Neder-L, no. 0001.c: mededeling en tijdschriftenoverzicht

Subject: Neder-L, no. 0001.c: mededeling en tijdschriftenoverzicht
From: BJP Salemans
Reply-To:Elektronisch tijdschrift voor de neerlandistiek
Date:Sun, 30 Jan 2000 23:50:22 +0100
Content-Type:TEXT/PLAIN
                           *********************
*-Achtste-jaargang--------- Neder-L, no. 0001.c -----------ISSN-0929-6514-*
|                                                                         |
|      ************************************************************       |
|      * Neder-L, elektronisch tijdschrift voor de neerlandistiek *       |
|      ************************************************************       |
|                                                                         |
| (1) Sym: 0001.16: TIN-dag 2000 op za 5 februari 2000 te Utrecht         |
|                                                                         |
| Maandelijks tijdschriftenoverzicht                                      |
| ==================================                                      |
| (2) Tyd: 0001.17: Literatuur, jrg. 16, no. 6, november/december 1999    |
| (3) Tyd: 0001.18: Meesterwerk 16, december 1999                         |
| (4) Tyd: 0001.19: Onze Taal, jrg. 68, no. 12, december 1999             |
| (5) Tyd: 0001.20: Onze Taal, jrg. 69, no. 1, januari 2000               |
| (6) Tyd: 0001.21: Tabu, jrg. 29, no. 3, 1999                            |
| (7) Tyd: 0001.22: Tabu, jrg. 29, no. 4, 1999                            |
| (8) Tyd: 0001.23: Volkskundig Bulletin, jrg. 25, no. 2/3, 1999          |
| (9) Tyd: 0001.24: Vonk, jrg. 29, no. 1, september/oktober 1999          |
|(10) Tyd: 0001.25: Vonk, jrg. 29, no. 2, november/december 1999          |
|(11) Tyd: 0001.26: De Zeventiende Eeuw, jrg. 15, no. 1, april 1999       |
|(12) Tyd: 0001.27: Lijst redacteurs tijdschriftenoverzicht Neder-L       |
|(13) Informatie over Neder-L                                             |
|                                                                         |
*--------------------------                     --------------------------*
                           *********************

(1)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=
Date: Wed, 26 Jan 2000 10:29:36 +0100 (MET)
From: "Wouden A. van der" <A.van.der.Wouden@let.rug.nl>
Subject: Sym: 0001.16: TIN-dag 2000 op za 5 februari 2000 te Utrecht

============
TIN-dag 2000
============

Op zaterdag 5 februari vindt de TIN-dag 2000 plaats. Adres: Trans 10 in Utrecht. 83 lezingen, verdeeld over zeven parallelsessies, geven een beeld van het onderzoek in de Taalkunde in Nederland. Het programma en de samenvattingen van alle lezingen zijn te vinden via de AVT homepage http://www.let.rug.nl/orgs/avt. De toegang is gratis.

Ton van der Wouden
http://www.let.rug.nl/~vdwouden
homepage Algemene Vereniging voor Taalwetenschap/Linguistic Society of the Netherlands: http://www.let.rug.nl/orgs/avt

(2)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=Neder-L-bericht, no. 0001.17-=-=
LITERATUUR, jaargang 16, nummer 6, november/december 1999.
ISSN 0168-7050.
Door: Jose Rekers.
Lent, 20 januari 2000.

  • Odile Heynders.
    Ten geleide. Literaturen in het Nederlands. Blz. 322-323.
    (Themanummer over multiculturele (oftewel etnische) literatuur in de Nederlandse multiculturele samenleving.)
  • Bert Paasman.
    Een klein aardrijkje op zichzelf, de multiculturele samenleving en de etnische literatuur. Blz. 324-334.
    (Het begrip etnische literatuur in Nederland krijgt betekenis tegen de achtergrond van de multiculturele samenleving in het koloniale verleden en in het heden.)
  • Ton Anbeek.
    Fataal succes. Over Marokkaans-Nederlandse auteurs en hun critici. Blz. 335-342.
    (Receptie en werk van Marokkaans-Nederlandse auteurs tonen aan dat zowel critici als auteurs zoeken naar een houding ten aanzien van het fenomeen multiculturele literatuur.)
  • Hans Straver.
    Tussen orale cultuur en literatuur. Molukkers nemen de pen ter hand. Blz. 343-349.
    (De Molukse samenleving in Nederland bevindt zich in een overgangsfase van een orale cultuur naar een meer literaire cultuur.)
  • Ries Agterberg.
    Onderwijs moet alle kleuren van de Nederlandse literatuur laten zien. Nederlandstalige literatuur in een multiculturele samenleving. Blz. 350-352.
    (Op het eerste oog verschillen de meningen over de rol van intercultureel literatuuronderwijs op de middelbare school.)
  • Marcel Janssens.
    (In de rubriek Grensverkeer:)
    Anti-kolonialistisch? Blz. 353-354.
    (Op zoek naar een Vlaamse pendant van de Max Havelaar.)
  • Lisa Kuitert.
    Niet zielig, maar leuk. Nederlandse uitgevers van multiculturele literatuur. Blz. 355-364.
    (Een rondgang langs uitgeverijen laat zien dat het multiculturele boek een vaste plaats heeft verworven op de Nederlandse markt.)
  • Odile Heynders & Bert Paasman.
    ‘De ziel van dit volk komt goed in gedichten naar voren, maar in proza niet’. Een interview met Kader Abdolah op 18 oktober 1999. Blz. 365-369.
    (Abdolah over de twee talen als voedingsbodem voor zijn schrijverschap, over de Nederlandse literatuur en over multiculturele literatuur in het onderwijs.)
  • Henriette Louwerse.
    ‘De taal is gansch het volk’. Blz. 370-372.
    (Kritische beschouwing over de verschillende manieren waarop de taal van multiculturele auteurs benaderd kan worden door lezer en auteur.)
  • Recensies, blz. 373-377:
    . <Door: Ton Wolf:> Els Moor, Joan Vaseur-Rellum & Godeke Donner (red.). Fa yu e tron leisibakru. [Surinaamse literatuurmethode voor middelbaar onderwijs. Paramaribo?].
    . <Door: Odile Heynders:> Ena Jansen. Afstand & verbintenis, Elisabeth Eybers in Amsterdam. Amsterdam University Press, Amsterdam, 1998.
  • Signalementen, blz. 378-383:
    . Eric Jorink. Wetenschap en wereldbeeld in de Gouden Eeuw. Uitgeverij Verloren, Hilversum, 1999. (Zeven Provincien Reeks; 17).
    . Florike Egmond, Eric Jorink & Rienk Vermij (red.). Kometen, monsters en muilezels. Het veranderende natuurbeeld en de natuurwetenschap in de zeventiende eeuw. Arcadia, Haarlem, 1999.
    . Natascha Veldhorst (samenst.). De Haarlemse Bloempjes. Arcadia, Haarlem, 1999. (Haarlemse Doelenreeks; 4).
    . K. Enenkel, P. van Heck & B. Westerweel (red.). Reizen en reizigers in de Renaissance. Eigen en vreemd in oude en nieuwe werelden. Amsterdam University Press, Amsterdam, 1998.
    . Kees van Strien (samenst.). Touring the Low Countries. Accounts of British travellers, 1660-1720. Amsterdam University Press, Amsterdam, 1998.
    . Henk Duits & e.a. (samenst.). Een lezer aan het woord. Studies van L. Strengholt over zeventiende-eeuwse Nederlandse letterkunde. Munster, 1998. (Stichting Neerlandistiek VU; 26).
    . A.S.Q. Visser, P.G. Hoftijzer & B. Westerweel (red.). Emblem books in Leiden. A catalogue of the collections of Leiden University Library, the Maatschappij der Nederlandse Letterkunde and Bibliotheca Thysiana. Primavera Pers, Leiden, 1999.
    . Marcel Raadgeep. Met een voorwoord van Reinold Kuipers. Ik krijg zo’n drang van binnen…; bibliografie Annie M.G. Schmidt. [Uitg. in eigen beheer], Delft, 1999.
  • Nieuws, blz. 384-388.

(3)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=Neder-L-bericht, no. 0001.18-=-=
MEESTERWERK 16, december 1999.
ISSN 1380-5118.
Door: Els Ruijsendaal, Amsterdam.
Amsterdam, 16 januari 2000.

Themanummer: “De Letterkunde in het talenonderwijs”

  • Piet-Hein van de Ven.
    Een geschiedschrijving van het literatuuronderwijs Nederlands in de twintigste eeuw. Blz. 2-13.
    (Over de verschillende verschijningsvormen van het literatuuronderwijs: de historische, de ergocentrische, de sociologische en de lezersgerichte benadering. Omdat het doel van geschiedschrijving voor Van de Ven het verhelderen van het verleden is, vraagt hij af hoe deze vier benaderingen over het wat, hoe en waarom van literatuuronderwijs oordelen. Er blijkt een kloof te bestaan tussen wat hij noemt de retoriek en de praktijk van het literatuuronderwijs. Hij betoogt dat onderwijstradities, die een schoolvak in de praktijk vormgeven, eerder een weerspiegeling zijn van algemene maatschappelijke denkbeelden dan van vakwetenschappelijke paradigmata.)
  • Hubert Slings.
    De opkomst van de Middelnederlandse letterkunde in het voortgezet onderwijs. Blz. 14-18.
    (Gedurende de eerste zestig jaren van het Nederlandse literatuuronderwijs – de periode van ca. 1830-1890 – bestond er weinig tot geen waardering voor de Middelnederlandse letterkunde; de drie daaropvolgende decennia verwerft zij zich een vaste plaats in het literatuuronderwijs. De auteur vermoedt dat het ontstaan van de gymnasia aan het eind van de negentiende eeuw daarbij een belangrijke rol heeft gespeeld.)
  • D.F. Koldijk.
    De canon in het literatuuronderwijs Duits. Blz. 19-23.
    (Wie of wat bepaalde de inhoud van een literatuurboek Duits en waar haalden de samenstellers van die literatuurboeken hun canon vandaan?. In de hoogte- en dieptepunten van de Duits-Nederlandse betrekkingen blijft de canon zichzelf ongeveer gelijk, al verschuiven er wel namen. In Nederland is bij alle vernieuwingen kennelijk steeds de pedagogisch-didactische behoefte blijven bestaan aan een canon als een bewust gehanteerd waardesysteem.)
  • Verslag, blz. 24-25:
    <Door: Els Ruijsendaal:> W.A.M. de Moor. Impulsen voor de vernieuwing van het literatuuronderwijs.
    (Een schets van het doel en de inhoud van het literatuuronderwijs in het studiehuis, de bovenbouw van havo en vwo. Centraal daarin staat het begrip literaire competentie, d.w.z. het vermogen om zelfstandig met behulp van leesstrategieen literaire teksten te lezen om deel te kunnen nemen aan het literaire leven. Dat Nederlands en de moderne vreemde talen daarbij nauw samenwerken in wat geintegreerd literatuuronderwijs wordt genoemd, juicht De Moor toe. Een nadere uitwerking van deze gedachten, alsmede vragen en opmerkingen die naar aanleiding van deze voordracht zich aandienden, zijn verwerkt tot een kort verslag.)
  • Nicoline van der Sijs.
    Naar aanleiding van No”el van Berlaimont. Blz. 25-26.
    (In een reactie op het artikel van Jan van der Putten uit Meesterwerk 15 – over drie eeuwen Maleise taalgidsen – wijst de schr. op de herkomst van enkele samenspraken uit Frederick de Houtmans ‘Het spraeck ende woord-boeck’.)
  • Publicaties, Blz. 26-28.
    (Een overzicht van artikelen op het gebied van de geschiedenis van het talenonderwijs.)

