Lit: Dissertatie Ute K. Boonen verschenen over Middelnederlandse oorkondetaal in de 13e en 14e eeuw

De onlangs verschenen dissertatie van Ute K. Boonen biedt een overzicht van de verschriftelijking van het Middelnederlands door het proces van de vertaling van formules uit het Latijn (Vorlagen), van de normering van het Middelnederlands als oorkondetaal (Normierung) en de regionale elementen in de verschillende schrijfdialecten (Sprachgebrauch), met name lexicale verschillen in de verwoording van de notificatio-formule en syntactische verschillen met betrekking tot de werkwoordelijke eindgroep.

Tijdens de middeleeuwen wordt het Latiijn als traditionele oorkondetaal geleidelijk door de volkstalen vervangen. Dit proces dat onder andere samenhangt met het ontstaan van de steden en de opkomst van de burgerij begint in het zuidwesten van Europa en zet zich met een tijdelijke vertraging voort in noordelijke en oostelijke richting. In de Nederlanden wordt het Latijn tijdens de 13de en 14de eeuw door het Middelnederlands afgelost.

Het proces van de verschriftelijking van het Middelnederlands en de verhouding tussen Latijn en volkstaal staan de laatste jaren volop in de belangstelling. Deze studie onderzoekt hoe scribenten bij de verwoording van Latijnse formules in het Middelnederlands te werk gaan. Wordt het Latijn letterlijk vertaald? Ontwikkelt er zich een eigen Middelnederlandse vaktaal? De analyse van ruim 2000 documenten laat zien dat de middeleeuwse scribenten bepaalde formules als model selecteren, maar zich geleidelijk van het Latijnse model emanciperen.

Hoewel het taalgebruik in de oorkonde vrij stereotiep is, kunnen lexicale en syntactische verschillen worden vastgesteld die door het gebruikte schrijfdialect te verklaren zijn. Ten noorden van de lijn Middelburg-Maastricht gebruiken de scribenten het Latijnse protestari (be-/getuigen) als model en vertalen dit met oorkonden bzw. oorkonden ende kennen (in de Hollandse steden en in Brabant) of met varianten van tughen en bekennen (Gelderland, Overijssel, Groningen). Ten zuiden van de lijn Middelburg-Maastricht krijgen vertalingen van notum sit en het Franse faire à savoir de voorkeur: cont si in Brussel, kenlic si in Gent en doen te wetene resp. doen verstaen in Brugge en Utrecht.

Op syntactisch gebied toont de analyse van 3610 werkwoordelijke eindgroepen aan dat verschillende factoren de keuze voor de rode resp. groene volgorde (Vf+V resp. V+Vf) in het Middelnederlands bepalen. Zo is de volgorde mede afhankelijk van het gebruikte hulpwerkwoord: de rode volgorde komt in tweeledige eindgroepen met hebben vaker voor dan bij zullen of zijn. Ook de context van de eindgroep heeft invloed op de volgorde. Een kort middenstuk en een ingevulde laatste zinsplaats bevorderen het gebruik van de rode volgorde, die in deze omstandigheden in absoluut opzicht zelfs vaker dan de groene volgorde wordt gebruikt: bij zullen komt de rode in meer dan 59%, bij hebben zelfs in meer dan 64% van de werkwoordelijke eindgroepen voor.

De invloed van de verschillende factoren is echter in de twee onderzochte tijdsvakken niet dezelfde. En ook geografisch gezien zijn de factoren niet overal in het Middelnederlandse taalgebied even bepalend. Algemeen wordt de groene volgorde in het zuiden van het taalgebied minder vaak gebruikt dan in het noorden; of anders gezegd: ten noorden van de lijn Middelburg – Maastricht is de voorkeur voor groen aanzienlijk groter dan ten zuiden van deze lijn.

Ute K. Boonen: Die mittelniederländische Urkundensprache in Privaturkunden des 13. und 14. Jahrhunderts: Vorlagen, Normierung, Sprachgebrauch. (Dissertation.) Niederlande-Studien Bd. 47, Münster: Waxmann, 2010. 386 p., gebonden, ISBN 978-3-8309-2330-5, EUR 42,90.