Neder-L, no. 9408.b

Subject: Neder-L, no. 9408.b
From: Ben Salemans
Reply-To:Elektronisch tijdschrift voor de neerlandistiek
Date:Fri, 12 Aug 1994 14:28:31 +0100
Content-Type:text/plain
                          *********************
*-------------------------- Neder-L, no. 9408.b -----------ISSN-0929-6514-*
|          ******************************************************         |
|          * Neder-L, elektronisch tijdschrift voor neerlandici *         |
|          ******************************************************         |
|                                                                         |
| Onderwerpen in dit bulletin:                                            |
| ============================                                            |
| (1) Vra: 9408.05: Zijn er woordenlijsten Nederlands op het net te       |
|                   vinden?                                               |
| (2) Rea: 9408.06: `Hoewel... ': reactie n.a.v. Coppens column `alsof'   |
|                   (Col: 9408.01)                                        |
| (3) Col: 9408.07: Column Wim Husken: Eerlycke Tytkorting, no. 2:        |
|                   "Het Hemelsche Gerecht"                               |
|                                                                         |
| Informatie over Neder-L:                                                |
| ========================                                                |
| Algemene informatie opvragen over Neder-L: stuur mail naar              |
|   listserv@nic.surfnet.nl met daarin de boodschap: GET NEDER-L INFO     |
| Abonnement nemen op Neder-L: stuur mail naar listserv@nic.surfnet.nl    |
|   met als boodschap: SUB NEDER-L                                        |
| Oude Neder-L-bulletins opvragen: stuur mail naar listserv@nic.surfnet.nl|
|   met daarin een boodschap als: GET NEDER-L LOG9206                     |
|   (resultaat: logboek met Neder-L-artikelen van juni '92 wordt gestuurd)|
| Gopher-toegang tot Neder-L: alle oude en nieuwe Neder-L-bulletins zijn  |
|   via Gopher in te zien op gopher.nic.surfnet.nl, in de directory       |
|   SURFnet informatie/LISTSERV archieven (nic.surfnet.nl)/NEDER-L        |
| Neder-L wordt ook verspreid via de Internet newsgroup bit.lang.neder-l  |
| Bijdrage voor Neder-L opsturen: stuur mail naar neder-l@nic.surfnet.nl  |
|   (dit geldt ook voor Internet-gebruikers die bijdragen willen leveren) |
*--------------------------                     --------------------------*
                           *********************

(1)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=
Date: 7 Aug 1994 21:17:34 +1000
From: Humphrey van Polanen <hvp@melbpc.org.au>
Subject: Vra: 9408.05: Zijn er woordenlijsten Nederlands op het net te vinden?

Can anyone tell me whether there is a list of dutch words available on the net and if so: where to find it, but if not: where to ask?

Thanks,
Humphrey van Polanen <hvp@melbpc.org.au>

(2)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=
Date: Mon, 08 Aug 1994 17:13:39 +0100 (MET)
From: Luuk Lagerwerf <lagerwerf@KUB.NL>
Subject: Rea: 9408.06: 'Hoewel …': reactie n.a.v. Coppens column 'alsof' (Col: 9408.01)

In reactie op de Column van Peter-Arno Coppen over ‘alsof’ (Col: 9408.01) wil ik aandacht vragen voor het gebruik van ‘hoewel’ dat Coppen laat zien in zijn opmerking:

“Zinnen kunnen niet eindigen op voegwoorden, hoewel…”.

Het was zijn intentie om ‘hoewel’ hier op te voeren als laatste woord van de zin. Ik wil dat in twijfel trekken. Wat hieronder volgt levert geen enkele bijdrage aan de oplossing van het ‘alsof’-probleem, hopelijk wel van het ‘hoewel’-probleem.

De drie argumenten daarvoor zijn:

  1. De intonatie van het einde de bovengenoemde zin is niet die van de afsluiting van een mededelende hoofdzin. Coppen duidt dat zelf ook aan met zijn gebruik van de drie puntje die volgen na ‘hoewel’.
  2. In spreektaal is het, met een pauze-intonatie, zeer goed mogelijk (en uit een klein corpusonderzoekje blijkt zelfs: gebruikelijk) om na ‘hoewel’ met een hoofdzinsvolgorde verder te gaan, zoals in: “Zinnen kunnen niet eindigen op voegwoorden, hoewel… dit lijkt een tegenvoorbeeld.”
  3. Een aanvulling met bijzinsvolgorde kan niet gepaard gaan met een pauze-intonatie, maar kan wel eenzelfde invulling krijgen: “Zinnen kunnen niet eindigen op voegwoorden, hoewel dit een tegenvoorbeeld lijkt.”

