Of het nou hij is.

Waarom zijn Litouwers Europees kampioen doorfluisteren? En hebben Italianen zoveel woorden om vrouwen te verkleinen, liefkozen en minachten? Hoe zet je een nies op papier? Het zijn maar een paar van de vele, vele vragen die Gaston Dorren beantwoordt in zijn verukkelijke boek Taaltoerisme. Feiten en verhalen over 53 Europese talen.

Het is een vrolijk boek geworden, in zekere zin vooral een verzameling columns van iemand die verzot is op taal en op talen (of twee iemanden, want de Leidse taalkundige Jenny Audring heeft ook een paar hoofdstukken geschreven), een boek dat je cadeau kunt doen aan mensen die ook zo verzot zijn. Of beter: aan mensen van wie je hoopt dat ze zo verzot worden, want dat wordt een mens zeker door de aanstekelijke stijl van dit boek.

Drie hoofdstukken gaan over talen in Nederland: het Limburgs, het Fries en het Nederlands. Het laatste bestaat uit een samenspraak tussen de twee auteurs, waarin Audring de belangrijkste resultaten van haar proefschrift uitlegt:

Die zogenaamde slordige sprekers van jou hanteren onbewust een strak systeem. Praten ze over een vrouw, of over een dier dat nadrukkelijk vrouwelijk is, dan gebruiken ze ‘zij’; maakt niet uit of het een de-woord is, zoals koningin of kat, of een het-woord, zoals wijf of wijfjesdier. Alle andere levende wezens zijn ‘hij’, zelfs al zijn ze volgens het woordenboek vrouwelijk, zoals godheid. Telbare dingen, vooral voorwerpen, zijn óók ‘hij’: de lepel, de vork, het mes. Volgens het woordenboek is de lepel mannelijk, was vork oorspronkelijk vrouwelijk en is mes onzijdig, maar iedereen vraagt of je ‘hem’ even kunt aangeven, of het nou de lepel, de vork of het mes is. En ten slotte zijn er de zaken die je minder makkelijk of helemaal niet kunt tellen, zoals groente, water en vrolijkheid. Daar wordt naar verwezen met ‘het’, los van hun traditionele, officiële woordgeslacht.

Dat is een bijzonder heldere uitleg, al roept hij ook een vraag op: dat het in ‘of het nou de lepel, de vork of het mes is’, hoe zit dat dan?