De valkuilen van een nieuw Bargoens woordenboekje en de makkes van de bargoenistiek
Naar aanleiding van:
Henry Roskam Boeven-jargon. Bezorgd door Ewoud Sanders en Nicoline van der Sijs. Amsterdam / Antwerpen: Veen. 2002.
Hans den Besten
Publicatiedatum 28 juli 2005, artikelnummer 05.03
1 Inleiding
Henry Roskams Boeven-jargon oogt als een boekje waar men bij voorkeur alleen maar een signalement aan wijdt. 1  Echter, het verdient een bespreking omdat het door zijn lexicografische inhoud bijdraagt aan de warboel van relaties van ontlenen en plagiëren die er bestaan tussen een aantal twintigste-eeuwse Bargoense bronnen enerzijds en De Geheimtalen van Moormann (1932-1934) en Het Joodsch in Nederland van Voorzanger & Polak (1915) anderzijds.

Verder draagt Roskams boekje door onnauwkeurig overnemen en door de opname van Hebreeuwse woorden bij aan de taalkundige warboel van woorden en woordvormen uit het Bargoens en andere geheimtalen die door Moormann wel geregistreerd is maar nauwelijks taalkundig doorgelicht - wat jammer is, en wel om de volgende reden:

Het Bargoens van de afgelopen eeuwen kunnen we - als we onze ogen sluiten voor de Romani-invloeden - beschouwen als een soort van post- of para-Jiddisch Nederlands, dat niet noodzakelijkerwijs joods van achtergrond is. Een van de aanvoerlijnen voor het Bargoens is echter het eigenlijke, d.w.z. joodse, post- of para-Jiddische Nederlands. Daarom is het onderzoek naar het Bargoens een zijtak voor het onderzoek naar het eigenlijke post- of para-Jiddische Nederlands. 2 

Als we de warboel willen ontwarren, zullen we hebraïstische kennis in stelling moeten brengen. Bovendien zullen we corrupte vormen, zoals cok ‘markt’, moeten kunnen onderscheiden van slecht gespelde (of aan het Nederlands aangepaste) vormen, zoals schok i.p.v. sjok ‘markt’, alsook van Bargoense (of ook laat-Jiddische) vervormingen, zoals jajem en koter i.p.v. jajen en koten. Jammer genoeg zitten er in de taalkundige inleiding van Nicoline van der Sijs bij Roskams Boeven-jargon op dit punt een aantal misverstanden.

Voor de goede orde vermeld ik dat Roskams Boeven-jargon eigenlijk in 1948 bij Van Goor had zullen verschijnen. Na het blokkeren van deze publicatie zijn de drukproeven bij J.G.M. Moormann terechtgekomen, die nogal wat overschrijfwerk constateerde en daarom slechts een excerpt van Boeven-jargon opnam in het nagelaten derde deel van zijn boek De Geheimtalen, waarvan Nicoline van der Sijs in 2002 een nieuwe editie bezorgd heeft. De uitgave van de volledige tekst van Roskams woordenboekje moet daarom gezien worden als een flankerende publicatie naast Moormanns standaardwerk. Deze flankerende publicatie is voorzien van twee inleidingen: een korte over de persoon Henry Roskam van de hand van Ewoud Sanders en een lange taalkundige van de hand van Nicoline van der Sijs. Van der Sijs corrigeert en preciseert Moormanns opmerkingen over het overschrijven en zij gaat uitvoerig in op spelling en uitspraak van het in Boeven-jargon verzamelde woordmateriaal.

Ik wil in dit artikel laten zien dat Roskams Boeven-jargon nog meer aan Moormann (1932) ontleend heeft dan al door Van der Sijs is vastgesteld, zodat slechts een klein deel van Roskams zogenaamd ‘nieuwe’ materiaal als nieuwe evidentie beschouwd mag worden. Dit geldt met name voor wat Van der Sijs ziet als het nieuwe Jiddische materiaal. Daarvan is bijna niets oorspronkelijk.