(4)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=Neder-L-bericht, no. 0001.19-=-=
ONZE TAAL, jaargang 68, nummer 12, december 1999.
ISSN 0165-7828.
Door: Jac Aarts, Hogeschool Larenstein, m.m.v. Jacques Bennis
Arnhem, januari 2000.

  • Herbert Blankesteijn.
    De omroep bederft de taal. Radio en tv als verspreiders van fouten en cliches. Blz. 328-330.
    (Waar vroeger foutief taalgebruik het nog op moest nemen tegen de conserverende invloed van degelijke schoolmeesters, zorgen nu radio en tv voor een snelle verbreiding ervan. Zo maakt de omroep op zichzelf nuttige vondsten tot cliches: ‘een hobbel nemen’, ‘prijskaartje’, ‘naar het publiek toe’, je’ i.p.v. ‘ik’ (vooral bij sporters). Dit soort woorden worden door de massa wezenloos nagebauwd. Mensen leren het af zelf iets te bedenken en wat rest is armoede.)
  • Marc van Oostendorp.
    De taal overleeft. Fouten en cliches zijn van alle tijden. Blz. 330-332.
    (Herbert Blankesteijn beweert hier in feite drie dingen: 1. vroeger was de taal onbedorven; 2. tegenwoordig is de taal bedorven; 3. de media zijn verantwoordelijk voor het verschil tussen vroeger en nu. Klopt dit? 1. Er zijn maar weinig voorbeelden van alledaagse taal van vroeger, omdat men die niet de moeite van het conserveren waard vond. Toch bestond die alledaagse, onverzorgde en zelfs foute taal wel degelijk. Zie de ‘Camera Obscura’; 2. Het gebruik van ‘je’ in de betekenis van’ men’ treffen we ook aan bij een onverdachte scribent als Komrij; 3. Uit onderzoek blijkt dat mensen hun taal alleen aanpassen aan media waartegen ze iets kunnen terugzeggen, zoals de telefoon en het internet. Toenemende mobiliteit en interactieve media dragen veel meer bij aan het verdwijnen van de dialecten dan de (eeenrichtings)uitzendingen in het dialect van lokale tv-stations. Conclusie: Het Nederlands heeft vele eeuwen geleuter, gescheld en gepreek overleefd. Het zal ook de radio en tv nog wel overleven.)
  • Vraag en antwoord. Blz. 335.
    <Door: Taaladviesdienst:>
    (Deze keer vijf kwesties: Is “Hoe huppelt zijn paardje OVER het dek op en neer” niet beter dan de traditionele versie? Is ‘wouen’ en ‘wou’ ook acceptabel? Is ‘dramatisch’ ook correct in de betekenis ‘spectaculair’, ‘opzienbarend’? Waar ligt de klemtoon bij ‘marsepein’ en is ‘marsepein’ ook een bijvoeglijk naamwoord?)
  • Jury Stichting LOUT.
    Groenman-taalprijs voor Kees van Kooten. Blz. 336-337.
    (Van Kooten kreeg de prijs, omdat hij met zijn eigenzinnige bijdragen het Nederlands heeft verrijkt en tegelijkertijd te kijk gezet. “Alle registers van onze taal heeft hij afgetast.”)
  • Martin Gommer & Robert Geertsma.
    “Wat nu/”, zei Pichegru. Blz. 337.
    (De uitdrukking “wat nu, zei Pichegru” is nog welbekend, maar bijna niemand weet nog dat deze samenhangt met de Franse generaal Charles Pichegru die in 1794 met zijn troepen Nederland binnenviel. Hoe is deze uitdrukking in de wereld gekomen en waarom wordt deze voornamelijk door protestanten gebezigd?)
  • Kees van der Zwan.
    “Het is een spel, en dat schrijf je met s, p, e, l”. Interview met vaste Dicteedeelnemer Bart Chabot. Blz. 338-340.
    (Chabot verhaalt hoe hij vaste deelnemer is geworden. In het begin haakten veel Bekende Nederlanders, bang voor schut gezet te worden, met smoesjes af. Er waren ineens “veel bekende Nederlanders bij wie opeens de schoonmoeder van het trapje gelazerd was bij het leeghalen van de appelboom”. Tegenwoordig staan ze ervoor in de rij.)
  • Taaladviesdienst.
    Oefendictee der Nederlandse taal. Blz. 341, 346.
    (Ter voorbereiding op het Groot Dictee der Nederlandse Taal legt de Taaladviesdienst aan de lezers drie alternatieve stukjes voor. Antwoorden in dezelfde aflevering.)
  • Corriejanne Timmers.
    Hoezo, officiele spelling? Over de status van het Groene Boekje. Blz. 342-343.
    (Veel taalgebruikers denken ten onrechte dat het Groene Boekje de officiele spelling is. Bij het Spellingbesluit van 19 juni 1996 hoort een bijlage 2, genaamd ‘Woordenlijst’, gepubliceerd in de Staatscourant. Daarin zijn alleen die woorden opgenomen waarvan de spelling niet zonder meer uit de regels in de leidraad (bijlage 1) zijn af te leiden. De verwarring stijgt ten top: de term ‘woordenlijst’ kan dus op drie onderscheiden zaken slaan! En wel: 1. een lijst van “16.000 woorden (bijlage 2 van het Spellingbesluit), gepubliceerd in de Staatscourant; 2. bladzijde 571055 van het GB 3. het complete GB. Alleen de eerste lijst heeft een wettelijke status, wat er ook op het stofomslag van het GB moge staan.)
  • Marc van Oostendorp & Kees van der Zwan.
    Het taaljaar 1999. Van onnodig Engels tot de nieuwe Van Dale. Blz. 344-346.
    (Een terugblik op het jaar 1999 met 25 ‘taalgebeurtenissen’ in Nederland en daarbuiten. Afgaande op alle publiciteit moet je concluderen dat de nieuwe Van Dale het hoogtepunt van het taaljaar is. Alleen Kuitenbrouwer hield overigens het hoofd koel en benadrukte dat de Van Dale uiteindelijk toch een commercieel product is.)
  • Johan M”onnink.
    Er is meer… De overlevering van gevleugelde woorden. Blz. 347.
    (Veel gevleugelde woorden blijken oorspronkelijk helemaal niet zo gezegd te zijn. Dat geldt voor”Non scolae, sed vitae discimus” (Seneca), “demortuis nil nisi bene”, “Et in Arcadia ego”, “Er is meer tussen hemel en aarde” (Shakespeare), “for better and for worse”, “Een gezonde geest in een gezond lichaam” (Juvenalis). In deze ‘aangepaste’ versies wordt de erin besloten wijsheid iets eenvoudiger weergegeven.)
  • Redactie.
    Het taaljaar 1999. Meningen van taalgebruikers. Blz. 348-349.
    (Op verzoek van de redactie geven Ton de Boom (hoofdredacteur grote Van Dale), Bart Chabot (dichter-performer), Oussama Cherribi (Tweede-Kamerlid VVD), Frans Debrabandere (voorzitter Vereniging Algemeen Nederlands), Roeland van Hout (hoogleraar taalkunde), Micha Kat (Stichting Vrijmerk), Jan Kuitenbrouwer (publicist), Beatrijs Ritsema (columniste NRC-Handelsblad), Ewoud Sanders (journalist en taalhistoricus) en Marry C.W. Visser-Van Doorn (Tweede-Kamerlid CDA) puntige antwoorden op de volgende zes vragen over het taaljaar 1999. Ook hier wordt bij vraag 2 A Wat vindt u de belangrijkste taalgebeurtenis van dit jaar? A de nieuwe Van Dale vaak genoemd.)
  • Marlies Philippa.
    Van woord tot woord. Huiselijke gemakken. Blz. 350-351.
    (Deze keer de ontstaansgeschiedenis van woorden die opbergmeubels aanduiden: aanrechtkast (ww.’aanrechten’), buffet, dressoir, commode)
  • Hans Heestermans.
    Vergeten woorden. Tuig. Blz. 351.
    (Er zijn woorden die negatieve en positieve betekenissen kunnen voorkomen, bv. “tuig”:’paardentuig’, ‘scheepstuig’ maar ook ‘gespuis’, ‘werkschuw tuig’).
  • C. Kostelijk.
    Hm en mmm. Blz. 351.
    (Volgens Van Dale gebruiken we ‘mmm’ voor een smaak of geur die we verrukkelijk vinden. De grote Koenen vindt dit tussenwerpsel ook op zijn plaats bij aarzeling en twijfel. Bij Van Dale ontbreekt deze betekenis, waarschijnlijk omdat die niet voorkomt in het WNT.)
  • Ton den Boon.
    Zoeklichten. Verse woorden. Blz. 352-353.
    (Er komen voortdurend nieuwe woorden. De meeste zijn geen blijvertjes en halen het woordenboek dus niet. Toch kan het signaleren van dergelijke woorden zinvol zijn)
  • Riemer Reinsma.
    Geschiedenis op straat. Stoofsteeg. Blz. 353.
    (In dit soort straatnamen wordt verwezen naar”stove”‘, een middeleeuws badhuis of badvertrek. In straten van die naam stonden vroeger waarschijnlijk badhuizen, waar de mensen zich niet alleen baadden maar ook roddels uitwisselden enz. Ook voor activiteiten van sexuele aard was hier ruimte. In de zeventiende eeuw maakte de Reformatie hier een einde aan: de stoven verdwenen uit het stadsbeeld.)
  • Marc van Oostendorp.
    Het proefschrift van… Ton Goeman: verdwijnende t’s. Blz. 354.
    (In zijn proefschrift “T-deletie in Nederlandse dialecten. Kwantitatieve analyse van structurele, ruimtelijke en temporele variatie” beoogt Ton Goeman aan te tonen dat in vele Nederlandse dialecten de ‘t’ aan het eind van het woord verdwijnt. Hij verdwijnt als hij achter een andere medeklinker staat: ‘hij loop(t)’, niet in ‘hij ziet’. Dat het juist de ‘t’ is, komt doordat het een minimale medeklinker is, die je maakt door even met het puntje van je tong tegen je gehemelte te tikken. Waarom zijn het vooral stedelingen die hem weglaten? In steden komen mensen met allerlei talen en dialecten bij elkaar. Deze talen gaan zich dan vereenvoudigen. In sommige gebieden komt de t weer terug, misschien om de relatie met de mv-vorm doorzichtiger te maken.)
  • Redactie.
    Tamtam. Blz. 355.
    (Vier berichten: 1 Nu ook taaladviesdienst in Vlaanderen: Taaltelefoon, Ministerie vd Vlaamse Gemeenschap; 2 ‘Bullshit bingo’ tegen managerstaal 3 ‘Sanne’ en ‘Thomas’ blijven populair 4 ‘Trefwoord’, tijdschrift voor woordenboekliefhebbers, gaat door op internet)
  • Raymond No”e.
    Inzicht
    (Korte besprekingen van 11 boeken, 2 cdroms en 1 tijdschrift:
    Boeken:
    . Philip Freriks, Han van Gessel en Bas van Kleef (red.), “Tien jaar Groot Dictee. Van przewalskipaard tot guichelheil”
    . Willem Hendrikx, “Schrijven voor het beeldscherm. Internet; intranet; helpsystemen”
    . Joop en Kees van der Horst: “Geschiedenis van het Nederlands in de twintigste eeuw”
    . Peter Burger en Jaap de Jong (red.): “Taalboek van de eeuw” (in 3 en 4 wordt een beeld geschetst van de veranderingen die de laatste honderd jaar in het Nederlands hebben plaatsgevonden; 3 is taalintern, 4 ook taalextern en is chronologisch)
    . Hella Hornung, “Kleine Tibo” (weergegegeven ook in Bliss-symbolen voor gehandicapte kinderen)
    . Rob Neutelings en Dani”el Jansen, “De beleidstekstwijzer”
    (bedoeld voor ambtenaren die begrijpelijk willen/moeten leren schrijven)
    . F. Kur (bewerking J. Zwart): “Dirty words. Herkomst, synoniemen en gebruik van scheldwoorden en beledigingen uit het (Amerikaans) Engels”
    . “DierenTaal. Over communicatie bij dieren”
    . Marc van Oostendorp, “Computers en taal”, Onze Taal-taalcahier)
    . Hans Heestermans: “Vergeten woorden” (Onze Taal-taalcahier)
    . Ton den Boon & Julius ten Berge, “Het ABC van het geheugen” (zo’n duizend woorden voor zaken die niet meer van deze tijd zijn en niet meer in de woordenboeken staan)
    cdroms:
    . Florence Berthier, “KinderABC” (cd-rom voor kinderen van 27 jaar)
    . uitg. AND, “Schrijf-vertaal Spaans/Italiaans/Frans/Duits/Engels”
    Tijdschrift:
    . “Taal en Letteren” (wekelijkse knipselkrant, speciaal gericht op overheidsbeleid op het gebied van Nederlandse taal en letteren, red. Hans Schogt)

