Laat dat academisch jaar niet dicht!

Door Marc van Oostendorp

Naarmate de jaren verstrijken, hecht ik steeds meer aan de rituele kant van het academisch bedrijf. Je zou kunnen zeggen dat het komt doordat ik ouder en dus conservatiever of sentimenteler wordt (doorhalen wat niet verlangd wordt), maar ik geloof dat de oorzaak eerder is dat die rituelen symbolen zijn voor iets dat onder druk staat: de ouderwetse idealen van de universiteit.

Precies om die reden zal ik dit jaar de opening van het academisch jaar van mijn universiteit overslaan.

Lees verder
Geplaatst in column | Getagged , | Een reactie plaatsen

Gedicht: J.G. Danser • Op de wandeling

Op de wandeling

Wij traden saam langs een verlaten laan:
Geen wind bewoog de looverlooze twijgen,
Wij voelden vredes ijlen nevel stijgen
En wisten ons van ’t kleed der vrees ontdaan.

En vreemd: die zoo vaak met haar was gegaan,
Haar liefde kende en liefdes rijke zwijgen,
Mij was nog nooit haar smal gelaat zoo eigen
En nooit had ik zoo diep haar blik verstaan,

—’ Ik weet nog wel: er riep geen klein geluid,
Een roerloos waas had alles overtogen,
Alleen klonk van een vogel ’t ver gefluit…

Wij spraken niet: maar stil, gelukbewust
Zijn onze hoofden tot elkaar gebogen
En zacht en lang heb ik haar mond gekust.


J.G. Danser (1893-1920)
uit: Ontmoetingen (1917

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Geplaatst in gedicht, geen categorie | Getagged | Een reactie plaatsen

‘De Citroen- en Appelen China’s Jood’ (1825)

Jeugdverhalen over joden (52)

Door Ewoud Sanders

Auteur: onbekend

Herkomst en drukgeschiedenis

Verscheidenheden voor kinderen, een boekje dat in 1825 werd uitgegeven door J. de Lange in Deventer, bevat een zedenles die is gekoppeld aan de afbeelding van een jood die citroenen en ‘appelen-China’s’ verkoopt – een oude benaming voor sinaasappel, een vrucht die oorspronkelijk uit China komt. In het voorwoord waarschuwt de anonieme schrijver de ‘lieve kinderen’ om zich niet alleen te ‘vergenoegen’ met het lezen van zijn boekje. ‘Behartigt tevens de lessen die in hetzelve voorkomen, want dan voldoet gij eigenlijk aan het oogmerk waartoe uwe ouders u hetzelve gegeven hebben, en gij zult voor u zelve er veel voordeel uit plukken, doordien gij dan als gehoorzame kinderen zult handelen, en door alle weldenkende menschen bemind worden.’


Illustratie uit Verscheidenheden voor kinderen (1825).
Lees verder
Geplaatst in column | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Uit mijn hoofd: Jan Kal, Waarom ik geen neerlandistiek studeer

Door Marc van Oostendorp

Deze week beginnen overal de nieuwe studenten Nederlands aan de introductieweek van hun studie. Welkom!

(Bekijk deze video op YouTube)

Geplaatst in video | Één reactie

Gedicht: J.G. Danser • De verlaten steden

De verlaten steden

Mijn moeheid zoekt de steden die verlaten
En stil zich koestren in den zonneschijn:
De donkre huizen en de nauwe straten,
Den stoeren torenromp op ’t open plein.

Daar storen mij gerucht noch smadend praten,
Daar doet geen schrik mijn blijde mijmring pijn:
Onmerkbaar-zacht versmelten vreugde en haten
Tot klaar geluk, tot zoet tevreden-zijn.

Den heelen dag kan ik er eenzaam dwalen
Bewonderend de dingen altegader
En luistrend als het carillon begint,

En ’s avonds bij der lampvlam teeder stralen
Voel ik mij tot het groote leven nader
Waar weêr mijn ziel het inniger bemint.


J.G. Danser (1893-1920)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Geplaatst in gedicht | Getagged | Een reactie plaatsen

Stonde, kutwater of zoiets


De Multatulileescursus (46)

Door Marc van Oostendorp

– Uit de Vierde Bundel Ideën spreekt vooral: grote vermoeidheid.

– Huh? Er zijn weinig geschriften in de Volledige Werken die zo polemisch zijn. Vol vuur gaat hij erop in! Heel Nederland krijgt ervan langs!

– Misschien, maar de tekenen van vermoeidheid zijn er voortdurend. Je ziet die combinatie van polemiek en uitputting in zinnen als:

Ook ik hoop niet lang te leven – schoon ik nog veel te doen heb – maar hoef waarachtig van ’t banquet de la vie niet op te staan uit schaamte dat ik te veel genoot, en te weinig bydroeg.

– Dat is natuurlijk een gevolg van Multatuli’s schrijfritme. Doordat hij almaar doorschrijft, is het resultaat afhankelijk van zijn humeur van het moment. Er zijn weinig Nederlandse schrijvers die zoveel humeuren in hun werk laten zien als hij.

– En ik beweer dus dat het overwegende humeur in dit deel dat is van vermoeidheid. Of, zoals hij zelf zegt: verdriet.

– Het is mooi gezegd, maar ik vind het vooral langdradig, dat eindeloze jeremiëren over hoeveel onrecht hem is aangedaan. Ik moet toegeven dat ik af en toe een paar bladzijden heb overgeslagen.