Dit heeft gevolgen voor de door Van der Sijs gestelde vraag naar de herkomst van de variatie in de weergave van de Hebreeuws-Jiddische woorden bij Roskam. Mijns inziens komt die geheel op het conto van de door Roskam overgeschreven bronnen: voor zover die onderling of intern variatie vertonen, vertoont ook Roskam variatie. Roskams eigen bijdrage is daarbij beperkt, maar niet onbelangrijk: hij moderniseert de spelling enigszins en hij vereenvoudigt op onverantwoorde wijze de spelling van Asjkenazisch Hebreeuwse woorden (waarvoor zie paragraaf 4.1). Voor het overige is Roskam niet anders dan een niet altijd nauwkeurige overschrijver.

Daarmee is Roskams boekje een mini-Moormann, waarin alle fouten en eigenaardigheden van de geëxcerpeerde bronnen bij elkaar komen - afgezien van de door Roskam zelf geïntroduceerde fouten.

Door deze ‘negatieve’ conclusie heeft dit artikel een wat paradoxale status. Strikt genomen gaat het hier om de analyse van een nieuwe Bargoense bron in het kader van onderzoek naar para- en post-Jiddisch Nederlands, een nieuwe tak in de contactlinguïstiek (Hinskens & Jacobs 1997/te versch.). Uitkomst van mijn analyse is echter dat de waarde van dit boekje voor de bargoenistiek en de contactlinguïstiek bijna nul is, omdat we voor ongeveer 94,8% van de ingangen terug moeten naar al bekende bronnen achter deze bron.

Ik zal nu eerst Roskams boekje plaatsen in het grotere geheel van de Bargoense woordenboekjes van de twintigste eeuw (par. 2), waarna ik inga op Henry Roskam zelf en zijn vrije omgang met de Bargoense bronnen (par. 3). In par. 4 bespreek ik de spelling van de Asjkenazisch en Sefardisch Hebreeuwse woorden bij Roskam en in par. 5 geef ik aan hoe Roskam Moormann geplunderd heeft. Par. 6 tenslotte is een evaluatie van Roskams Boeven-jargon als potentiële bron van informatie over de uitspraak van onbekende Bargoense en Jiddische (en Hebreeuwse) woorden. Omdat dit boekje grotendeels jatwerk is, met bijkomende overschrijf- en/of zetfouten, terwijl Roskam bovendien zonder begrip heeft ingegrepen in de spelling van Asjkenazisch Hebreeuwse woorden, moet de waarde ervan op dit punt laag worden aangeslagen. In par. 7 tenslotte bespreek ik nog twee aanvullende vragen: Zit er nog nieuw Jiddisch materiaal in Roskams boekje? En: Heeft Moormann werkelijk niet gemerkt dat Roskam zijn Hebreeuwse materiaal uit “Moormann” heeft? Beide vragen kunnen bevestigend beantwoord worden. Met ja resp. nee, dus.

2 De Bargoense woordenboekjes onderling
Wie in het bezit is van Ewoud Sanders' facsimile-editie van Köster Henkes De Boeventaal (1906) en Van Bolhuis' De Gabbertaal (1937), van Henry Roskams Boeven-jargon als ook van het Bargoens woordenboek van Endt en Frerichs (1974), beschikt - lijkt het - over alle Bargoense woordenboekjes die in de twintigste eeuw zijn samengesteld.

Endt en Frerichs' Bargoens woordenboek is een product van zelfstandig onderzoek. De overige woordenboekjes daarentegen staan alledrie in een bepaalde verhouding tot Moormanns studie over de Vlaams-Nederlandse geheimtalen (1932 - 1934).

De Boeventaal is door Moormann onverkort herdrukt in zijn Bronnenboek (1934), terwijl het in het eerste deel van De Geheimtalen (1932) etymologisch onderzocht wordt op zijn Jiddische en Romani bestanddelen. Het was al eerder etymologisch behandeld door Voorzanger & Polak (1915) in hun boek over het Jiddisch in Nederland en Moormann beroept zich voor jiddicismen in belangrijke mate op Voorzanger & Polak (voortaan V&P).

Van Bolhuis' De Gabbertaal (1937) daarentegen heeft nogal wat aan Moormanns Bronnenboek ontleend, zoals de laatste zelf in zijn nagelaten derde deel (p. 603 in de editie Van der Sijs) al heeft vastgesteld. Daarnaast heeft Van Bolhuis rijkelijk ontleend aan de Jordaan-cyclus van Israël Querido (zie Den Besten 2004: 264).