(5)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=Neder-L-bericht, no. 0001.20-=-=
ONZE TAAL, jaargang 69, nummer 1, januari 2000.
ISSN 0165-7828.
Door: Jac Aarts, Hogeschool Larenstein, m.m.v. Jacques Bennis.
Arnhem, januari 2000.

  • Gaston Dorren.
    “Elke steen is zwaar op zijn eigen plaats”. Blz. 4-6.
    (Behalve Nederlands en Fries worden in ons land ook nog andere talen gesproken. Gaston Dorren, auteur van het vorig jaar verschenen boek “Nieuwe tongen”, zal in deze serie “Onze talen” deze nieuwelingen belichten. In aflev. 1 staat het Turks centraal. De Amsterdams-Turkse Sadik Yemni wordt geinterviewd over zijn moedertaal. Vanaf 1923 (het ontstaan van het nieuwe Turkije) heeft men geprobeerd de door de vele verschillende volken gebruikte mengtaal te vervangen door een zogenaamd puur Turkse taal, het “Ozt”urkce. Deze ‘taalgreep’ (door militairen en linguisten) lukte natuurlijk niet. Wel succesvol was de vervanging van het Arabische schrift door het Latijnse. De invloed van de tv lijkt hem positief: er gaat nu een echt tweetalige generatie opgroeien. Ook het Turks als ‘rijgtaal’ komt aan de orde.)
  • Taaladviesdienst.
    Vraag en antwoord.Blz. 9.
    (Vier vragen: is het ‘arbodienst’ of ‘Arbodienst’? Kan ‘iemand’ worden voorafgegaan door een bepaald lidwoord zoals in bv. ‘Wil de iemand die deze rommel hier heeft neergezet deze ook weer opruimen?’ Is het ‘Serven’ of ‘Serviers’? En kun je ‘vergezeld gaan van een introduce’?
  • Ton den Boom & Annelies Kooijman.
    BB’er, dotcommen, gifkip. Nieuwe woorden van 1999. Blz. 10-12.
    (Gebeurtenissen die de gemoederen flink bezighielden hebben veel nieuwe woorden opgeleverd. Als opmerkelijkste nieuwelingen worden genoemd: antifilebox, BB’er, begrafenistop, CK-geslipt, computerbloot, cyberchipper, digistumper, dotcom-, eclips-, feestkoers, ff, frankensteinvoedsel, gelegenheidshooligan, gif-, grijze economie, grrl, infosoap, klaptegel, klemrail, lollyen, mee-eterstrip, millennium-, minimawinkel, mobifoon, naamnummer, nulverdiener, personal shopper, regelkever, stabiliteitsforum, tankini, tostigeneratie, winkelstaat, zorgschaarste).
  • Taaladviesdienst.
    215 andere woorden voor ‘browswer’ / Ander woord voor ‘personal shopper’ . Blz. 13.
    Op zoek naar een goed Nederlands woord voor ‘browser’ koos de Taaladviesdienst tenslotte voor ‘webverkenner’, omdat een ‘browser’ in feite een combinatie is van een wegwijzer, een rondneusprogramma en een zoekmachine. Een ‘verkenner’ lijkt deze drie functies in zich te verenigen. Gevraagd: goed Nederlands woord voor ‘personal shopper’, dat is: iemand die uit winkelen gaat voor mensen die zelf geen zin of tijd hebben.)
  • Marc van Oostendorp.
    Engels zonder tranen. Tweetalig vwo geeft les in het Engels. Blz. 14-15.
    (Er zijn ongeveer 25 scholen in ons land die een programma aanbieden voor tweetalig vwo (tvwo). Leerlingen worden daar ondergedompeld in het Engels. Tvwo-scholen worden gesubsidieerd door het Europees Platform voor het Nederlandse Onderwijs, dat op zijn beurt geld krijgt van OCW. Het Platform wil stimuleren dat kinderen internationaal gaan denken. Gemeten naar Nederlandse woordenschat presteerden de tvwo’ers vergelijkbaar of iets beter dan de leerlingen op eentalige scholen. Bij tests Engelse woordenschat waren ze uiteraard beter, maar in de loop der jaren werd hun voorsprong niet groter. De spreek- en leesvaardigheid in het Engels is niet getest. Volgens onderzoekers is het heel wel mogelijk dat vtwo-leerlingen hierin beter zijn.)
  • Battus.
    De lettergreep [1]. Blz. 16-17.
    (Alle, maar dan ook alle verschijnselen van onze taal zijn even belangrijk. Alle manieren om die taal te onderzoeken zijn gewettigd. Ook resultaten die van geen enkel nut lijken voor het onderwijs of voor de algemene taalwetenschap zoals wij die kennen, zijn interessant. Dit zijn de uitgangspunten voor de serie “De ingewanden van het Nederlands” waarin Battus zal ingaan op simpele vragen waarop neerlandici het antwoord schuldig blijven, zoals: is er een woord van drie lettergrepen, elk van zeven letters? Of: begint in een tekst een woord vaker of juist minder vaak dan verwacht met dezelfde letter als waarmee het vorige woord eindigde? In deze eerste aflevering: de lettergreep, een taalkundig stiefkind.)
  • L.P.M. Wensing.
    (K)K(P)N. Blz. 17.
    (Bij sommige nieuwe afkortingen realiseert men zich niet meer waar de afkorting vandaan komt, bv. PTT: Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie. Iedereen kende de betekenis van deze afkorting. Na de verzelfstandiging werd het: Koninklijke PTT Nederland N.V., afgekort KPN. En na de afsplitsing van het postbedrijf heet het telecombedrijf: Koninklijke KPN N.V. Dus niet alleen tweemaal koninklijk, maar ook is de P van de verdwenen postpoot gehandhaafd.)
  • J.J. Borgesius.
    Peiler en pijler. Blz. 17.
    (“Mainports zijn een belangrijke peiler waarop onze economie rust”. Dat was onlangs in een ministeriele nota te lezen. Er is vaak verwarring bij woordparen met ‘ei’ en ‘ij’ (weids/wijd, vleien/vlijen). ‘Pijler’ komt van het Latijnse ‘pila'(zuil). ‘Peiler'(=degene die peilt) is afgeleid van ‘pegel’, dat is:’ knopje’. Op oude peilschalen werden de niveaus met knopjes aangegeven.)
  • C.J. van Leeuwen e.a.
    Taalergernissen. Blz. 18-19.
    (15 lezers die zich ergeren: aan modewoorden, cliches, verhaspelde uitdrukkingen enz.)
  • Carel van Wijk.
    (Het verschil tussen enkel en dubbel. Aanhalingstekens bij citeren. Blz. 20-21.
    (Vrijwel elke krant bezigt tegenwoordig enkele aanhalingstekens voor citaten; voor citaten binnen citaten gebruikt men dubbele. Dat leidt tot verwarring, want enkele aanhalingstekens worden ook gebruikt om aan te geven dat het aldus aangeduide niet letterlijk moet worden genomen. Zodoende is het niet altijd duidelijk wanneer er nu wel of niet sprake is van citeren. Het navolgen van de meer algemene conventie (dubbele aanhalingstekens voor letterlijke citaten) zou dergelijke misverstanden kunnen voorkomen.)
  • Taaladviesdienst
    (Fouten in het Groene Boekje. Een nieuwe inventarisatie. Blz. 22-24.
    (In de loop der tijd zijn heel wat fouten en onvolkomenheden in het GB aan het licht gekomen. De Taaladviesdienst heeft deze nu verzameld in drie lijsten: (1) ongeveer 130 foutgespelde woorden met in de tweede kolom de juiste spelling en in de derde antwoord op de vraag of, en op welke wijze, deze fouten reeds zijn hersteld; (2) een aantal voorbeelden van afbreekfouten (een klinkerteken, een lettergreep); (3) een aantal voorbeelden van afbreekfouten die leiden tot een verkeerde uitspraak (ca.ke). Uitvoeriger lijsten zijn op de weblocatie (http://www.onzetaal.nl/) te vinden.
  • HermanBaljet.
    Houtedief! Blz. 25.
    (Sommige klankverschuivingen blijven in stand, hoe onlogisch ze inmiddels ook zijn. Vroeger zei men ” ’t zestig” en ” ’t zeventig” (vandaar nog ‘tachtig’), met als gevolg dat door assimilatie de ‘z’ als ‘s’ werd uitgesproken. Eigenaardig is dat die scherpe ‘s’ is gebleven, terwijl de aanleiding verdwenen is. Vroeger spelde men “houdt den dief”, wat klonk als “houtedief”. Een in het maandblad Mandril (1949) verschenen tekening van Carol Voges neemt dit ook letterlijk. De slot-d is in de tegenwoordige uitspraak aan erosie onderhevig (“we houwen het niet droog”, “ik hou van jou”, maar ‘houtedief’ zal net als ‘sestig’ en ‘seventig’ wel eens halsstarrig kunnen blijven voortbestaan.
  • Arjan Broere.
    Voorzitter, twee dingen. Negen dwarse tips voor dominant vergadergedrag. Blz. 26-27.
