Mythes, legendes en heldendichten

Door Theo Meder

Het thema van Wereldverteldag 2019 is ‘Mythes, legendes en heldendichten’ en de vraag die natuurlijk het meest voor de hand ligt is: wat zijn dat precies? Menigeen zal vooral de associatie leggen met “oude volksverhalen” en dat klopt globaal ook wel. Maar in de wetenschap hebben de termen specifieke betekenissen. Nou ga ik de lezer niet vervelen met hoogdravende definities, maar ik wil toch kort het verschil uitleggen. Bedenk daarbij dat deze termen in de 19e eeuw in het wetenschappelijke jargon zijn opgenomen, en dat wij Nederlanders ons toen vooral oriënteerden op het Duitse onderzoek, dat ik voor volksverhalen maar even laat beginnen met het serieuze werk van de gebroeders Grimm.

Mythes zijn polytheïstische verhalen: er komen meerdere goden in voor die zich in veel gevallen met de mensen bemoeien. Als oppergod Zeus zijn wellustig oog laat vallen op prinses Europa, verandert hij zich in een witte stier. Zodra Europa spelenderwijs op de rug van de stier is geklommen, zwemt Zeus met haar naar Kreta en verkracht haar. Europa bevalt van Minos, die later koning van Kreta zou worden. Dit is dus een mythe, maar die kennen we vooral van de Grieken, en later van de Romeinen, die er beiden een vroege schriftcultuur op nahielden. Lees verder

Geplaatst in Vertelcultuur | Getagged , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Levende Talen Limburgs

Door Esther van Loo

In december 2018 zijn we op het idee gekomen om een sectie Limburgs bij de Vereniging van Leraren in Levende Talen (VLLT, of kortweg Levende Talen) op te richten.

Levende Talen is een koepelvereniging voor talenonderwijs die sinds 1911 bestaat. Op dit moment maken er 14 talensecties deel van uit. Levende Talen vertegenwoordigt ruim 3600 mensen, allen met interesse in onderwijs, talen, en/of een combinatie van deze twee. Ziehier de website: www.levendetalen.nl. Zelf ben ik – Esther van Loo (initiatiefnemer) sinds 1990 actief bij Levende Talen, in verschillende functies bij de sectie Russisch. De vereniging vertegenwoordigde oorspronkelijk voornamelijk eerstegraadsdocenten moderne vreemde talen, echter door de jaren heen richt de aandacht zich ook op algemene promotie van talen en talenonderwijs in Nederland.

Inspiratie voor het oprichten van een sectie Limburgs bij Levende Talen kregen we door een initiatief van een delegatie uit Enschede/Groningen. Daar streeft men ook naar oprichting van een sectie, maar dan voor het Nedersaksisch. Lees verder

Geplaatst in geen categorie | Een reactie plaatsen

Waarom ‘driede’ makkelijker is dan ‘derde’

Door Marc van Oostendorp

Het leukste, het allerleukste, van de taalkunde is geloof ik dat je je steeds weer kunt verwonderen over het alledaagse. Neem de Nederlandse rangtelwoorden:

  • eerste, tweede, derde, vierde, vijfde, zesde, zevende, achtste, negende, tiende, elfde, twaalfde,….

Een eenvoudig rijtje. Derde is een beetje vreemd, want  zou regelmatiger zijn. Zoals eerste en achtste een uitgang –ste hebben die pas weer opduikt bij getallen groter dan negentien.

Ach, ja, zou je denken, de kleine kronkelingen van de taal. Tot je het proefschrift leest waarop Caitlyn Meyer vandaag aan de Universiteit van Amsterdam promoveert. In dat boek (Rule and order. Acquiring ordinals in Dutch and English, nog niet online, maar maandag waarschijnlijk wel) doet zij verslag naar de manier waarop kinderen die rangtelwoorden leren.

