral in hele kleine taalgemeenschappen, waar weinig tot geen volwassen de taal voor het eerst leren –iedereen leert de taal al als kind-, waar mensen de meeste kennis delen, een taal die vooral informeel gebruikt wordt en in een gemeenschap waar geen heftige dingen gebeuren zoals massaal doodgaan aan de pest en waar de sociale orde niet opeens verschuift. Hij noemt die gemeenschappen ‘societies of intimates’.

Grappig is om te zien waar naamvallen vandaan komen.
Voorzetsels of liever gezegd achterzetsels worden langzamerhand onderdeel van een woord. Ga de boom inbestaat voor ons uit vier woorden. Als je boominsnel zegt zou het één woord kunnen zijn met ‘in’ als een naamvalachtig iets. In sommige delen van Nederland zie je op die manier nog nieuwe werkwoordsuitgangen ontstaan. Daar kun je zeggen, we game, waar -me de uitgang voor de eerste persoon meervoud is (van we gaan wewaar de w en de n samen gegaan zijn in een –m).


Twee woorden als één woord beschouwen gebeurt eerder als mensen snel praten en niet alles duidelijk uitspreken. Mompelen en snel praten doe je vooral als zaken bekend zijn.  Als ik met mijn moeder praat, dan maak ik nooit een zin af. Veel informatie is gedeeld. Na twee woorden weet je al wat de ander wil zeggen. Trudgill vertelt over Sascha Aikhenvald die onderzoek doet in een hele kleine gemeenschap. Drie dagen zit ze met een paar mensen in een bootje en geen van die drie dagen gebruikt iemand een zelfstandig naamwoord. “Hépak is eens”…, “kijk wat eens mooie” …. Als maar weinig mensen de taal spreken en ze delen veel kennis en geschiedenis, dan hoeft veel niet uitgesproken te worden en dat helpt als je naamvallen in je taal wilt.

Het afslijten van woord heeft tijd nodig. Langzamerhand wordt de vorm korter en de betekenis algemener. Trudgill waarschuwt dat de kans dat nieuwe naamvallen zullen ontstaan steeds kleiner wordt, omdat de situatie van een kleine gemeenschap van maximaal 50 sprekers van een taal steeds minder voorkomt. Veel van wat in menselijke taal mogelijk is, zien (of liever horen) we niet, omdat we vooral talen kennen die door veel mensen gesproken worden. De standaardtaal remt ook veranderingen. Trudgill zegt dat ons taalvermogen nu vergelijkbaar is met duizenden jaren geleden, maar dat de omstandigheden zo anders zijn, dat de taal zich nu anders ontwikkelt dan meer dan 4000 jaar geleden. Als je echt wilt weten hoe rijk het taalvermogen is, dan moet je ook kijken naar talen in deze kleine gemeenschappen. Daarom is het beschrijven van uitstervende talen ook belangrijk. John Schumann die ook kijkt naar evolutie in taal denkt dat niet alleen de omstandigheden anders zijn, maar ook de hersenen zelf. Doordat we kunnen lezen en schrijven begrijpen we taal anders en dat anders begrijpen heeft zijn weerslag in je hoofd.

Het beste recept voor wie weer meer naamvallen wil en meer lidwoorden lijkt dus om te stoppen met lezen en schrijven en om in afzondering van anderen in een klein groepje te leven met mensen met wie je alles deelt. Scholen en boeken weg en je achterachterkleinkinderen hebben dan misschien weer naamvallen.