    (De enige manier om bij vergaderingen niet in slaap te vallen is zelf assertief het woord te nemen. Laat de anderen maar eens naar u luisteren!)
  • Redactie.
    Onze Taal-leerstoel voor Jan Renkema. Blz. 27.
    (Per 1 december 1999 is dr. Jan Renkema benoemd tot bijzonder hoogleraar Taalverzorging. Deze leerstoel is onlangs door het Genootschap Onze Taal ingesteld aan de KUB. Doel: meer aandacht kweken voor de ambachtelijke kant van de taalverzorging en het doen van onderzoek gericht op problemen rond normativiteit in taal, tekstevaluatie en tekstverbetering.)
  • Redactie.
    Zusters van Onze Taal. Blz. 27.
    (Houden Nederlanders niet van hun taal? Ach, “het Genootschap Onze Taal behoort waarschijnlijk. tot de grootste taalverenigingen ter wereld en geeft bovendien een van de meestgelezen taalbladen uit.” Oproep aan de lezers: wie kent in het buitenland verenigingen of bladen als (het Genootschap) Onze Taal?)
  • Marc van Oostendorp.
    Verzwegen argumenten. Blz. 28.
    (Voor haar proefschrift “Het verband ontgaat me. Begrijpelijkheidsproblemen met verzwegen argumenten’ onderzocht Susanne Gerritsen hoe mensen stappen in hun redenering weglaten en wat daarvan de gevolgen zijn voor de begrijpelijkheid ervan. Gerritsen had een praktisch doel voor ogen, namelijk het ontwerpen van een fijnmazig schema waarmee schrijvers hun redeneringen kunnen ontrafelen en zo kunnen voorkomen dat ze argumenten verzwijgen. Die verzwegen argumenten kunnen lang niet altijd door de lezer worden aangevuld; te makkelijk denkt de schrijver dat dat heus wel kan. Anderzijds moet je ook niet alles expliciet maken, want dat leest niet prettig. Soms kan een argument ook met opzet worden weggelaten, en wel om de lezer te prikkelen. Tekst op een glasbak: “1 op de 30 studerende jonge vrouwen doet een zelfmoordpoging. Kies daarom geen CDA, maar een 3,5-daagse werkweek”.)
  • Riemer Reinsma.
    Ban. Gechiedenis op straat.
    (Een ‘ban’ of ‘banne’ was vroeger een rechtsgebied waar namens de vorst recht werd gesproken. Het woord leeft nog voort in geografische aanduidingen, zoals de ‘Bannebuikslootlaan’ in Amsterdam, de ‘Oude Ban’ in Workum en de ‘Banstraat’ in Den Haag.)
  • Guus Middag.
    Het violette uur. Blz. 30-31. Woordenboek van de poezie
    (In het gedicht “Lied van het wit en het zwart” van Pieter Boskma (bundel: “In de naam”, 1996) komt de uitdrukking “het violette uur” voor. Na een literaire zwerftocht wordt de betekenis ietwat duidelijker: het uur van de zonsondergang, maar ook: het uur van de loutering, van weemoed en verlangen.)
  • Marlies Philippa.
    Nederlands Nederlands. Van woord tot woord. Blz. 31.
    (Er zijn woorden die wel in Nederland gebruikt worden maar niet in Belgie, althans niet in deze betekenis: bv. commode, biels, cyclaam.Over zulke verschillen tussen ‘Nederlands Nederlands’ en ‘Belgisch Nederlands’ is nog geen enkel boek geschreven.)
  • Raymond No”e.
    Inzicht. Blz. 33-35.
    (Deze rubriek geeft informatie over nieuwe boeken, congressen, lezingen e.d. in taalkundig Nederland. In deze aflevering een mededeling, vijftien korte boekbesprekingen en een tijdschrift.
    Aankondigingen:
    . OKW-Taaldag; plenaire lezing: Pieter Muysken: het verwachte uitsterven van 2.000 talen (van de 6.000)
    Publicaties:
    . Hans de Groot (red.), Van Dale Idioomwoordenboek
    . Twee stijlboeken van kranten: M.C. Blom, J.A.J.M. van de Laar en M.E. Verburg, “De Stijlgids. Leidraad voor financieel-economische teksten” (Financieele Dagblad) en Jaap de Berg, “Trouw Schrijfboek” (Trouw)
    . Dora Dolle-Willemsen, “Taal in de klas” (over de sekse-ongelijkheid in het onderwijs)
    . A.A. Weijnen, “Oude woordlagen in de zuidelijk-centrale dialecten” (Brabants)
    . “DigiTaalbaak”‘ (beter doorzoekbaar, inhoudelijk uitgebreid)
    . Ren’e Dirven en Marjolein Verspoor(red.), “Cognitieve inleiding tot taal en taalwetenschap”
    . M. Klein en M. Visscher, “Het Handboek verzorgd Nederlands. Spellingregels, schrijfadviezen” (goedkopere paperback)
    . Arnold Zegers, “Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland”
    . Robin Temple, “Dyslectische kinderen. Een praktische handleiding voor ouders”
    . Quentis managementadvies (red.), “ABC van bouwen en wonen” (taal van de bouw)
    . Frank Jansen en Jan Don (red.), “Over taal. Een bundel populair-wetenschappelijke opstellen”
    . Jan W. de Vries, “Niet alleen voor paarden”
    . Herman Vuijsje en Jos van der Lans, “Typisch Nederlands. Vademecum van de Nederlandse identiteit”
    . Marcel Grauls, “Weet wie je eet. Hoe beroemde figuren op de menukaart belandden” (chateaubriand, carpaccio, sandwich, pizza margherita, tompoes, bloody mary, peche Melba e.a.)
    Tijdschrift:
    . Neerlandica extra muros (orgaan van de in het buitenland werkzame neerlandici, verenigd in de IVN).

(6)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=Neder-L-bericht, no. 0001.21-=-=
TABU, Bulletin voor Taalwetenschap, jaargang 29, nummer 3, 1999.
ISSN 0165-9200.
Door: Ton van der Wouden, NWO/Nederlands RUG en ATW RUL.
Leiden, 3 januari 2000.

  • Jack Hoeksema.
    In memoriam Albert Sassen 1921-1999. Blz. 103-106 .
    (“Na een slopende ziekte is op 21 september 1999 in het Academisch Ziekenhuis te Groningen overleden prof. dr. Albert Sassen, van 1970 tot 1986 hoogleraar Nederlandse Taalkunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij was een van de oprichters van Tabu, en lange tijd de pilaar waarop het blad rustte, degene die onverdroten met copij kwam als anderen het weer eens lieten afweten. Het is daarom passend in dit tijdschrift stil te staan bij leven en werk van Albert Sassen.”)
  • Werner Abraham en Jac Conradi.
    Preteritumschwund in Europees verband: het late Middelhoogduits, sjwa-apocope en de werkelijke oorzaken van de preteritumschwund. Blz. 107-130.
    (Het verschijnsel van de ‘Oberdeutscher Praeteritumschwund’ (het verdwijnen van de synthetisch gevormde onvoltooid verleden tijd) is niet beperkt tot het zuidelijke Duits, maar veeleer een algemeen Europees verschijnsel van de gesproken taal. Vergelijking met het Afrikaans laat zien dat het niet gaat om een midden-Europees Sprachbund-verschijnsel.)
  • Jan Koster.
    De primaire structuur. Blz. 131-140.
    (“In de generatieve grammatica werd tot voor kort uitgegaan van basisstructuren (“phrase structure”) en van relaties gedefinieerd op deze stucturen (bijvoorbeeld ketenrelaties ontstaan door “move alpha”). Eerstgenoemde structuren zal ik hier verder aanduiden als primaire structuren, de tweede soort relaties zal ik secundaire structuren noemen. In dit artikel zal ik laten zien dat primaire en secundaire structuren verschillende realisaties zijn van dezelfde abstracte principes. Deze principes zie ik als de kern van de Universele Grammatica.”)
  • Eric Hoekstra.
    Uitgang van infinitief na modaal hulpwerkwoord en na TE. Blz. 141-146.
    (Friese en Zeeuwse informanten hanteren een systeem waarbij modale hulpwerkwoorden de infinitief op -e selecteren en TE de inifinitief op -en. Toch zijn de systemen niet hetzelfde: in het Fries komt de infinitief op -en onder meer ook voor na perceptiewerkwoorden en na de huplwerkwoorden “gaan” en “blijven”.)

(7)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=Neder-L-bericht, no. 0001.22-=-=
TABU, Bulletin voor Taalwetenschap, jaargang 29, nummer 4, 1999.
ISSN 0165-9200.
Door: Ton van der Wouden, NWO/Nederlands RUG en ATW RUL.
Leiden, 27 januari 2000.

