Klankencyclopedie van het Nederlands (3): de [d]

[d]  De [d] heeft in de geschiedenis van het Nederlands veel geleden. Hij is verzwakt tot een [j] in goeie en kwaaie en in sommige woorden zelfs helemaal weggevallen, zoals in weer en voer, die natuurlijk afkomstig zijn van weder en voeder.

De [d] is van zichzelf ook al een zwakke klank. Hij wordt met het puntje van de tong vlak achter de tanden gemaakt, op dezelfde plaats als de [t] en de [n] — en het is niet toevallig dat ook die klanken heel makkelijk wegvallen (hij loop, manne). Bovendien laat je bij de d je stembanden trillen, zoals je dat ook doet als je klinkers uitspreekt. Een d tussen klinkers, als in goede, kwade, weder, voeder heeft dus te weinig kracht om nog te blijven staan.

Een [j] is dan de eerste stap: dat is een d die tot een klinker geworden is. Hij wordt op min of meer dezelfde plaats in de mond gemaakt, maar een stuk losser, de tongpunt maakt geen contact met het verhemelte. (Probeert u het maar gerust.)

Het wonderlijke van die verzwakking is dat hij inmiddels is stopgezet. Die verandering naar [j] of het weglaten hebben bepaalde woorden aangetast, maar er komen geen nieuwe woorden meer bij: niemand noemt een kader een kaar of een kajer. Het woord moeder is ooit tot moer geworden, maar dat laatste woord kan alleen nog worden gebruikt als tegenhanger van een bout (ja, die seksuele symboliek gold ooit), zoals rooien als scheldwoord voor socialisten en communisten kan gelden op een manier waarop roden dat niet kan.