Moormann heeft in zijn nagelaten derde deel een excerpt uit De Gabbertaal opgenomen, d.w.z. De Gabbertaal gezuiverd van alle woorden die uit het Bronnenboek zijn overgenomen, of die in de door hem geraadpleegde Van Dale als ‘gemeenzaam’ werden aangemerkt. Als we uit dit excerpt de Querido-woorden verwijderen, blijft er nog steeds een behoorlijk aantal woorden over die op eigen onderzoek kunnen teruggaan. Het nadeel van Moormanns werkwijze is echter dat we hem niet kunnen controleren. Gelukkig biedt Ewoud Sanders' facsimile-editie van Van Bolhuis hier uitkomst.

Henry Roskams Boeven-jargon heeft een zelfde soort probleem als De Gabbertaal: volgens Moormann is er overgeschreven uit het Bronnenboek als ook uit De Gabbertaal (p. 626 van de nieuwe editie). Na weglating van deze woorden en van de door Van Dale als ‘gemeenzaam’ aangemerkte woorden hield Moormann een excerpt van over de vijf bladzijden over (p. 627 - 632 in de nieuwe Moormann). De nu bezorgde editie van Roskams Boeven-jargon biedt ons de mogelijkheid om ook hier Moormann te controleren, waarbij als extra hulp voor de onderzoeker alle woorden die in Moormanns excerpt staan, van een sterretje zijn voorzien.

3 Henry Roskam en de Bargoense bronnen
Blijkens Sanders' bijdrage ‘Zoektocht naar Roskam’ (pp. 7 - 17) was de samensteller een gesjeesde student klassieke talen die met bijles geven de kost verdiende. Zijn grotendeels uit de Boeventaal overgeschreven woordenboekje lag in 1948 bij Van Goor al ter perse, toen het plagiaat boven water kwam.

Uit Van der Sijs' inleiding (pp. 18 - 41) blijkt dat Roskam De Boeventaal volledig heeft overgeschreven en veel Jiddisch materiaal aan de omstreeks 1860 geproduceerde lijst Verwoert heeft ontleend. Daarvoor heeft hij gebruik gemaakt van Moormanns becommentarieerde lijst van jiddicismen bij deze bron. De Gabbertaal speelt blijkbaar geen rol. Wel zou Roskam nog drie woorden uit een Hilversumse bron uit 1926 hebben overgenomen, die door Moormann zelf was samengesteld.

Dan blijft er echter nog een aantal woorden over die Roskam zelf verzameld kan hebben. Ten eerste de woorden die voorzien zijn van de aantekening “(z.h.)”, wat “zwarte handel” betekent, zoals Sanders heeft vastgesteld (zie Van der Sijs inleiding, p. 37). Ten tweede een aantal Asjkenazisch en soms Sefardisch Hebreeuwse woorden die meestal in de spelling van V&P opgeschreven (lijken te) zijn, en die Van der Sijs aan Joodse informanten toeschrijft (pp. 31 - 32). En ten derde: een aantal woorden die niet onder de eerste twee categorieën vallen.

Echter, de woorden uit de tweede categorie en zelfs een deel van de derde categorie hebben m.i. ook allemaal Moormann (1932 - 1934) als bron. Om preciezer te zijn, ik zie zelf het volgende patroon van overschrijven:

a) De volledige Boeventaal, zoals Van der Sijs al vastgesteld heeft.

b) De lijst van jiddicismen uit de lijst Verwoert (ca. 1860) in deel 1 van Moormann (1932 - 1934), zoals Van der Sijs al vastgesteld heeft.

c) Moormanns etymologische behandeling van Jiddische woorden in de lijst Verwoert en in De Boeventaal voor de door Moormann uit Voorzanger & Polak (1915), Avé-Lallemant (1862) en Bischoff (1916) geciteerde ‘Jiddische’ maar in feite Hebreeuwse of Aramese woorden.

d) De etymologische behandeling van bron C X, d.w.z. bovengenoemde Hilversumse lijst.

e) Nog wat aanvullend bladeren.

Al met al blijft er van Van der Sijs' tweede en derde categorie nog maar weinig over.