  • Jack Hoeksema.
    Aantekeningen bij OOIT, deel 2: de opkomst van niet-polair OOIT. Blz. 147-172.
    (Zinnen als “Ooit kom ik terug” worden pas sinds de jaren 1960 in de standaardtaal aangetroffen. Dit gebruik van “ooit” is vrijwel zeker van Brabants-Limburgse origine. Het is niet zo dat “ooit” zijn negatief-polaire karakter aan het verliezen is, maar eerder dat het partikel er een gebruiksmogelijkheid bijgekregen heeft.)
  • Kirsten Romijn.
    Ik schrijf van niet, maar ik zeg van wel. Blz. 173-178.
    (Een corpusstudie naar drie typisch spreektalige gebruiken van “van”: samen met een aanwijzend element (“dus die hadden ook meel staan he, van dat voermeel”), in een expletieve functie (“wij zeien van: de romantiek is dat en dat en dat, he, en in die romantiek zijn die werken geschreven”), en in een voegwoordelijke functie (“wat we proberen te benadrukken is dat de vraag wat zinnig is veel meer iets moet zijn van, komt het overeen met ’t gevoel”).)
  • Amy Hartevelt en Eric Hoekstra.
    De derde constructie. Blz. 179-184.
    (Bij V-raising is IPP verplicht (“omdat hij voordeel van de regeling heeft willen/*gewild trekken”), bij extrapositie is het uitgesloten (“omdat hij heeft *volhouden/volgehouden onschuldig te zijn”), in de derde constructie is het optioneel (“omdat hij met Jan heeft geprobeerd/proberen over zijn functioneren te praten”): dat zijn tenminste de feiten voor westelijke ABN-sprekers. “Het is opmerkelijk dat een verschijnsel als IPP bij derde constructie in de dialecten vrij zeldzaam is, maar in het (niet-noordelijk) ABN vrij normaal. De onderscheiden constructietypen blijken overal in Nederland voor te komen (extrapositie, V-raising en derde constructie) maar de samenhang met morfologische effecten zoals IPP bleek wel degelijk een geografische spreiding te vertonen.”)
  • Jan-Wouter Zwart.
    C-commanderen en de configurationele matrix. Blz. 185-190.
    (Een reactie op “De primaire structuur” van Jan Koster in de vorige aflevering. “Samenvattend: de configurationele matrix bepaalt eigenschappen van de operatie Merge, maar de operatie Merge bepaalt de definitie van c-commanderen.”)

(8)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=Neder-L-bericht, no. 0001.23-=-=
VOLKSKUNDIG BULLETIN, Tijdschrift voor Nederlandse cultuurwetenschap, jaargang 25 (1999), nummer 2/3.
ISBN 90-6168-697-0.
ISSN 0166-0667.
Door: Theo Meder.
Amsterdam, januari 2000.

Themanummer/’Festschrift’:
————————–
De discipline van het dagelijks leven Bijdragen voor Ton Dekker over orale cultuur, feestcultuur en de historiografie van de volkskunde (redactie: John Helsloot, Theo Meder en Carla Wijers)

  • John Helsloot, Theo Meder, Carla Wijers.
    Woord vooraf. Blz. 101-102.
  • Carla Wijers.
    “Je moet als volkskundige goed kunnen vertellen hoe cultuur in de samenleving functioneert.” Terugblikken en vooruitzien. Interview met Ton Dekker. Blz. 103-120.
  • Bibliografie A.J. (Ton) Dekker. Blz. 121-126.
  • Gerard Rooijakkers.
    “Is dit mijn leven?” Fiction en faction in Het Bureau. Blz. 127-145.
  • Willem Frijhoff.
    Een betrokken getuige. A.J. Dekker en de ontwikkeling van de volkskunde in Nederland. Blz. 146-160.
  • Marijke Gijswijt-Hofstra.
    Getuigen verhalen. Op consult bij onbevoegde homeopaten. Blz. 161-176.
  • Alfons K.L. Thijs.
    Over “volkskunst” en de artistieke avant-garde in Vlaanderen
    (1894-1934). Uit de bouwgeschiedenis van een mentale constructie. Blz. 177-196.
  • Herman Roodenburg.
    Marken als relict. Het samengaan van schilderkunst, toerisme, schedelmeterij en volkskunde rond 1900. Blz. 197-214.
  • Paul Post.
    Van paasvuur tot stille tocht. Over interferentie van liturgisch en volksreligieus ritueel. Blz. 215-234.
  • John Helsloot.
    Kerstboom en kerstviering op koloniaal Java (1852 – ca. 1941). Blz. 235-259.
  • Willem de Bl’ecourt.
    De kattendans. Blz. 260 – 271.
  • Jurjen van der Kooi.
    Koning Aesbold en Taitje van Leer. Verhalen over de grens. Blz. 272-291.
  • Theo Meder.
    Het vertellen van verhalen aan kinderen. Enkele resultaten uit de Volkskundevragenlijst van 1995. Blz. 292-314.
  • Marie van Dijk.
    Berend Botje in Lombok. Traditionele Nederlandse liedjes en versjes als bron van inspiratie voor kinderen van allochtone afkomst. Blz. 315-339.
  • Personalia. Blz. 341-342.

(9)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=Neder-L-bericht, no. 0001.24-=-=
VONK, Tijdschrift van de Vereniging voor het Onderwijs in het Nederlands vzw, jaargang 29, nummer 1, sept.-okt. 1999.
ISSN 0770-2086.
Door: Rita Rymenans, vakgroep didactiek Nederlands, Universiteit Antwerpen (UIA).
Antwerpen, 10 januari 2000.

Themanummer ‘Zelfsturend-zelfstandig leren’, deel 1

  • Luc Vercammen.
    Leren leren en het vak Nederlands. Koele minnaars? Blz. 3-12.
    (In het perspectief van leerlinggericht vaardigheidsonderwijs moet volgens Luc Vercammen gewerkt worden aan een schoolspecifieke en schoolbrede aanpak van leren leren. Dat houdt in dat een centrale longitudinale leerlijn van het eerste tot het zesde jaar secundair onderwijs ontworpen wordt waarop alle vakdidactische leerlijnen zich enten. De auteur illustreert deze visie met een casebeschrijving van de school waar hij pedagogisch directeur is: het Sint-Ritacollege in Kontich, een grote aso-school ten zuiden van Antwerpen. Hij licht achtereenvolgens toe hoe de globale leerlijn geleidelijk opgebouwd is, wat het gehanteerde flexibele evaluatiebeleid precies inhoudt en welke plaats het vak Nederlands in dit geheel inneemt.)
  • Sonja De Craemer.
    Leren leren. Een invulling vanuit de wetenschappen. Blz. 14.
    (Rubriek ‘Grof geschud’.)
  • Gerd Cornelissen.
    Van een leerlijn ‘leren leren’ op school naar een aanzet tot zelfsturend-zelfstandig leren in het vak Nederlands. Blz. 15-27.
    (Gerd Cornelissen is leerkracht Nederlands in de derde graad aso van het Sint-Ritacollege. Zij pikt de draad van Luc Vercammen weer op en geeft aan op welke manier haar didactische aanpak van het vak Nederlands beinvloed is door de centrale leerlijn ‘leren leren’ op school. Haar eigen bewustwordingsproces vat ze chronologisch samen in een drietal stappen: van (1) kennismaken met studiemethoden en verwerkingsstrategieen over (2) een eerste aanzet tot zelfstandig werken naar (3) een voorzichtige vorm van zelfsturend leren. Met concrete voorbeelden voor het vijfde en het zesde jaar aso stoffeert ze haar inspirerende verhaal.)
  • Peter Van Petegem & Sven De Maeyer.
    Zelfverantwoordelijk leren en leerstijlgeorienteerde studiebegeleiding. Blz. 29-46.
    (Uit onderzoek blijkt dat de wijze waarop leerlingen leren, in hoge mate bepalend is voor de leerresultaten die ze behalen. Het begrip ‘leerstijlen’ blijkt een vruchtbaar concept om praktijkrelevante uitspraken te doen over de manieren van leren. Peter Van Petegem & Sven De Maeyer deden onderzoek naar de leerstijlen van leerlingen uit het zesde jaar aso in relatie tot een opzet rond zelfverantwoordelijk leren. Na een schets van het theoretisch kader brengen ze verslag uit over dit onderzoek, dat op de school van Luc Vercammen en Gerd Cornelissen plaatsvond. De eerste resultaten zijn zeer bemoedigend en geven een extra stimulans om op de ingeslagen weg verder te gaan.)
  • Gerda Witters.
    Leren leren in de B-stroom van de eerste graad… onze visie. Blz. 48.
    (Rubriek ‘Grof geschud’.)
  • Koen Van Gorp.
    Leren, dat doe je gewoon! Leren leren in wereldorientatie-onderwijs in de basisschool. Blz. 49-56.
    (In het basisonderwijs blijken veel leerlingen niet in staat om zelfstandig informatie te verwerken of om hun eigen leerproces te sturen. Met een probleemanalyse van het wereldorientatie-onderwijs legt Koen Van Gorp de vinger op de wonde: het onderwijs is nog te veel op de overdracht van abstracte, gedecontextualiseerde kennis gericht. ‘Goed’ onderwijs daarentegen is zelfontdekkend en probleemoplossend; de link met de taakgerichte aanpak is voor de auteur meteen duidelijk. Aan de hand van enkele concrete voorbeelden uit het wo-onderwijs presenteert hij tot slot een stukje didactiek.)
  • Vic Damen.
    Leren leren en zelfstandig werken. Een reactie vanuit de biologiedidactiek. Blz. 58.
    (Rubriek ‘Grof geschud’.)
  • Willy Sleurs.
    Remediering van leesproblemen. Niet alleen een zaak voor taalleerkrachten. Blz. 59-74.
    (Leraren van de positief-wetenschappelijke vakken gaan er meestal van uit dat de leerlingen van het secundair onderwijs vaardig genoeg zijn in begrijpend lezen om de aangeboden (wetenschappelijke) teksten te begrijpen. Nochtans ligt een gebrekkige leesvaardigheid vaak aan de basis van veel leerproblemen. Willy Sleurs, zelf leraar en vakdidacticus biologie, heeft zich in deze problematiek verdiept. Hij stelt drie soorten diagnostische toetsen voor om de mate van begrijpend lezen te meten. Aan het Heilig-Drievuldigheidscollege, een middelgrote Leuvense school, heeft hij een drieledig remedieringsprogramma opgezet voor leerlingen met leermoeilijkheden voor het vak biologie. De eerste resultaten zijn bemoedigend.)
  • Tom Sleeuwaert.
    Leren noteren. Blz. 75-83.
    (Luisteren naar leerstof of naar informatieve teksten, met daaraan gekoppeld het maken van studeerbare notities, is een belangrijke vaardigheid in functie van leren leren. Tom Sleeuwaert stelt voor elke stap van het luisterproces (voorbereiden, uitvoeren en terugblikken) een mogelijke didactische aanpak voor die in de laatste jaren van het secundair onderwijs geintroduceerd kan worden. Dat leren noteren niet alleen geoefend moet worden tijdens de lessen Nederlands staat ook voor hem buiten kijf.)
  • Wilfried De Hert.
    Het T-kopje. Blz. 85-89.
    (Rubriek ‘VON geschud’.)
  • Wouter Brandt.
    Het Studiehuis. Overzicht van de algemene principes. Blz. 91-92.
    (Inleiding op de recensierubriek.)
  • Boekbesprekingen (Rubriek ‘Ingeboekt’. Blz. 93-99.):
    . <Door: Wouter Brandt:> W. Veugelers & H. Zijlstra (red.): Lesgeven in het Studiehuis. Leuven: Garant, 1998.
    . <Door: Wouter Brandt:> J.S. Ten Brinke e.a. (red.): Vakken vullen in het studiehuis. Leuven: Garant, 1998.
    . <Door: Wouter Brandt:> L. Bosman e.a.: Jongeren aanspreken op hun leer-kracht. Leuven/Amersfoort: Acco, 1998.
    . <Door: Wouter Brandt:> M. Elshout-Mohr & T. Moerkamp: Een theoretische verkenning van leren leren. ‘s-Hertogenbosch: CINOP, 1998.
  • Wouter Brandt.
    En nu uit de impasse! Blz. 100-101.
    (Rubriek ‘Grod geschud’.)
  • Ingeblikt. Blz. 102-105.
    Korte inhoud van: Spiegel 16/2 (1998); Moer 1999/3-4; Levende Talen 540-541; Schokla 40/2-4; Spetter; Pockets voor de jeugd; Gezelle-publicaties; Ons Erfdeel 1999/2-3; WaNT, tijdschrift van de Warande; publicaties van het Vlaams Theater Instituut.