Lees verder
Geplaatst in column | Getagged , | 2 Reacties

Gedicht: Guido Gezelle • o Gij dikke, welgekleede, welgevoede vliege

o Gij dikke, welgekleede, welgevoede
vliege, die
‘k daar zoo dikkens, om end weder om mij,
hoore en zie
vliegen, varen, vederen, ruischen, in den
zonnenstraal,
met uw’ ronkend -, hoog- en leeggevooisde
vedertaal!

Ha, ‘k en kenne niemand die u ooit ééne arme
reke of twee
heeft geschonken, schoon gij zingt en immer
zongt, alreê
ruim zoo lange als merelaan, of meeze, of
nachtegaal,
ruim zoo schoone allichte als honingbie- en
krekeltaal. Lees verder

Geplaatst in gedicht, geen categorie | Getagged | Een reactie plaatsen

Unnanaaanikotoq

Door Jos Joosten

Een van de grootste ellendes in de huidige publieke wereld is uiteraard de allesverterende focus op het ‘persoonlijke’: van de poes van Wilders tot de uitdossing waarin de Grote Europese Schrijver (‘grote europese schrijver’) met zijn wederhelft (nu ja, wedereenderde) door een Italiaans provinciestadje paradeert, van de tv-presentator die gepest werd toen-ie acht was tot aan het ‘persoonlijke verhaal’ over een overgrootopa vroeg in de vorige eeuw die een hufter was voor opa.

De volkskrantmagazinizering van ons wereldbeeld.

Gezocht wordt naar het kleine, inleefbare, herkenbare. Laat de lezer verre van wat richting visie, kennis, inhoud gaat!

De stupiditeit van deze trend slingert mij door wisselende gemoedstoestanden, zoals daar zijn: woede, berusting, verdriet en veleboel cynisme. Opmerkelijk dus dat een van de ronduit boeiendste boeken die ik in lange tijd las, de essaybundel Afhankelijkheidsverklaring van Rebekka de Wit, op het eerste oog bestaat uit juist al dit kleine: beschouwingen over een hangmat, een kippenhok, een broodrooster, alles gelardeerd met alledaagsheden als kraambezoek en geleuter met en over vrienden. En toch is dit intelligente boek van begin tot eind meer dan fascinerend.

Lees verder
Geplaatst in geen categorie | 14 Reacties

Cats vergeet de moraal van het verhaal

Door Ton Harmsen

Den Haag in rep en roer

Een merkwaardig verhaal in de Trou-ringh van Jacob Cats is ‘Liefdes vosse-vel’. Het is pas in of na 1657, dus minstens twintig jaar na de eerste druk, toegevoegd en dan ook nog op een apart katern – mogelijk zelfs na de dood van Cats in 1660. De Trouwring (zoals de uitgever Jan Jacobz Schipper het dan spelt) verscheen als onderdeel van de Alle de wercken van 1658, en een los katern kan gemakkelijk achtergehouden worden; als Cats het niet gewenst heeft kan Schipper het na diens dood toch publiceren. Het is de vraag of Cats er zo blij mee was, en het is zeker dat hij goede redenen had om het verhaal achter te houden: het beschrijft een werkelijke gebeurtenis, kort geleden in Den Haag voorgevallen. De uitgever leidt het voorzichtig in:

Dit volgende Trou-geval is uyt den voorgaenden Druck gelaten om redenen, den Schrijver daer toe bewegende; maer nu by sekere gelegentheydt my ter handen zijnde gekomen, hebbe van ’t selve onse lants-luyden mede goet gevonden deelachtigh te maken. Datter goet in is mach nagevolght worden, het andere dient daer gelaten. Siet vorder de bedenckingen daer in steeckende, die achter het voorsz. Trou-geval zijn te vinden.

Lees verder
Geplaatst in edities, letterkunde | Getagged , , , | 3 Reacties

Het wonder dat mensen zinnen bouwen

Door Marc van Oostendorp

Taal is de magie van alledag. Wij mensen doen iets dat voor zover bekend geen ander wezen in ons universum kan: we praten met elkaar, we zeggen voortdurend dingen die niemand ooit eerder heeft gezegd en die we toch doodnormaal vinden. Schrijf, zegt David Adger aan het begin van zijn nieuwe boek Language Unlimited, een zin die iets langer is dan een paar woorden, en google die zin. Vrijwel nooit zul je die zin ergens op het internet terugvinden.

Vrijwel iedere zin die we zeggen is uniek, en toch voelen de meeste zinnen die we tegen elkaar zeggen of op een weblog lezen helemaal niet zo nieuw of vreemd aan.

In zijn Language Unlimited zet Adger uiteen hoe syntactici ‘ons creatiefste vermogen’ proberen te ontrafelen. Het is een boek geworden voor een ‘breder publiek’, zoals dat heet, en wat mij betreft de beste poging die er ooit is gedaan om de taalkundige stroming waarbinnen Adger werkt – die van Noam Chomsky – uiteen te zetten. Het boek is heel leesbaar zonder ooit kinderachtig te worden, licht van toon zonder irritant grappig te zijn, en duidelijk over het standpunt van de auteur zonder in polemiek te vervallen.

Lees verder
Geplaatst in column, recensies | Getagged , , | 4 Reacties