4 Asjkenazisch en Sefardisch Hebreeuwse woorden bij Roskam
Ik zou nooit op bovenstaand lijstje gekomen zijn, als mijn wantrouwen niet gewekt was door juist die zogenaamd Jiddische, maar feitelijk Asjkenazisch (en soms wellicht Sefardisch) Hebreeuwse woorden die in de spelling van V&P geschreven lijken te zijn, zoals Van der Sijs aangeeft. Deze woorden zijn nl. om precies te zijn bijna allemaal geschreven in een variant van de variant Moormann van de spelling van V&P. In par. 4.1 zal ik eerst laten zien wat ik daarmee bedoel. Daarna formuleer ik in par. 4.2 een paar vragen, die in par. 5 beantwoord zullen worden.

4.1 Het spellingsysteem van Voorzanger & Polak en de varianten Moormann en Roskam
V&P schrijven zoals bekend (zie Den Besten 1999: 371, 2004: 265) Hebreeuws-Jiddische woorden op volgens de synagogale uitspraak van het Hebreeuws (en het Aramees), als West-Asjkenazisch Hebreeuws (en Aramees) dus. 3  Ze gaan daarbij qua spelling redelijk etymologisch te werk. Vergelijk de volgende tabel:

Tabel 1: De representatie van een aantal Hebreeuws-Aramese lettertekens bij Voorzanger & Polak (1915)

Per cel vinden we: op de eerste regel de naam van de Hebreeuwse letter, gevolgd door een aanduiding van de uitspraak in de Nederlands-Asjkenazische traditie, en op de tweede regel het transcriptiegrafeem van V&P. Merk op dat V&P de alef (d.w.z. de glottisslag) alleen binnen in het woord transcriberen.

De tabel is georganiseerd rond vier stopklanken die in bepaalde contexten gespirantiseerd worden, maar met dezelfde lettertekens geschreven blijven worden. Dit wordt enigszins nagebootst in dit spellingsysteem. Verder worden alle gelijkluidende medeklinkers zoveel mogelijk naar hun Hebreeuwse letterteken onderscheiden.

Wat betreft de uitspraak moet nog worden opgemerkt dat [w] een labiodentale w aanduidt, [’] de glottisslag en [‘] de ‘kotsklank’, die in het Nederlands Asjkenazisch onder Sefardische invloed min of meer als een velaire nasaal uitgesproken wordt. Beem (1975) registreert deze klank niet voor het Nederlands Jiddisch maar toch moet hij te onzent wel eens in het Jiddisch gebruikt zijn, want je vindt er onsystematische resten van in het Bargoens, gespeld met <ng>, <gn> of <n>. Zie De Boeventaal: gnajen, ngajin ‘70’ [= ajin], gnorel, orel ‘onbesnedene, christen’, najin ‘oog’ en zerouang ‘arm’ (nw.) en vergelijk Voorzanger & Polak (1915: 73, 141) en Kutscher (1982: 278). 4 

Moormann heeft dit spellingsysteem vereenvoudigd, door de gespirantiseerde taw als een <s> te schrijven, de gespirantiseerde beth als een <w> en de niet-gespirantiseerde taw als een <t>. Verder blijft alles hetzelfde. Dat wil zeggen. dat Moormann <g> en <ģ> niet vervangen heeft door <ch> resp. <g>.

Roskam nu schrijft als Moormann blijkens de gespirantiseerde slotmedeklinkers in dalus ‘armoede’, tinuph ‘vuil, uitwerpselen, enz.’, mélèch ‘koning’ en leiw ‘hart’. Maar verder maakt hij twee opposities ondoorzichtig: <g> [= [x]] en <ģ> [= [g]] worden bij hem <g> en de alef en de ajin worden bij hem weergegeven door een apostrof: [g]aw ‘rug’ en [x]ein krijgen dus allebei een <g> als beginletter en het juist voor Nederlands Asjkenazisch Hebreeuws belangrijke onderscheid tussen de glottisslag (alef) en de kotsklank (ajin) wordt ook weggewerkt: beide schrijft hij als een <’>. 5 

Bij de klinkers liggen de zaken eenvoudiger. V&P schrijven de monoftongen enkelvoudig. Een accent aigu duidt aan dat de klinker meer gespannen is, een accent grave meer ongespannen. Maar deze diacritische tekens worden maar beperkt gebruikt. Verder wordt [u] als <u> weergegeven, [Ou] als <au> en [Ei] als <ei>. En dan is er nog de i met trema, <ï>, die staat voor [j]+[i] en voor [i]+[j]. Moormann handhaaft dit systeem, terwijl Roskam de <ï> vereenvoudigt tot <i>.