Als we ‘hoewel’ interpreteren als een onderschikkend voegwoord, is mijn conclusie, kan dat alleen maar zijn als begin van een bijzin. De pauze-intonatie duidt aan dat er sprake is van een weggelaten deel. ‘Alsof’ kent een dergelijke pauze-intonatie niet. Als daar sprake is van een weggelaten deel (wat Coppen overigens niet beweert) is dat niet omdat de constructie hetzelfde is als die van ‘hoewel’.

Bij de interpretatie van ‘hoewel’ spreekt men wel van een ontkenning van verwachting. Leonoor Oversteegen en ik hebben de laatste tijd geprobeerd deze ontkenning van verwachting te analyseren als een presuppositie die deel uitmaakt van de lexicale semantiek van ‘hoewel’ (en bijvoorbeeld ‘ofschoon’). Puur semantisch bekeken zou ‘hoewel’ een presuppositie dragen van de vorm:

(gegeven een zin “hoewel p, q”:)
“Normaal gesproken, als p, dan niet q”.

Deze implicatie, en dan vooral de negatie in het consequens, zorgt voor de consessieve interpretatie die het gebruik van ‘hoewel’ met zich meebrengt.

In Coppens voorbeeld is de interpretatie niet puur semantisch te nemen, maar doen we pragmatisch water bij de wijn. De interpretatie is nog steeds systematisch verbonden met de bovengenoemde presuppositie. Het is mogelijk om na ‘hoewel’ te volstaan met een pauze, omdat de interpretatie van

“p, hoewel …”

altijd zal zijn:

“p, hoewel p niet het geval hoeft te zijn”

(we noemen dit de speech act-interpretatie; merk op dat de aanvullingen in 2. en 3. met behulp van ‘dit’ terug verwijzen naar p. Aanvullingen die geen propositionele anafoor met p als antecedent bevatten, is mijn voorspelling, zijn uitgesloten (dat wil zeggen: kunnen niet de bedoelde betekenis representeren).

In het onderzoek naar discourse markers in conversatie is al eerder opgemerkt (in onderzoek van Schiffrin (1987) en Redeker (1990)) dat voegwoorden (en andere connectieven) worden gebruikt om als het ware te redeneren over de uitingen die we doen. Het ‘hoewel’ dat Coppen heeft gebruikt is daar een uitstekend voorbeeld van. En het blijft gewoon een onderschikkend voegwoord.

Luuk Lagerwerf
Tekstwetenschap
Katholieke Universiteit Brabant

Lagerwerf, Luuk en Leonoor Oversteegen (te verschijnen), Inferring Coherence Relations through Presuppositions’, te verschijnen in oktober 1994 in “Proceedings of the Focus & Natural Language Processing Conference, June 12-15, Schloss Wolfsbrunnen, Germany.”
Redeker, Gisela (1990), ‘Ideational and Pragmatic Markers of Discourse Structure.’ In “Journal of Pragmatics 14”, blz. 367-381.
Schiffrin, Deborah (1987), “Discourse Markers.” Studies in Interactional Sociolinguistics 5. Cambridge University Press.

(3)-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=
Date: Tue, 12 Jul 1994 17:00 +0100 (MET)
From: Wim Husken (per e-adres: B.Salemans@lett.kun.nl)
Subject: Col: 9408.07: Column Wim Husken: Eerlycke Tytkorting, no. 2: "Het Hemelsche Gerecht"