(10)=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=Neder-L-bericht, no. 0001.25-=-=
VONK, Tijdschrift van de Vereniging voor het Onderwijs in het Nederlands vzw, jaargang 29, nummer 2, nov.-dec. 1999.
ISSN 0770-2086.
Door: Rita Rymenans, vakgroep didactiek Nederlands, Universiteit Antwerpen (UIA).
Antwerpen, 10 januari 2000.

Themanummer ‘Zelfsturend-zelfstandig leren’, deel 2

  • Luc Vercammen.
    Expliciet, explicieter, nog explicieter? Blz. 3-6.
    (Uit het eerste deel van dit themanummer is naar voren gekomen dat de praktijk van het lesgeven zich moeten aanpassen onder invloed van leren leren. Doceren moet plaats maken voor het begeleiden van de leerling en zijn leerproces. Luc Vercammen legt in dit openingsartikel expliciet een link met een aantal bijdragen in de vorige VONK. Verder gaat hij dieper in op een vraag die onder meer de redactie sterk heeft beziggehouden: moeten cognitieve, metacognitieve en affectieve vaardigheden expliciet aangebracht worden of ga je beter impliciet tewerk? Zijn vergelijking met een badmintonspel is tegelijk vermakelijk en verhelderend.)
  • Helge Bonset & Hetty Mulder.
    Zelfstandig leren in het talenonderwijs. Blz. 7-23.
    (In Nederland groeide het inzicht dat alle leerlingen gebaat zijn bij een activerende aanpak met ruimte voor zelfstandig leren. In deze bijdrage verhelderen Helge Bonset & Hetty Mulder een drietal kernbegrippen uit deze ontwikkeling door ze te omschrijven en tegen elkaar af te zetten. Het gaat om zelfstandig werken, zelfstandig leren en zelfverantwoordelijk leren. Vervolgens demonstreren ze hoe met behulp van deze begrippen onderwijsleersituaties en leermateriaal geanalyseerd en ontworpen kunnen worden. Daartoe presenteren ze respectievelijk twee checklists en een lijst met ontwerpadviezen. Een en ander wordt rijkelijk geillustreerd met concreet leermateriaal voor het maken van een leesverslag en het schrijven van een informatieve tekst.)
  • Joop Dirksen.
    Het leesdossier als basis voor het literatuuronderwijs. Blz. 24-31.
    (Na hoogoplopende discussies is het literatuuronderwijs in de tweede fase van het voortgezet onderwijs in Nederland grondig vernieuwd. Er is met name veel plaats ingeruimd voor de persoonlijke leeservaringen van de individuele leerling. Joop Dirksen geeft een korte schets van de ontwikkelingen die tot dit lezersgericht literatuuronderwijs hebben geleid. Vervolgens staat hij stil bij het leesdossier dat in deze nieuwe aanpak een centrale plaats inneemt en volledig kadert binnen de zelfstandig werken-didactiek. Vanuit zijn eigen praktijkervaringen gaat hij achtereenvolgens in op de vorm, de invoering, de begeleiding en de beoordeling ervan. Ook zorgpunten die door veel leraren naar voren worden geschoven, krijgen in deze inspirerende bijdrage de gepaste aandacht.)
  • Peter Van Petegem & Sven De Maeyer.
    De overgangsproblematiek tussen secundair en hoger onderwijs benaderd vanuit het leerstijlenonderzoek. Blz. 33-47.
    (De overgang van het secundair naar het hoger onderwijs verloopt voor een groot deel van de studenten problematisch: de slaagcijfers in het eerste jaar universitair onderwijs liegen er niet om. Buitenlands onderzoek heeft aangetoond dat er een verband bestaat tussen de manier waarop studenten informatie verwerken bij het studeren en de studieresultaten die ze behalen. Peter Van Petegem & Sven De Maeyer presenteren de revelerende resultaten van het leerstijlenonderzoek dat ze bij alle eerstejaarsstudenten aan de Universiteit Antwerpen hebben uitgevoerd. Gesterkt door twee recente beleidsvoorstellen zijn de onderzoekers de mening toegedaan dat het adequaat aanwenden van dergelijke resultaten de overgang van het secundair naar het hoger onderwijs kan optimaliseren.)
  • Jan van der Draai.
    Flexibel Zelfverantwoordelijk Leren. Blz. 48-66.
    (Het Horizon College in Hoorn, een school voor Middelbaar Beroepsonderwijs, verandert langzaam maar zeker van een productgerichte naar een procesgerichte opleiding, waarin het proces van het leren centraal staat. Jan van der Draai beschrijft op een uiterst realistische manier hoe het systeem van Flexibel Zelfverantwoordelijk Leren op zijn school geimplementeerd is. Zelfkennis, strategiegebruik en verantwoordelijkheid zijn de drie pijlers waarop het didactisch concept gebaseerd is. Verschillende leersystemen blijven er naast elkaar bestaan: klassikaal onderwijs, probleemgestuurd onderwijs en Open Leren. De leerlingen worden over alle vakken heen begeleid door een persoonlijke mentor die een cruciale rol speelt in het geheel. De leerinstrumenten die hij daarbij hanteert, worden door de auteur uitvoerig gedemonstreerd.)
  • Hilde Vandormael i.s.m. de vakgroep PAV Verpleegkunde Hasselt.
    Projectonderwijs: een uitnodiging tot ontwikkelend leren. Blz. 67-78.
    (Studierichtingen die voor 1995 tot het aanvullend secundair beroepsonderwijs (asbo) behoorden, zijn nu als ‘vierde graad’ aan het secundair onderwijs aangehecht. In de Provinciale Secundaire School van Hasselt wordt een vierde graad Verpleegkunde ingericht. In overleg met de pedagogische begeleiding van het Vlaams Provinciaal Onderwijs besloot de dynamische vakgroep om eigen leerplannen te ontwikkelen waarin de nieuwsgierige verpleegkundige centraal staat. Bij het introduceren van de ervaringsgerichte en probleemgestuurde aanpak is Project Algemene Vakken (PAV) als steunvak ingeschakeld. In deze bijdrage beschrijft Hilde Vandormael, in samenwerking met de vakgroep, de plaats en aanpak van projectwerk binnen PAV. Concrete werkinstrumenten stofferen dit inspirerende verhaal.)
  • Anne Boeken.
    ‘Juf, ik ben al klaar met mijn moetjes!’ Contractwerk in het basisonderwijs. Blz. 79-86.
    (Een manier om differentiatie in het basisonderwijs concreet vorm te geven, is contractwerk. Dat komt erop neer dat de leerlingen per week over een bepaalde periode beschikken waarin zij zelfstandig de taken van het contract (‘de moetjes’) moeten uitvoeren. Voor een beschrijving van de praktische organisatie neemt Anne Boeken ons mee naar het tweede leerjaar: hoe ziet zo’n contract er concreet uit? wat zijn aandachtspunten voor een vlot verloop? wat heb ik nodig? Om de onwennige lezer over de drempel te halen, zet ze tot slot de voordelen op een rij.)
  • Nadine Lambrechts & Gerd Braeckmans.
    Kriebelbeesten moet je doen. Zelfstandig werken in de kleuterklas. Blz. 87-89.
    (Dat je ook al in de kleuterklas met contractwerk en hoekenwerk aan de slag kunt, illustreren twee juffen van de Gesubsidieerde Vrije Kleuterschool in Duffel.)
  • Wouter Brandt.
    De meester is een reiziger en de juf, die ‘is er even niet’. Op werkbezoek en in stijgende verbazing: de basisschool revisited. Blz. 91-93.
    (Een impressie.)
  • Boekbesprekingen (Rubriek ‘Ingeboekt’. Blz. 94-104):
    . <Door: Anne Boeken:> Debue, A. & E. Van Avondt: Daar kies ik voor! Leuven: Acco, 1998.
    . <Door: Anne Boeken:> Peeters, A. e.a.: Contractwerk. Leuven: Cego, 1998.
    . <Door: Wouter Brandt:> J. van den Berg & J. Bustraan (red.): Vaardigheden in de steigers. Leuven/Apeldoorn: Garant, 1999.
    . <Door: Wouter Brandt:> W. Veugelers & H. Zijlstra (1995): Netwerken aan de bovenbouw van havo en vwo. Leuven/Apeldoorn: Garant, 1995.
    . <Door: Luc Vercammen:> E. de Boer: Handboek vaardigheden basisvorming / Handboek vaardigheden tweede fase / Handboek zelfstandig leren tweede fase. Loenen a/d Vecht: Edumedia, 1997/1998/1996.
    . <Door: Luc Vercammen:> G. Van Aelst: Werkmap studiemethoden. Leuven/Apeldoorn: Garant, 1998.
    . <Door: Luc Vercammen:> J. van den Akker e.a.: Studiehuis en onderwijsonderzoek. Leuven/Apeldoorn: Garant, 1998.
    . <Door: Luc Vercammen:> W. Veugelers & H. Zijlstra: Praktijken uit het studiehuis. Leuven/Apeldoorn: Garant, 1997.
    . <Door: Luc Vercammen:> I. Engelen: Leren leren, thuis en op school. Leuven/Apeldoorn: Garant, 1998.
    . <Door: Luc Vercammen:> A. Janssens: Ontwikkeling stimuleren. Werkboek voor ouders en opvoeders. Leuven/Amersfoort: Acco, 1999.