4.2 Andere eigenaardigheden bij Roskam
Maar een paar van Roskams Hebreeuwse woorden volgen een andere spelling, zoals bijv. kossaw en kessiw, beide met een dubbele <s> of tannur ‘kachel’ met een dubbele <n>, terwijl V&P geen dubbele medeklinkers gebruiken. 6 

Ook geeft Roskam een aantal Hebreeuwse woorden in de Sefardische uitspraak. Een paar daarvan, de letternamen daleth, get en vau, komen uit de door Roskam overgeschreven Bargoense bronnen zelf, maar ergens anders vandaan komen “adónaj (der Herrgott)” en “dajan rechter; beslisser”.

Verder valt op dat zoveel Asjkenazisch Hebreeuwse equivalenten van Bargoense woorden van Hebreeuws-Jiddische komaf ontbreken: waarom wel asjk. hebr. dalus naast jidd. dalles ‘armoede’, of asjk. hebr. mélèch naast meilig ‘koning’ (jidd. meilech) en niet asjk. hebr. jaïn naast jajem of shonoh naast sjone ‘jaar’? 7 

Kortom: Waar heeft Roskam zijn Asjkenazisch Hebreeuwse woorden vandaan? Waarom geeft hij die in twee spellingen? Waarom ontbreken allerlei Asjkenazisch Hebreeuwse woorden? En waar komen de weinige Sefardisch Hebreeuwse woorden vandaan? Deze vragen zullen beantwoord worden in paragraaf 5.

5 Roskams bron: deel 1 van Moormann (1932-1934)
Mijns inziens is de bron voor het in de vorige subparagraaf genoemde Moormann (1932 - 1934) zelf. Die geeft in het eerste deel per brontekst aan welke woorden Jiddisch c.q. Romani zijn, en bij zijn etymologieën voor Jiddisch-Bargoense woorden citeert hij behalve Voorzanger & Polak (1915) ook Avé-Lallemant (1862) en Bischoff (1916) (en nog wat andere bronnen). Hiermee citeert hij ‘Jiddische’ woorden in minstens twee spellingsystemen - ook al betekent dat bij V&P en bij Avé-Lallemant dat hij eigenlijk West-Asjkenazisch Hebreeuws citeert, waar hij zich alleen bij Avé-Lallemant bewust van schijnt te zijn geweest, omdat hij een doodenkele keer bij de laatste (en bij Bischoff) de taalaanduiding “hebr.” laat vallen. 8 

5.1 De Jiddisch-etymologische lijst bij Verwoert [bron C VIII, of: 16]
Volgens Van der Sijs (in haar taalkundige inleiding pp. 18 - 22) heeft Roskam het hele boekje De Boeventaal overgeschreven en heeft hij verder via Moormanns etymologische behandeling de jiddicismen uit de noordwestelijke bron C VIII overgenomen, d.w.z. uit de lijst Verwoert van omstreeks 1860 (bron 16 in het Bronnenboek). Marginale toetsing leverde mij al direct bevestiging voor deze stelling op. Tevens blijken zo een paar ‘defecten’ t.o.v. de lijst Verwoert verklaard te kunnen worden.

Ten eerste ontbreken bij Roskam de woorden capti sjone ‘twaalf’ (met sjone ‘jaar’), colgem ‘tafel’, dolmspiese ‘slaaphuis’, koof ‘hoorn’ en “koog, twintig (zie kaf)”. Deze woorden ontbreken ook in Moormanns lijst van Verwoerts jiddicismen. De corrupte vormen capti sjone en colgem heeft hij waarschijnlijk niet herkend, het weglaten van dolmspiese is een slordigheidje, en koof en koog heeft hij blijkbaar niet kunnen herkennen als varianten van de letternamen qof (op z'n Jiddisch of op z'n Askenazisch Hebreeuws) resp. kaf (in het Asjkenazisch Hebreeuws). 9 

Ten tweede: in de lijst van jiddicismen bij Verwoert staat na dolmniese ‘slaapvrouw’ dalm schoore ‘degen’, een afschrijffout voor dolm schoore (‘slaap-waar’, dus waarschijnlijk ‘deken’). Roskam heeft deze fout overgenomen.