Wim Husken Eerlycke Tytkorting, no. 2

Het Hemelsche Gerecht

Als een zin van Joost van den Vondel grote bekendheid geniet, dan is het wel de volgende: ‘Het hemelsche gerecht heeft zich ten lange lesten || Erbarremt over my, en mijn benaeuwde vesten, || En arme burgery; en op mijn volcx gebed || En dagelix geschrey, de bange stad ontzet.’ Zo begint Gijsbreght van Aemstel het naar hem genoemde treurspel waarmee de Amsterdamse schouwburg haar deuren op zondag 3 januari 1638 ~ of was het de 4-de? de specialisten zijn het daarover niet eens ~ voor het publiek opende. Voorafgaand aan deze voorstelling was er heibel geweest over een niet onbelangrijk detail, als gevolg waarvan de beoogde premiere-datum, Tweede Kerstdag 1637, niet haalbaar bleek. De kerkeraad oordeelde het spel namelijk te katholiek; er zou een heuse mis in worden opgedragen, reden waarom burgemeester De Graef de tekst op verzoek van de predikanten zorgvuldig diende te onderzoeken. Deze oordeelde echter dat dergelijke godsdienstige praktijken nu eenmaal hoorden bij de tijd, eind dertiende eeuw, waarin het stuk speelde. De kwestie bleef ook later nog druk besproken, onder andere door geleerden als Joannes Vossius en Hugo de Groot. Aan de laatste had Vondel zijn spel opgedragen, een eer die Grotius, na de affaire Loevestein als ambassadeur van de jonge Zweedse koningin Christina buiten de Nederlanden in ballingschap levend, zeer wist te waarderen. Hij prijst in het drama de ‘treffelyken inhoudt, voeghelyke schikkinge, en overvloedige welspreekenheit.’ Hoe het wat minder geleerde, maar daarom nog niet onoordeelkundige publiek van Amsterdamse toneelliefhebbers dit stuk heeft ontvangen, is moeilijker te bepalen. Misschien is het feit dat de Gijsbreght eeuwen lang rond Nieuwjaar ten tonele is gevoerd in dit opzicht veelzeggender dan welke schriftelijke lofprijzing ook. Maar regelrechte reacties van toeschouwers zijn niet bekend. Wel kunnen we mogelijk langs een omweg reconstrueren hoe het publiek heeft gereageerd. Een gewiekst auteur kan een publieksrespons namelijk opzettelijk uitlokken. Met zoiets hebben we in het geval van de Gijsbreght inderdaad te maken.

Vondel laat de hoofdpersoon van zijn spel zich rechtstreeks beroepen op een hemelse rechtbank. Al in de eerste zin geeft Gijsbreght te kennen er vast van overtuigd te zijn dat God, in de rechtvaardige strijd tegen de Kennemers en de Waterlanders, zich aan zijn kant heeft geschaard. Dankzij ingrijpen van bovenaf is de stad bevrijd van zijn belegeraars en kunnen de inwoners de inmiddels uitgeputte voorraden weer aanvullen. Het zal evenwel niet lang duren vooraleer duidelijk wordt dat de Amsterdamse burgemeester zich danig heeft vergist. De aftocht van de vijand was slechts een voorwendsel om vervolgens met behulp van een list de impasse te doorbreken en de stad definitief op de knieen te dwingen. Een achtergelaten schip, zogenaamd gevuld met hout, een voor iedere belegerde stad in een koude winter uiterst welkom geschenk, blijkt in plaats van deze brandstof soldaten te bevatten. Tijdens de nachtelijke Kerstmis openen deze de stadspoorten voor de vijandelijke troepen, waardoor er voor de zwakke Amsterdammers geen houden meer aan is. De tweede keer dat Gijsbreght in zijn woorden er een “hemelsch gerecht” bij haalt, is wanneer de Heer van Vooren, woordvoerder van de Kennemers, de Amsterdammer probeert te overtuigen van zijn nederlaag. Van Aemstel wil echter van geen wijken weten en verwijst opnieuw naar Gods tribunaal. De stad is met de verwoesting van kerken en kloosters en met de moord op tal van zijn burgers groot onrecht aangedaan, een feit dat, aldus Gijsbreght ‘Gods streng gerecht te zijner tijd wil wreken.’ Voor de tweede keer beroept hij zich dus op hulp van bovenaf. Maar niet lang daarna blijkt zijn ongelijk wanneer niemand minder dan de engel Rafael hem beveelt de stad te verlaten en haar aan de vijand over te geven. Pas nu geeft Gijsbreght toe: ‘Nu buigh ick my voor God’. Daarmee is zijn koppige halsstarrigheid gebroken. Alles is voor niets geweest. Eigenlijk heeft Van Aemstel zijn stad nodeloos groot onheil toegebracht. Komt deze ontwikkeling nu voor de toeschouwers als een verrassing of was zij wellicht al vanaf het begin voorspelbaar? Ik denk dat het laatste het geval is, want wie zich zo zeker weet van Gods eigen steun, getuigt van grote hoogmoed en met zo iemand kan het nooit goed aflopen. Gods raadsbesluit is immers ondoorgrondelijk. Daarom zal het publiek van meet af aan, namelijk zodra Gijsbreght in zijn eerste zin te kennen geeft dat het Gods hemelse gerecht zelf is geweest dat de stad Amsterdam van haar belegeraars heeft verlost, weten dat het slecht met hem zal aflopen.