Op het eerste gezicht lijkt dat misschien weinig verrassend, waarschuwt ze aan het begin van het boek. Kinderen leren de rangtelwoorden na de hoofdtelwoorden (één, twee, drie,…) Bovendien leren ze derde over het algemeen later dan vierde, en ze begrijpen zelfs driede in eerste instantie beter.  Lees verder

Geplaatst in column | Getagged , , , | 2 Reacties

Gedicht: Paul Hermans • twee gedichten

Coïncidentie

Over de vensterbank trippelde
de schaduw van een merel.
En de merel vloog naar zich toe
en nam plaats in zijn schaduw en
trippelde over de vensterbank en
floot als een fluitende schaduw.

uit: Dierzien (2017) Lees verder

Geplaatst in gedicht | Getagged | Een reactie plaatsen

Waarom maken taalkundigen zich niet druk over “correct” taalgebruik?

Door Lucas Seuren

Van tijd tot tijd komt hier in de reacties of op Twitter een discussie voorbij over een taalfout die een auteur gemaakt heeft in zijn of haar stuk. Hoe kan het toch dat Neerlandici en Taalkundigen op een weblog over taal fouten maken? Het is een symptoom van een overkoepelende vraag: Waarom doen taalkundigen niet meer moeite om te zorgen dat Nederlanders zich houden aan de regels? De verdediging is dan veelal dat het er niet toe doet; wij als taalkundigen zijn niet geïnteresseerd in een set arbitraire regels, ook al gaan die toevallig over taal. Maar waarom niet?

Het standpunt van de taalkundigen wordt door de niet-taalkundigen vaak als volgt samengevat: “Taal verandert altijd: het is een levend organisme en daar kun je niks aan veranderen, dus hoef je je er niet druk om te maken.” Ik wil niet betwisten dat we dit denken, maar het is niet de kern van het verhaal. Dergelijk fatalisme zouden we ook niet snel als argument accepteren om de serieuze wereldproblemen niet te hoeven tackelen—mijn buren vervuilen, dus waarom zou ik recyclen? Laat me hier dus een poging doen om uit te leggen waarom taalkundigen, of in ieder geval interactioneel taalkundigen zoals ik, “correct” taalgebruik niet tot hun onderzoeksobject maken. Lees verder

Geplaatst in column | Getagged | 16 Reacties

Levende literatuur als start studie Nederlands

Door Nico Keuning

Onlangs vertelde de kersverse, twintigjarige voorzitter van Helios, de studievereniging van neerlandistiek van de UvA, op de radio dat zich dit jaar weer meer studenten hebben ingeschreven voor de studie Nederlands. ‘Er zijn nu vijftig nieuwe eerstejaars.’ Dat geeft hoop na eerdere berichten over het opheffen van de studie Nederlands aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, waar dit studiejaar het aantal tweedejaarsstudenten bestaat uit vier meisjes en twee jongens.

Tijdens het schrijven aan de biografie van de arts-schrijver Willem Brakman (1922-2008) was ik juist in de jaren ’70 beland, de bloeiperiode in de Nederlandse letteren en de tijd dat er honderden studenten Nederlands studeerden. Het waren de jaren van het ironisch-realisme, maar tegelijkertijd stond de kracht van de verbeelding in hoog aanzien. Realisme, academisme en postmodernisme bloeiden naast elkaar in hetzelfde decennium. Er volgde een reeks indrukwekkende debutanten: Maarten Biesheuvel, In de bovenkooi (1972).’ Mensje van Keulen, Bleekers zomer (1972), Doeschka Meijsing, De hanen en andere verhalen (1974), F.B. Hotz, Dood weermiddel (1976), Frans Kellendonk, Bouwval (1977), Oek de Jong, De hemelvaart van Massimo (1977), Patrizio Canaponi (ps. Van A.F.Th. Van der Heijden), Een gondel in de Herengracht (1978). Lees verder

Geplaatst in column | Een reactie plaatsen

Maria, bron van inspiratie

Voornamendrift (36)

Door Gerrit Bloothooft en David Onland

Maria was tot 1990 de naam die het meest aan meisjes werd gegeven. Maar die, net zoals Johannes, vaak anders werd genoemd. Figuur 1 laat de populariteit van haar roepnamen zien vanaf 1940, toen nog bijna één op de tien meisjes als Maria werd aangegeven bij de burgerlijke stand. Voor 30% van die meisjes was de roepnaam toen ook daadwerkelijk Maria, met vooral Ria en Riet als verkortingen. Opvallend is dat andere roepnamen die beginnen met een M, en niet  altijd van Maria afgeleid zijn, al vroeg een substantieel deel van de roepnamen vormen, waarbij het percentage tot 1980 geleidelijk stijgt tot 70%. Bij Johannes begon die stijging pas in 1970. Het sluit aan bij de algemene observatie dat meisjesnamen gevarieerder zijn dan jongensnamen, ook in de roepnamen. Voor de categorie anders begint de roepnaam niet met een M en is ofwel afgeleid van een volgnaam (9,6% van alle vrouwen) of helemaal niet (5,4%).