Verder maakt Roskam ook zelf fouten bij het overschrijven, zoals Van der Sijs aan de hand van het lemma afmetkaiem laat zien (p. 22). Een aanvullend voorbeeld betreft het corrupte woord cok. Moormann schrijft: cok, markt (is schok)” Roskam maakt daarvan: cok markt, schok.” Moormann bedoelde echter dat cok hetzelfde woord is als schok, sjok ‘markt’, dat uit het Jiddisch komt en van hebr. šūq ‘markt’ is afgeleid.

Roskam sluit dus nauw aan op Moormanns lijst van opmerkingen bij Verwoerts jiddicismen. Dat klopt ook wat betreft de keuze van de Asjkenazisch Hebreeuwse woorden. Bij veel Hebreeuws-Jiddische woorden geeft Moormann geen Asjkenazisch Hebreeuwse equivalenten. Dus kon Roskam ze ook niet citeren (tenzij hij Moormann wat systematischer had doorgewerkt). Zodra Moormann nl. een woord etymologisch behandeld heeft, zal hij bij een volgende bron die etymologie in principe niet meer herhalen, en de lijst Verwoert wordt nu eenmaal voorafgegaan door dertien zuidelijke en zeven westelijke bronnen. Dus vinden we bij Jiddisch-Bargoense woorden als kaffer ‘boer’, kauser ‘gered’ en majem ‘water’, die Roskam aan Verwoert ontleend heeft, geen Asjkenazisch Hebreeuwse tegenhangers (kaphri, kosheir en maïm).

Maar wat we wel in deze etymologische lijst vinden, zijn Asjkenazisch Hebreeuwse woorden zoals dalus ‘armoede’ en gashiwus ‘ongemakkelijk heerschap’ (in de spelling Moormann), als ook het Hebreeuwse werkwoord kossaw en het Aramese participium kessiw in de spelling Avé-Lallemant:

  ·   Gesibe: loensche -, vals geschrift; op loensche gesibe hollege. Avé-Lallemant IV 393: van kossaw ‘hij heeft geschreven’: kessiw, het staat geschreven (zie cassaafje).

Dit heeft Roskam geciteerd als “kossaw hij heeft geschreven; het staat geschreven. Zie: cassaafje.” plus een apart lemma “kessiw zie: kossaw.”

Het plagiaat is meestal veel directer. Vergelijk bijv. het volgende lemma uit Moormanns Jiddisch-etymologische lijst bij Verwoert:

  ·   smoeës, Pinksteren. Joodse shemu'aus ‘feest van de wetgeving’ (wordt wel eens ‘Pinksteren’ genoemd).

Roskam maakt hiervan:

  ·   shemu'aus feest der wetgeving (wordt wel eens Pinksteren genoemd).
  ·   smoeës Pinksteren. Joodse shemu'aus, feest der wetgeving (wordt wel eens Pinksteren genoemd).

De overeenkomsten zijn frappant, ook het gedeelde gebrek aan kennis van de joodse godsdienst, want smoeës ‘Wekenfeest, Pinksteren’ moet sjwoeës zijn en V&P vertalen shemu'auŦ (> shemu'aus) met ‘geruchten, praatjes, vertelseltjes’ (p. 282, vgl. ook p. 288 sub shmus). De vereiste vorm shoƃ u'auŦ 'Wekenfeest' (p. 288) kan op basis van smoeës niet gevonden worden, temeer omdat je moet weten dat pinksteren (christelijk) en het wekenfeest (joods) historisch met elkaar samenhangen. Moormann moest dus zelf wat bedenken en maakte een fout. Roskam, ondanks zijn joodse moeder (zie Van der Sijs inleiding, p. 25) blijkbaar niet goed bekend met een en ander, pende alles braaf over.

Roskam neemt over het algemeen letterlijk over. Vandaar dat hij Moormanns lange, encyclopedische citaat uit V&P bij het woord simonim (bij siem doen '(ver)moorden') niet inkort. Vandaar ook het vraagteken in “ba'al mazol geluksvogel (?)”. Moormann gaf hiermee zijn twijfel aan over deze etymologie bij balleme ‘aanstaan’. Roskam suggereert door dit mechanisch overnemen dat de betekenis ‘geluksvogel’ twijfelachtig zou zijn, wat niet het geval is.