(11)=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=Neder-L-bericht, no. 0001.26-=-=
DE ZEVENTIENDE EEUW. Cultuur in de Nederlanden in interdisciplinair perspectief, jaargang 15, nummer 1, april 1999.
ISSN 0921-142X. Uitgeverij Verloren, Larenseweg 123, 1221 CL Hilversum.
Door: Ton Harmsen, Opleiding Nederlands, RUL.
Leiden, 29-01-2000.

Lezingen van het congres over ‘Spel en spelen in de zestiende en de zeventiende eeuw’ te Rotterdam, 27 en 28 augustus 1998 georganiseerd door de Werkgroep Zeventiende Eeuw in samenwerking met de Faculteit Historische en Kunstwetenschappen van de Erasmusuniversiteit.
Samenvattingen in het Engels kan men vinden via de www-pagina “http://www.leidenuniv.nl/host/mnl/wkgrp17/tijdschrift.html”

  • Alessandro Arcangeli.
    Play and health in medical literature. Blz. 3-11.
    (Na Thomas Linacre’s vertaling van Galenus’ Hygieina wordt sport en spel vanuit medisch en ethisch oogpunt opnieuw bekeken. Over het algemeen werd sport en spel niet verboden, maar het gebruik ervan werd ook niet toegejuicht; er kleefden veel morele bezwaren aan.)
  • R. van Stipriaan.
    Het theatrum mundi als ludiek labyrint. De vele gedaanten van het rollenspel in de zeventiende eeuw. Blz. 12-23.
    (Het theatrum mundi in vele gedaanten, in het bijzonder in verband met de komische ondertoon die het begrip kan hebben. Dit aan de hand van toneelstukken als Starters Daraide en Vondels Palamedes waarin van eigentijds verraad en executie een spel gemaakt wordt.)
  • Wayne Franits.
    Rene van Stipriaan’s concept of the ludic in seventeenth-century Dutch farces and its application to contemporary dutch painting. Blz. 24-33.
    (Toepassing van de dissertatie over kluchten naar Boccaccio op genre-schilderijen in de loop van de zeventiende eeuw: Gerrit van Honthorst, Dirck van Baburen, Jan van Bijlert en Gerard Terborch.)
  • Mariet Westermann.
    Adriaen van de Venne, Jan Steen, and the art of serious play. Blz. 34-47.
    (De consequenties van Huizinga’s Homo ludens bij Gerard Dou en Jan Steen. De grauwtjes van Adriaen van de Venne in de traditie van Erasmiaanse spot.)
  • Erin Griffey.
    The artist’s stage: the schilderkamer as a site of play in the 17th century. Blz. 48-60.
    (Het thema ‘spel’ in de artistenstudio: schilders dossen zich op afbeeldingen van hun atelier vaak fraai uit, en tonen daarbij huisdieren, muziekinstrumenten en rook- en drankattributen.)
  • T. Van Houdt.
    Spelen om geld. Gokken, wedden en loten in het moraaltheologische discours in de Zuidelijke Nederlanden (eind zestiende – begin zeventiende eeuw). Blz. 61-73.
    (Leonardus Lessius en zijn De iustitia et iure ceterisque virtutibus cardinalibus uit 1605. Winst, zowel in de handel als in het spel, is gerechtvaardigd als zij ‘aleatoir’ is, onderworpen aan een kans op verlies die even groot is als de kans op winst.)
  • Leendert F. Groenendijk.
    Kansspelen in het ethische discours van gereformeerde theologen in de Noordelijke Nederlanden. Blz. 74-85.
    (Naast ijzervreters die alle kaart- en dobbelspel wilden verbieden waren er ook predikanten zoals Franciscus Burmannus, die dit soort vermaak van geest en lichaam wilden toestaan.)
  • Jeanine De Landtsheer.
    IJspret: Justus Lipsius en andere Humanisten uit de Nederlanden op glad ijs. Blz. 86-101.
    (IJsgedichten van Lipsius, Hadrianus Marius, Erycius Puteanus e.a., waarin de belangrijkste motieven zijn: de ongelofelijke uitvinding van de ijzeren schoen levert plezier en spektakel dat de Ouden niet kenden; de snelheid en behendigheid van de schaatsers; de charmante bewegingen, die met het gevleugelde paard Pegasus en met Mercurius in verband wordt gebracht. Soms ook met een erotische ondertoon (Grotius), soms met waarschuwingen tegen gevaar en losbandigheid (de jezuiet Antoon van Torre.)
  • Marijke Barend-van Haeften.
    “Men moet den bal speelen soo alsse leyt” Spel en spelen in twee burleske reisbrieven van Aernout van Overbeke. Blz. 102-108.
    (De door de auteur en A.J. Gelderblom in Buyten gaets, Hilversum 1998 uitgegeven brieven, een aan een groep mannen en een aan een groep vrouwen. Dubbelzinnige woordspelingen die behalve de virtuositeit van Van Overbeke ook een catalogus bevatten van spelen en genoegens in het vaderland die de Haagse dichter-jurist op zijn VOC-schip moest missen. De anti-idealistische visie op het schrijverschap uit zich in ironische zelfrepresentaties, o.a. in de vorm van een alfabet.)
  • Ria Fabri.
    Perspectiefjes in het spel. Optische ‘Spielereien’ in Antwerpse kunstkasten uit de zeventiende eeuw. Blz. 109-117.
    (Optische spelletjes met spiegels, beschreven in werken over optica en perspectief. Men bewoog figuurtjes ten opzichte van de spiegels – anders dus dan de statische Hollandse kijkdoos. Zo werd een kortstondig genoeglijk, erotisch of angstwekkend waanbeeld opgeroepen. Door Adriaen Poirters werden de perspectiefjes als ‘eenen grooten dief van den tijd’ beschouwd.)
  • Jochen Becker.
    Plaatjes en praatjes: emblemata, gespreksspelen, conversatie en kunstgeklets. Blz. 118-130.
    (Voor het voeren van galante conversatie kon men zich oefenen met de Wetsteen van Jan de Brune, maar daarnaast maakte men ook gebruik van visueel materiaal, zoals kaartspelen en verzamelingen zinnebeeldige tekeningen; een dergelijke verzameling ligt ten grondslag aan de Sinnepoppen van Roemer Visscher.)
  • F.C. van Boheemen & Th.C.J. van der Heijden.
    Rebustaal op Hollandse rederijkersblazoenen. Blz. 131-140.
    (Van het type ‘Wy Rapen Gheneught’ met twee knolletjes tussen een W en een G. Dergelijke rebussen komen niet alleen in de gedrukte teksten voor – zie de lijsten van pictogrammen, opgesteld door P. Genard, C.P. Burger en P. de Keyser – maar ook op prenten en schilderijen.)
  • Hans Luijten & Wim van Dongen.
    Heilzame bronnen en verkwikkende baden. Emblematisch kuren met Nikolaus Person. Blz. 141-156.
    (Persons Symbolica in thermas et acidulas reflexio (Mainz, ca. 1680) in het licht van de zeventiende-eeuwse balneologie. De emblemen schilderen hoe man en vrouw, oud en jong in de baden met wisselend succes aan zijn trekken probeert te komen. Humoristische levenslessen, niet alleen interessant voor het badplaatspubliek.)
  • Signalementen:
    . <Door: Th. Stevens, op p. 157:> M. Barend-van Haeften & A.J. Gelderblom (red.). Buyten gaets. Twee burleske reisbrieven van Aernout van Overbeke. Verloren, Hilversum, 1998. (Ego Documenten dl. 15). 125 pp. ISBN 90-6550-153-3.
    . <Door: L. Hacquebord, op p. 157-158:> P. Boon. Bouwers van de zee. Zeevarenden van het Westfriese platteland, c. 1680-1720. Hollandse Historische Reeks, Den Haag, 1996. (Hollandse Historische Reeks 26). X + 276 pp. ISBN 90-72627-18-0.
    . <Door: A. Schmidt, op p. 158:> W. Kloek. Een huishouden van Jan Steen. Verloren, Hilversum, 1998. 94 pp. (Serie: Verloren verleden, dl. 4) ISBN 90-6550-444-3.
    . <Door: B.P.M. Dongelmans, op p. 158-159:> A. Schapendonk. Die widerspenstigen Niederlande. Fruehneuzeitlicher niederlaendischer Buchbestand der Universitaetsbibliothek Marburg. Universitaetsbibliothek, Marburg, 1998. 142 pp. (Schriften der Universitaetsbibliothek Marburg, 86). ISBN 3-8185-0252-8.
    . <Door: H.F.K. van Nierop, op p. 159-160:> Y. Rodriguez Perez (samenst.) De hond van de hertog van Alva. Querido, Amsterdam, 1997. 93 pp. ISBN 90-214-0590-3.
    . <Door: M. van der Meij, op p. 160:> A.A. van Wagenberg-ter Hoeven. Het Driekoningenfeest. De uitbeelding van een populair thema in de beeldende kunst van de zeventiende eeuw. P.J. Meertens Instituut, Amsterdam, 1997. XII + 241 pp. ISBN 90-70389-55-X.
    . <Door: A.J. Hoenselaars, op p. 160-161:> B. Westerweel (red.). Anglo-Dutch relations in the field of the emblem. Brill, Leiden [etc.], 1997. (Symbola et Emblemata, VIII.). 310 pp. ISBN 90-04-10868-8.
    . <Door: E.M. Grabowsky, op p. 161-162:> O.S. Lankhorst & P.G. Hoftijzer. Drukkers, boekverkopers en lezers in Nederland tijdens de Republiek. Een historiografische en bibliografische handleiding. SDU, Den Haag, 1995. (Nederlandse cultuur in Europese context, dl. 1.) 227 pp. ISBN 90-12-08153-X.
    . <Door: R.M. Dekker, op p. 162-163:> B. Roberts. Through the keyhole. Dutch child-rearing practices in the 17th and 18th century. Three urban elite families. Verloren, Hilversum, 1998. 224 p. ISBN 90-6550-586-5.
    . <Door: W. Hogendoorn, op p. 163-164:> L. de Vries: Gerard de Lairesse. An Artist between Stage and Studio. Amsterdam University Press, Amsterdam, 1998. XIV + 212 pp. ISBN 90-5356-250-8.
    . <Door: W. Pelt, op p. 164-165:> M.P. van Maarseveen, J.W.L. Hilhuijsen & J. Dane (red.). Beelden van een strijd. Oorlog en kunst voor de vrede van Munster, 1621-1648. Stedelijk Museum Het Prinsenhof [etc.], Delft [etc.], 1998. 383 pp. ISBN 90-400-9212-5.
    . <Door: J.W. Spaans, op p. 165:> W.E. Graham (ed.). Later Calvinism: international perspectives. Kirksville, Miss., 1994. xii + 564 pp. (Sixteenth century essays and studies, Vol. XXII). ISBN 0-940474-2200.
    . <Door: A. van der Lem, op p. 166:> W. Vroom. Het wonderlid van Jan de Witt en andere vaderlandse relieken. SUN, Nijmegen, 1997. 69 pp. ISBN 90-6168-619-9.
    . <Door: E. Stronks, op p. 166-167:> L.P. Grijp (red.) Het Wilhelmus en zijn buren. De dynamiek van de nationale hymne in West-Europa. SUN, Nijmegen, 1998. 207 pp. ISBN 90-6168-693-8. En: A. Maljaars. Het Wilhelmus. Auteurschap, datering en strekking. Een kritische toetsing en nieuwe interpretatie. Kok, Kampen, 1996. 344 p. ISBN 90-242-7830-9.
    . <Door: J. Salman, op p.167-168:> E.O.G. Haitsma Mulier, C.L. Heesakkers, P.J. Knegtmans et al.. Athenaeum Illustre. Elf studies over de Amsterdamse Doorluchtige School, 1632-1877. Amsterdam University Press, Amsterdam, 1997. 347 pp. ISBN 90-5356-256-7.
    . <Door: L. Jensen, op p. 168:> E. Kloek e.a. (red.). Vrouwen en kunst in de Republiek. Een overzicht. Verloren, Hilversum, 1998. 190 pp. ISBN 90-6550-572-5.
    . <Door: I. van der Vlis, op p. 168-169:> J. Spaans. Armenzorg in Friesland 1500-1800. Publieke zorg en particuliere liefdadigheid in zes Friese steden: Leeuwarden, Bolsward, Franeker, Sneek, Dokkum en Harlingen. Verloren, Hilversum, 1997. 400 pp. (Leeuwarden, Fryske Akademy). ISBN 90-6550-574-1.
    . <Door: A.J. Hoenselaars, op p. 169-170:> G.K. Hunter. English Drama, 1586-1642. The Age of Shakespeare. Oxford University Press, Oxford, 1997. (The Oxford History of English Literature). ISBN 0-19-812213-6.
    En: J.D. Cox & D.S. Kastan (eds.). A New History of Early English Drama. Voorwoord door Stephen J. Greenblatt. Columbia University Press, New York, 1997. ISBN 0-231-10242-9.
    . <Door: H. Vlieghe, op p. 170:> M. Westermann. The Amusements of Jan Steen. Comic painting in the seventeenth century. Waanders, Zwolle, 1998. 366 p. (Studies in the Netherlandish Art and Cultural History.) ISBN 90-400-9915-4.
    . <Door: J.W. Spaans, op p. 170-171:> G. Dorren. Het Soet Vergaren. Haarlems buurtleven in de zeventiende eeuw. Arcadia, Haarlem, 1998. 96 p. (Haarlemse Doelenreeks, schetsen uit Haarlems verleden, deel 1.) ISBN 90-6613-00599.
    . <Door: P.J. Koopman, op p. 171:> P. Dijstelberge & L. Noordegraaf (red.). Plague en Print in the Netherlands. A short-title catalogue of publications in the University Library of Amsterdam. Erasmus Publishing, Rotterdam, 1998. 360 pp. ISBN 90-5235-126-0.
    . <Door: P. Huys Janssen, op p. 172:> M. Kwakkelstein. Willem Goeree,
    Inleydinge tot de Al-ghemeene Teycken-Konst. Een kritische geannoteerde editie. Primavera Pers, Leiden, 1998. 168 pp. ISBN 90-74310-27-3.
(12)=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=Neder-L-bericht, no. 0001.27-=-=