Figuur 1. De populariteit van roepnamen van alle 37.387 vrouwen in het roepnamencorpus met officiële eerste voornaam Maria. M* betekent overige roepnamen die met een M beginnen, bij anders is dat niet het geval. Voor de duidelijkheid zijn de curven gebaseerd op 5-jaarlijkse gemiddelden.

Lees verder

Geplaatst in column, Naamkunde | Getagged , , | Één reactie

Voorjaar 2019, Gent: aperitieflezingen ‘Wat wordt er van de taal(kunde)’

Tijdens vier aperitieflezingen in het voorjaar van 2019 komt u in de KANTL te weten hoe het met onze taal gesteld is, hoe het Nederlands zal evolueren en op welke nieuwe manieren we in de toekomst (of nu al) met de taal kunnen omgaan.

Historisch taalkundige Joop van der Horst heeft daarover zoveel te zeggen dat hij meteen twee aperitieflezingen voor zijn rekening neemt. Verwacht u aan een spannend verhaal dat begint bij de fundamenten van de taal en dat uitmondt in boude voorspellingen over de toekomst van het Nederlands, standaardtalen, spelling en taalonderwijs.

De taalkunde zelf ziet een deel van haar toekomst dan weer in samenwerkingen met andere wetenschappen. Twee coryfeeën uit die interdisciplinaire taalkunde verblijden ons met een lezing. Peter Hagoort – mogen we spreken van de Nederlandse Steven Pinker? – spreekt over het talige brein; Luc Steels, de pionier van de artificiële intelligentie in België, toont ons de verbanden tussen taal, kunstmatige intelligentie en robots. Lees verder

Geplaatst in evenementenagenda | Een reactie plaatsen

Het alledaagse maar zo complexe verschijnsel meertaligheid

Door Leonie Cornips

In 2018 verscheen het rapport Talen in Nederland – Talen voor Nederland. In dat rapport stelde de KNAW vast dat Nederland een meertalige samenleving is geworden en dat het tijd wordt om verstandiger en efficiënter om te gaan met de talen die binnen onze landsgrenzen worden gesproken. Dat het rapport meertaligheid signaleert als kenmerk van een moderne samenleving is belangrijk, maar niet nieuw. Hoe wij ons neigen te verhouden tot meertaligheid echter, is wel een thema. Lees verder

Geplaatst in geen categorie | Één reactie

Leer geen trucjes, zing een ode

Door Marc van Oostendorp

Fijn van mens zijn is dat je niet alles zelf hoeft te bedenken. Dat we een manier hebben gevonden om onze gedachten met elkaar te delen. Geen andere diersoort lukt dat. Een hond kan misschien de gemoedstoestand van een kompaan aanvoelen, een bij kan uitleggen aan haar medebijen waar geurige bloemen staan, maar wat de mens kan – de ideeën van allerlei andere mensen aanhoren en die combineren tot een geheel nieuwe gedachte – dat kan geen ander dier. Alleen ons lukt dat, dankzij de taal.

Mensen hebben grotere hersenen zodat ieder mens op zich ook redelijk goed kan denken in vergelijking met andere dieren. Maar wat ons bijzonder maakt is dat onze gedachtewerelden nog veel groter zijn dan onze hersenpan, en ook gebruik maken van het geestesleven van anderen – zelfs van mensen die al heel lang dood zijn. Dat lukt ons dankzij het feit dat we gedachten tot zinnen weten om te vormen, die zinnen kunnen onthouden en met elkaar kunnen delen. Dankzij de taal hebben we continu de ideeën en de observaties van andere mensen tot onze beschikking. Lees verder

Geplaatst in column, Neerlandistiek voor de klas | Getagged | Één reactie