Col: Engels spreken is niet zo aangewezen

Guy Verhofstadt, een oud-premier van België, wilde deze week een daad stellen en sprak Nederlands in het Europees Parlement; een video van het begin van zijn optreden staat hier.
Het is om een groot aantal redenen een opmerkelijk gebaar dat veel laat zien over hoe taal feitelijk functioneert in Europa. In de eerste plaats omdat Verhofstadt het zo nadrukkelijk als een gebaar presenteert: “Meneer, de voorzitter, ik ga vandaag in mijn moedertaal spreken, omdat ik denk dat het Engels niet zo aangewezen is.”
Formeel heeft iedere Nederlandstalige europarlementariër het recht om op ieder moment in het Nederlands het woord te voeren; argumenten hoeven daar niet voor gegeven te worden. Officieel is iedere taal immers gelijkwaardig in het Europees Parlement.
Door er aan het begin van zijn toespraak zo expliciet op te wijzen dat hij een keuze maakt, laat Verhofstadt zien dat het met die gelijkwaardigheid net iets anders ligt: kennelijk moet er een bijzondere reden zijn om geen Engels te gebruiken.
Ook de reden die hij noemt is bijzonder: het Engels is niet zo aangewezen. Je ziet het aanwezige publiek, waaronder de Nederlandstalige president van Europa Van Rompuy lachen, want men begrijpt waarom het niet zo ‘aangewezen’ is om Engels te spreken: omdat de Britse premier Cameron zojuist een accoord heeft geblokkeerd waar alle andere Europese landen voor waren.
Hoe nu? Spreken we soms Engels omdat dit de taal is van het Verenigd Koninkrijk? Dat is formeel gezien helemaal niet het geval: zelfs als Cameron zou besluiten om de Europese instituties helemaal te verlaten, zou het Engels een officiëlte taal blijven, al is het maar omdat die dan nog steeds in twee landen gesproken wordt: Ierland en Malta.
Toch voelt het kennelijk wel een beetje zo; anders zou het ‘grapje’ dat Verhofstadt maakt door geen Engels meer te willen spreken niet begrepen zijn. Op zijn minst een heel klein beetje moet het toch voelen alsof men telkens een beetje buigt voor de Engelsen. En als de Engelsen dan dwars gaan liggen, buigen we even niet meer.
Maar er is ook een andere dimensie. Verhofstadt hield zijn opstandige gedrag niet de hele toespraak vol. Na een paar zinnen schakelde hij toch terug naar het Engels: dat was makkelijker, want zo was hij het toch gewend. Want ondanks de officiëe lezing dat alle talen gelijkwaardig zijn, en ondanks het kennelijk op de achtergrond levende sentiment dat we door Engels te spreken aardig zijn voor de Engelsen, is het Engels inmiddels de feitelijke vergadertaal.