*-------------Redacteurs--tijdschriftenoverzicht--Neder-L-----------------*
| Amsterdamer Beitraege    Tanneke Schoonheim <schoonheim@inl.nl>         |
| de Achttiende Eeuw:                                                     |
| de Boekenwereld:         Marja Smolenaars <msmolenaars@compuserve.com>  |
| Cahiers voor een Lezer:  Reinder Storm <Reinder.Storm@konbib.nl>        |
| Driemaandelijkse Bladen: Harrie Scholtmeijer                            |
|                                  <Harrie.Scholtmeijer@meertens.knaw.nl> |
| Gramma/TTT:              Peter-Arno Coppen <P.A.Coppen@let.kun.nl>      |
| Leuvense Bijdragen:      Hans Smessaert                                 |
|                                    <Hans.Smessaert@arts.kuleuven.ac.be> |
| Literatuur:              Jose Rekers <jjrekers@hotmail.com>             |
| Literatuur Zonder        Bea Ros <Bea@Zunneberg-Ros.nl>                 |
|   Leeftijd:                                                             |
| Mededelingen Stichting   Marco de Niet <Marco.deNiet@konbib.nl>         |
|   Jacob Campo Weyerman:                                                 |
| Meesterwerk:             Els Ruijsendaal <ruisdaal@cistron.nl>          |
| Millennium:              Paul Wackers <wackers@let.kun.nl>              |
| Moer:                    Herman Giesbers <H.Giesbers@let.kun.nl>        |
| Over Multatuli:          Reinder Storm <Reinder.Storm@konbib.nl>        |
| Naamkunde:               Tanneke Schoonheim <schoonheim@inl.nl>         |
| Nederlandse Letterkunde: Karel Bostoen <bostoen@rullet.leidenuniv.nl>   |
| Nederlandse Taalkunde:   Luuk Lagerwerf <l.lagerwerf@wmw.utwente.nl>    |
| Neerlandica Extra Muros: Olga van Marion <ovmarion@rullet.leidenuniv.nl>|
| de Negentiende Eeuw:     Jan Stroop <J.Stroop@hum.uva.nl>               |
| Ons Erfdeel:             Jaap van Veen <Jaap_van_Veen@compuserve.com>   |
| Ons Geestelijk Erf:      Thom Mertens <thom.mertens@ufsia.ac.be>        |
| Onze Taal:               Jac Aarts <j.aarts@chello.nl>                  |
| de Parelduiker:          Wieneke 't Hoen <Wieneke.t.Hoen@chi.knaw.nl>   |
| Queeste:                 Willem Kuiper <Willem.Kuiper@hum.uva.nl>       |
| Spiegel der Letteren:    Betty van Wonderen                             |
|                                         <Betty=van=Wonderen@uba.uva.nl> |
| Taal en Tongval:         Roland de Bonth, <salemans@baserv.uci.kun.nl>  |
| Taalbeheersing:          Louise Cornelis <lcornelis@compuserve.com>     |
| Taalschrift:             Ewoud Sanders (via:) <secr@ntu.nl>             |
| Tabu:                    Ton van der Wouden <vdwouden@let.rug.nl>       |
| Tekst[blad]:             Judith Mulder <tekst.en.uitleg@wxs.nl>         |
| TNTL:                    Dick Wortel <wortel@inl.nl>                    |
| Trefwoord:               Els Ruijsendaal <ruisdaal@cistron.nl>          |
| Tydskrif vir Nederlands  Jean Jordaan <rgo_anas@rgo.sun.ac.za>          |
|   en Afrikaans:                                                         |
| Vaktaal:                 Guido Leerdam <G.Leerdam@dienst.vu.nl>         |
| Volkskundig Bulletin:    Theo Meder <Theo.Meder@meertens.knaw.nl>       |
| Vonk:                    Rita Rymenans <rymenans@uia.ua.ac.be>          |
| Vooys:                   Michiel Ruijgrok <mruijgrok@theo.uu.nl>        |
| de Zeventiende Eeuw:     Ton Harmsen <harmsen@rullet.leidenuniv.nl>     |
*-------------------------------------------------------------------------*


(13)=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=

*-------------------------------------------------------------------------*
|                                                                         |
| Informatie over Neder-L:                                                |
| ========================                                                |
| Algemene informatie opvragen over Neder-L: stuur mail naar              |
|   listserv@nic.surfnet.nl met daarin de boodschap: GET NEDER-L INFO     |
| Abonnement nemen op Neder-L: stuur mail naar listserv@nic.surfnet.nl    |
|   met als boodschap: SUB NEDER-L uw-voornaam/voorletters uw-achternaam  |
| Neder-L op het web/WWW: Neder-L-nummers zijn vanaf januari 1997 in      |
|   web-formaat te lezen via: http://baserv.uci.kun.nl/~salemans/         |
|   Nadere informatie over Neder-L in web-formaat: zie artikel 9706.01    |
|   Er is ook een WWW-archief met alle e-mailversies van Neder-L sinds    |
|   juni 1992, dat ook op trefwoord doorzocht kan worden; de URL van dit  |
|   listserv-archief: http://listserv.surfnet.nl/archives/neder-l.html    |
| Neder-L wordt ook verspreid via de Internet-newsgroup bit.lang.neder-l  |
| Oude Neder-L-bulletins opvragen: stuur mail naar listserv@nic.surfnet.nl|
|   met daarin een boodschap als: GET NEDER-L LOG9206                     |
|   (resultaat: logboek met Neder-L-artikelen van juni '92 wordt gestuurd)|
|   Of maak gebruik van het listserv-archief (zie enkele regels hierboven)|
| Bijdrage voor Neder-L opsturen: stuur mail naar neder-l@nic.surfnet.nl  |
| Contact met redactie: stuur mail naar Salemans@baserv.uci.kun.nl, naar  |
|   Willem.Kuiper@hum.uva.nl, naar Piet.Verkruijsse@hum.uva.nl (voor de   |
|   evenementenagenda), naar Marc.van.Oostendorp@Meertens.KNAW.nl (voor   |
|   neerlandistiek op het Web), of naar P.A.Coppen@let.kun.nl             |
*-------------------------------------------------------------------------*

*-Einde-------------------- Neder-L, no. 0001.c --------------------------*