Hiermee hebben we antwoord op bijna al onze vragen: Roskam heeft zijn Asjkenazisch Hebreeuwse woorden uit deel 1 van Moormann (1932 - 1934). Hij gebruikt daarbij twee spellingen, omdat Moormann voor zijn Asjkenazisch Hebreeuwse woorden verschillende bronnen raadpleegde. Allerlei Asjkenazisch Hebreeuwse woorden ontbreken echter, omdat Moormann ze al vóór de lijst Verwoert behandeld had.

5.2 De Jiddisch-etymologische lijst bij De Boeventaal [bron C IX of: 32]
Maar Roskam heeft meer Asjkenazisch Hebreeuwse woorden dan op grond van de lijst Verwoert mogelijk is. Die heeft hij, voor zover ik kan zien, allemaal ontleend aan de Jiddisch-etymologische lijst bij De Boeventaal (bron C IX c.q. bron 32). Daaraan danken we lemma's als “deroshaus ellenlange redeneringen”, “zoqein oude man”, “zoqon baard”, enz., en ook een Hebreeuwse possessiefconstructie: “besecho uw huis; uw gezin; uw huisvrouw; uw huisgenoten”. Het kleine spellingverschil met V&P, waar een <ei> in de eerste lettergreep gebruikt wordt, is aan Moormann te wijten.

Verder komt het Sefardisch Hebreeuwse lemma “adónaj (der Herrgott)” van Moormanns etymologie bij attenoj ‘hemel, zeg, kijk’: “Bischoff: Adônaj ‘der Herrgott’.” En het Sefardisch Hebreeuwse “dajan rechter, beslisser” komt van Moormanns etymologie bij het woord dajem ‘eed’, die hij weer aan V&P ontleend heeft, met de spelling dajan, in plaats van te verwachten dajon (< hebr. dajān). Echter, dajan is een religieuze titel en dat soort titels spellen V&P wel vaker op z'n Sefardisch. 10 

Ook vinden we in Moormanns lijst de oplossing voor een problematisch lemma bij Roskam: “çegokken goed geluk”. Van der Sijs wijst erop (p. 31) dat dit zowel in spelling als in betekenis verschilt van çegoqen bij V&P, dat ‘lachen, schertsen, spelen, speculeren’ betekent. Dat klopt, maar in de Jiddisch-etymologische lijst bij De Boeventaal staat het volgende lemma:

Schok, goed geluk. Op de schok gaan, uit bedelen of op avontuur uitgaan. Pol. en Voorz.: çegokken ‘goed geluk’.

Roskam citeert hier waarschijnlijk Moormann, maar Moormann blijkt hier iets van V&P te citeren dat hij niet helemaal begrepen heeft. Zoals ik al eerder heb aangegeven, leveren Voorzanger & Polak (1915) etymologisch commentaar op het Bargoens van De Boeventaal. En bij hen staat: “schok, brg. zie çegokken, goed geluk”.

M.i. bedoelen V&P hier niet dat çegoqen ‘goed geluk’ betekent. “Goed geluk” slaat terug op schok, en “zie çegokken” staat “tussen haakjes”. 11  V&P maken dus een fout in hun eigen spelling (en dat is niet de enige) en Moormann voegt daar een interpretatiefout aan toe. Roskam leidt daar een lemma “çegokken goed geluk” uit af.

5.3 De Jiddisch-etymologische lijst bij de Hilversumse bron [bron C X]
Ten slotte heb ik nog gecontroleerd of Roskam ook bron C X , die door Moormann zelf verzameld is (1926, Hilversum), via diens uittreksel van jiddicismen bij deze lijst voor zijn boekje gebruikt heeft. Dit is inderdaad het geval. Moormanns uittreksel bevat 35 ingangen. Daarvan zijn er 18 overgenomen of verwerkt in andere ingangen. Hierbij gaat het soms alleen maar om een andere spelling of om een fonologisch licht afwijkende vorm. Verder heeft hij uit het lemma scheffen in de lijst van jiddicismen (= (1a)) zijn eigen lemma rolleman (= (1b)) afgeleid:

(1)

  ·   a scheffen, trekken, zwerven; met de rolleman scheffen
  ·   b rolleman met de rolleman scheffen, trekken; zwerven. Zie: scheffen.