Laten we eens kijken hoe andere personages zich in Vondels toneelspelen tegenover de hemelse rechtbank opstellen. Als de hierboven geformuleerde stelling klopt, dan zullen we zien dat geen ander het zal wagen een met Gijsbreghts gedrag vergelijkbare hoogmoedige houding aan te nemen. Een eerste voorbeeld van hoe omzichtig men met de besluiten van Gods ‘gerecht’ omspringt, levert Joseph, een der zonen van aartsvader Jacob, in het uit 1640 daterende spel Joseph in Egypten. Door zijn broers verkocht aan Egyptische kooplieden en uiteindelijk aan het hof van de koning opgenomen, wekt hij in Jempsar, de vrouw van hofmeester Potiphar, gevoelens van liefde op. Joseph wenst echter niet in te gaan op haar avances, wetend dat een vergrijp aan de vrouw van zijn heer gelijk staat met een der grootste misdaden. Vluchten voor Gods onafwendbare wraak zou dan geen enkele zin hebben: ‘Ghy kunt de donder stem van Godts gerecht niet smooren: || Die vierschaer doemt alsins [overal]: die rechter laet zich hooren.’ Kortom, een en al ontzag voor Gods tribunaal. Van hetzelfde laken een pak in het treurspel Gebroeders, eveneens uit 1640. De Gabaonners staan op het punt om zeven nakomelingen van Saul ter dood te brengen, aldus Gods wil ten uitvoer brengend, die vertoornd was geraakt nadat Saul een slachting onder hen had aangebracht. Michol, een van de moeders van de zeven gebroeders, staat op het punt om de uitvoering van het vonnis eigenhandig tegen te gaan, maar de Gabaonners raden haar dit ten zeerste af: ‘Ghy moeders van dit aes, ziet toe, dat ghy geen handen || Aen ’t heilige gerecht en Gods bedienaers schend’. Met andere woorden: de Gabaonners weten zich ~ en nu, anders dan Gijsbreght, inderdaad terecht ~ gesteund door Gods wil, waartegen niemand zich mag verzetten. In Koning David herstelt (1660) weet de hoofdpersoon zich, ondanks zijn hoogstaande moraal, zondig: ‘O schulden, die zoo luide schreiden, || Gy terght Godts streng gerecht tot wraeck.’ De geschiedenis van David en zijn geslacht is voor Vondel blijkbaar zo interessant dat hij er in een ander spel nogmaals op terugkomt. Nu zijn het de wederwaardigheden van Salomon die juist op tijd een staatsgreep van zijn oudere broer Adonias, aan wie Vondel in 1661 een naar hem genoemd spel wijdt, weet te voorkomen. Er sterk aan twijfelend of hij wel het recht heeft een bloedverwant het leven te benemen, houdt aartspriester Sadock hem voor: ‘Schep moedt, heer koning: zijt gerust: de hemel schelt || U deze misdaet quijt, indien ’t dien naem magh draegen. || Gy zult den oppersten en ’t hoogh gerecht behaegen || Door dit zoenoffer, van uw strenge hant verwacht.’ Als Banajas, overste der “hofbenden” ofte wel van de paleiswacht, na voltrekking van het vonnis aan Salomon verslag doet van Adonias’ laatste ogenblikken, laat hij blijken geen ontzag te hebben gehad voor wie ‘Godt, noch Godts gerecht, noch David heeft ten vrient.’ Alleen wie absoluut zeker is van zijn goddelijk gelijk mag blijkbaar soortgelijk taalgebruik bezigen. Dat de goddelijk rechtbank niet uitsluitend bestaat uit God zelf, maar meer leden omvat, zien we aan het eind van Vondels schitterende Adam in ballingschap (1664), waar op Adams verschrikte woorden ‘O bosch, bedeck ons, zoo uw schaduwe iet vermagh! || Het hoogh gerecht verschijnt. o droeve bruiloftsdagh!’, niemand minder dan aartsengel Uriel het toneel betreedt.

