Tagarchief: etymologie

waterlander

waterlander zn. ‘traan’   Waterlander (ca. 1300) betekent allereerst ‘bewoner van Waterland’, het gebied in Noord-Holland grofweg tussen Amsterdam en Edam. In verband met ‘huilen’ wordt het woord voor het eerst in 1561 aangetroffen in het spreekwoord De waterlanders op … Lees verder

Geplaatst in taalkunde | Getagged , | Een reactie plaatsen

Vleet

vleet zn. ‘visnet; menigte’   Vroegmiddelnederlands vlete v. ‘bij één vissersboot behorende partij visnetten’ (1293–1298, Calais). Nieuwnl. vlete (1535), vleet (1630) ‘visnet, verzameling visnetten’, al de vleet ‘de hele boel’ (1612), bij de vleet ‘in overvloed’ (ca. 1720). In dialecten … Lees verder

Geplaatst in taalkunde | Getagged , | 5 Reacties

zwachtel

Door Michiel de Vaan zwachtel zn. ‘windsel’ Middelnederlands zwachtel (1421), swechtel (1425–1450) v. ‘doek, luier, windsel’. In de 15e eeuw is a-vocalisme kenmerkend voor Holland, e-vocalisme voor het Oostnederlands. In het zuiden wordt het woord niet aangetroffen. Nnl. swechtel ‘luier’ … Lees verder

Geplaatst in taalkunde | Getagged , | 7 Reacties

Zwerk

Door Michiel de Vaan zwerk zn. ‘hemel’ Vroegmiddelnederlands swerc o. ‘wolk, wolken’ (1285), swerkigh bn. ‘als van een donkere wolk’ (1285); Mnl. gheswerc ‘donkere wolken’ (1390-1410), beswerct ‘beneveld’ (1340-1360). Nnl. swerck ‘wolk, wolkendek’ (ca. 1500), swerrech (1612), swergh (1622), zwurf … Lees verder

Geplaatst in taalkunde | Getagged , | 4 Reacties

sneuvelen, sneven

Door Michiel de Vaan sneuvelen ww. ‘omkomen’ Mnl. snevelen ‘struikelen, vallen’ (1408), daarnaast sneuvelen en snovelen [waarin de o voor eu staat] (1399); bijna uitsluitend in het Noord-Nederlands. Nieuwnl. snevelen (1570), snuevelen, sneuvelen (1570), snuyvlen (1683, Gent) ‘struikelen, vallen; omkomen, … Lees verder

Geplaatst in taalkunde | Getagged , | 5 Reacties

Etymologisch snacken

Door Marc van Oostendorp Wie een beeld van de Nederlandse taalcultuur aan het begin van de 21e eeuw wil schetsen, kan niet om Wim Daniëls heen. Die man verenigt in zijn persoon en zijn werk zo’n beetje die hele cultuur. … Lees verder

Geplaatst in column, recensies, taalkunde | Getagged , , , | 7 Reacties

kreek

Door Michiel de Vaan kreek zn. ‘smal water’ Oudnederlands Creka (976), Crika (1003), grondbezit in Zeeland. Vroegmiddelnederlands van der Creke (1276, West-Holland), vander Kreke (Saaftinge), kreke ‘inham van de zee, ondiep water’ in Zuid-Holland en Zeeland (1321 Reimerswaal, 1324 ’s-Gravezande), … Lees verder

Geplaatst in taalkunde | Getagged , | 4 Reacties

klovenier

klovenier zn. ‘schutter’   Middelnederlands coloverier (Brielle, 1445–1455) ‘schutter, soldaat die een schietbus ofwel colover bedient’, colloevenier (Dordrecht, 1451–1500, echter geciteerd in 1677), culuvrenier (Ieper, 1488), culoverier (Gent, 1489). Nieuwnederlands coluevrenier (Oudenaarde, 1507), culluevrier (Gent, 1510), collovrier en coluvrenier (Gent, … Lees verder

Geplaatst in taalkunde | Getagged , | Één reactie

kleineren

kleineren ww. ‘in waarde verkleinen; krenken’   Middelnederlands cleeneren (1330-1332)? Nieuwnl. kleynéren ‘verminderen’ (1599, Kiliaan; naast kleynen met dezelfde betekenis), kleyneere (1648) ‘doen verminderen’, kleyneeren ‘minder (waard) worden’ (1671), kleineeren ‘minachten’ (1701). Nnl. vercleyneringhe ‘vermindering’ (1580) veronderstelt een ww. *verkléineren, … Lees verder

Geplaatst in taalkunde | Getagged , | 3 Reacties

zegge

zegge zn. ‘rietgras’ Middelnederlands alleen in plaatsnamen, bijv. Zecvelt (13e eeuw) ‘Zegveld’ (prov. Utrecht), Zegcamp, Zeccamp (1334, Moordrecht), Segacker (1417, Gelderland); cf. Schönfeld, Veldnamen in Nederland (1950), 65–66. Nieuwnederlands segge (1578), seck (1599, Zeeland), zegge (1608). In dialecten: Vlaams zagge, … Lees verder

Geplaatst in taalkunde | Getagged , | 2 Reacties