Els Stronks: Nieuwe dimensies

De uitnodiging van de redactie om bij het jubileum van Neder-L over de toekomst van de neerlandistiek te schrijven, grijp ik met beide handen aan. Eerst en vooral omdat het me de kans geeft de redactie zélf in het zonnetje te zetten. Zonder Neder-L vertoonde de neerlandistiek een stuk minder coherentie, misten we aankondigingen van tal van heugelijke gebeurtenissen en ontbrak ook een scherpe en kritische blik op de laatste ontwikkelingen in het vak.

Ook de rest van mijn bijdrage heeft een zonnige toon. Eerlijk gezegd lijkt het me niet de tijd over de toekomst van het vak te somberen. Misschien dat de redactie van Neder-L de uitnodiging ook niet zo bedoelde, maar de vragen die ik ter beantwoording voorgelegd kreeg (‘Bestaat de neerlandistiek nog wel?’) hadden een wat zorgelijke toon en leken uit te nodigen te bedenken wat er allemaal verloren is gegaan in het vak. De vorige discussies over de toekomst van het vak – die voor mijn gevoel nog maar kort achter ons liggen – hadden die toon ook . Ze leidden ertoe dat neerlandici de blik naar binnen keerden, precies de plaats waar we volgens mij de toekomst van het vak niet gaan vinden.

Allerlei ontwikkelingen lijken er mij op te duiden dat de (nabije) toekomst van de neerlandistiek vooral buiten het vak ligt, in verbanden die neerlandici hebben weten te maken met hun omgeving. Verbanden zoals die aan universiteiten worden gelegd doordat de meertalige Nederlandse cultuur als exemplarisch onderzoeksveld onder de aandacht wordt gebracht van allen die in interculturele communicatie geïnteresseerd zijn. Vanuit de gedachte dat verbanden belangrijk zijn, presenteert een digitale onderzoeksomgeving als het Taalportaal het Nederlands als generiek voorbeeld van een westerse taal, en hebben we als letterkundigen bij de KNAW een aanvraag ingediend voor het organiseren van een colloquium waarop we de overdraagbaarheid van literatuur in een kleine taal in een globaliserende wereld aan de hand van de Nederlandse casus gaan onderzoeken.

De neerlandistiek heeft, kortom, waarde omdat we onderzoekers uit andere disciplines en vakgebieden iets te melden hebben door vanuit bredere thematieken gemeenschappelijke problematiek te onderzoeken. Vraagstukken die in andere disciplines leven krijgen antwoorden met behulp van neerlandistieke casussen.

Zo opereren, met de blik naar buiten gericht en reagerend op ontwikkelingen in de omgeving, is in mijn ogen een teken van sterkte. Om dat in de verre toekomst te kunnen blijven doen, vanuit de sterkte van het eigen vak, is groeiende samenwerking tussen neerlandici intra en extra muros van groot belang. In de wisselwerking tussen neerlandici uit verschillende regio’s ontstaan nieuwe inzichten als vanzelf, zoals het succesvolle ‘Beatrijs Internationaal’-project overtuigend heeft aangetoond.

Nu neerlandici op het niveau van onderzoek meedoen en meewerken in interdisciplinaire onderzoeksprogramma’s is de vraag of verandering van het schoolvak als vanzelf volgt. Docenten van nu worden in die interdisciplinaire onderzoekstraditie opgeleid, en is dat al in het schoolvak Nederlands zichtbaar? Ik weet er te weinig van om die vraag te beantwoorden, maar hoop dat scholieren van nu in sferen worden grootgebracht die het hen mogelijk maakt in de toekomst weer nieuwe dimensies aan de neerlandistiek toe te voegen.
Els Stronks, hoogleraar Vroegmoderne Nederlandse Letterkunde, Utrecht