Ook in niet-Bijbelse spelen refereert men soms aan een hemels gerecht. Zo bijvoorbeeld in het treurspel Maria Stuart (1646), dat handelt over de onthoofding in 1587 van de Schotse Rooms-katholieke koningin, verdacht van samenzwering tegen Elisabeth I van Engeland. Van verschillende zijden benadrukt men hier dat er feitelijk maar een rechter is die kan beslissen wie het bij het juiste eind heeft. In de allereerste plaats is het Mary Stuart zelf die daaraan herinnert, waarmee ze tevens bewijst welk een hoge morele principes ze erop nahoudt: ‘Welaen’, zegt ze tegen haar scherprechters, ‘ick heb voorhene uw aenklaght wederleit, || En wil, als een wie Recht en reden wort ontzeit, || My zelve op ’t hoogh gerecht der opperheerschappye, || Waer voor Elizabeth gelijck staet met Marye, || Beroepen.’ Ook Mary’s hofmeester Melvin is ervan overtuigd dat God uiteindelijk het laatste woord zal hebben en recht zal spreken over al wie hier zelf op aarde vonnist. Daarom is Mary volgens hem ‘getroost t’ontfangen desen slagh, || Waer op het hoogh gerecht en d’allerjongste dagh || Zal volgen, t’zijner tijt, om al die vonnis vellen || Voor ’t al doordringende oogh van Godt te Recht te stellen.’ Van een hemels gerecht, maar dan in een mythologische, niet-Christelijke zin is eveneens sprake in het treurspel Faeton (1663). Febus, de bestuurder van de zonnewagen, staat zijn zoon Faeton toe een dag lang in zijn kar langs het firmament te rijden. Wanneer dit op een ramp dreigt uit te lopen (de wereld verbrandt bijna, Faeton stort dood neer in een rivier, zijn moeder en zusters veranderen in populieren; zie Boek II van Ovidius’ Metamorphosen) is vader Febus ten einde raad. Hij gaat zelfs zo ver dat hij de hemel van al die ellende beschuldigt: ‘Is dit rechtvaerdigheit? is ’t hemelsch hof zoo dra || Verkeert in een gerecht van wraecke en ongena?’

De tendens is nu wel duidelijk: wie misdaden begaat, heeft alleszins straf van hogerhand te verwachten. Onschuldigen mogen evenwel op clementie hopen. Toch is er altijd wel een reden om hemelse besluiten te vrezen. Je op voorhand beroepen op de steun van de allerhoogste en blind doorgaan met je godvergeten werk, kan slechts tot ondergang voeren. Gijsbreght laat dan ook al meteen merken uit te gaan van verkeerde premissen: hij had er beter aan gedaan God eerst om advies te vragen vooraleer erop te vertrouwen in een gerechtvaardigde strijd verwikkeld te zijn. Misschien was hij dat ook wel (hij was niet voor niets bondgenoot van Geeraerdt van Velsen, de man die Floris V vermoorde om zo de verkrachting van zijn vrouw te wreken), maar te gemakkelijk ging hij uit van een goddelijk gelijk. De zekerheid daarover te kunnen beschikken is alleen maar weggelegd voor predikanten of priesters, dus voor wie in rechtstreeks contact met God zelf staat. Vanzelfsprekend ging het Vondel te ver dat Gijsbreght zich dat exclusieve voorrecht aanmatigde. Met hem, of liever: door Vondel op subtiele wijze ingefluisterd, zullen ook de toeschouwers een dergelijke hoogmoedig gedrag hebben verafschuwd.

Wim Husken,
Zwanenveld 71-32,
6538 RG Nijmegen.

-Einde-------------------- Neder-L, no. 9408.b --------------------------