En uit ingangen van de vorm “woord X ^ betekenis ^ (ook woord Y)” kan hij nog eens 4 ingangen hebben afgeleid: “snorrie zie: gasterik”, hoets ‘boer’ (fout afgeschreven als ‘hoer’), mard ‘brood’ (lees: maro) en murf ‘hoofd, gezicht’. 12 

Maar hiermee zijn we er nog niet. Van der Sijs (p. 38) noemt drie woorden die expliciet aan Hilversum worden toegewezen: mol dood; doden; (Hilversum) ziek”, nörriekit (Hilversum) herberg; ook: gevangenis”, en “schoepen (Hilversum) stelen”. Behalve het laatste voorbeeld kunnen deze lemma's niet uit Moormanns etymologische lijst van jiddicismen bij deze bron worden afgeleid.

Bovendien blijken er verschillen met de eigenlijke bron 35 in het Bronnenboek. Bron 35 onderscheidt “mol , ziek, dood” en mollen, doodmaken”. Verder betekent nörriekit volgens deze bron niet ‘gevangenis’ en schoepen wordt omschreven als ‘nemen, stelen’.

We hebben dus een aantal problemen: waarom hebben alleen deze drie ingangen de geografische aanduiding “(Hilversum)”? Waarom zijn de ingangen mol en mollen zo raar in elkaar geschoven? Waarvandaan komt de betekenis ‘gevangenis’ bij nörriekit? Waarom ontbreekt de betekenis ‘nemen’ bij schoepen?

Het antwoord kan weer gevonden worden in deel 1 van Moormann. Daar staat, in Moormann (2002) op pp. 65- 67, een tabel met de Bargoense woorden die de vier door Moormann onderscheiden gebieden gemeenschappelijk hebben. Daarvoor gebruikt hij vijf kolommen omdat het noordoosten er twee krijgt toebedeeld: een voor drie in elkaar geschoven bronnen (Haaksbergen, Goor en Lochem) en een voor een bron uit Groningen. Dit alles wordt gevolgd door een kolom met Nederlandse vertalingen, hoewel regelmatig betekenissen binnen de gebiedskolommen zelf gespecificeerd worden. De kolom voor het noordwesten, kolom C, bevat gegevens uit De Boeventaal, aangevuld met drie gegevens uit de Hilversumse bron, om gaten in het bestand op te vullen. Steeds staat onmiddellijk achter het hiaatvullende woord “(Hilversum)”, eventueel gevolgd door de betekenisomschrijving. Hiermee is het lemma schoepen bij Roskam verklaard: schoepen (Hilversum)” en “stelen” in de laatste kolom leveren Roskams lemma op. De andere twee lemma's zijn het resultaat van onnauwkeurig overschrijven:

Het lemma mol is afgeleid van de regel in Moormanns tabel die tegelijk het adjectief mol en het werkwoord mollen behandelt. Uit de gebieden A en D wordt het werkwoord mollen geciteerd, uit gebied B het adjectief molle en uit gebied C wordt gemeld: mol (Hilversum), ziek”. In de Nederlandse kolom staat “dood, doden”. Men kan nu verder zelf uitrekenen hoe Roskam te werk is gegaan.

Bij het lemma nörriekit is het weer op een andere manier misgegaan. Nörriekit (van nörrie ‘jenever’) is de uitzondering ten opzicht van de woorden uit de andere regio's: heire (gebied A), hennenkeete (B), en herriekit en herrekit (D). In de laatste kolom staat: “herberg; in D ook ‘gevangenis’”. Roskam maakt daarvan: nörriekit (Hilversum) herberg; ook: gevangenis”.

5.4 Wat rest er nog van Roskams Boeven-jargon?
Volgens Van der Sijs is Roskams Boeven-jargon 2212 trefwoorden groot (p. 20) en zijn alle trefwoorden van De Boeventaal daarin opgenomen (p. 19). Nu zouden dat er 1695 zijn (p. 20), wat ruimte geeft voor 517 ingangen van andere herkomst. Maar die ruimte is m.i. ietsje groter, omdat Van der Sijs een te hoog aantal ingangen voor De Boeventaal opgeeft. Volgens mijn eigen tellingen is Boeven-jargon inderdaad 2212 ingangen groot, terwijl De Boeventaal er ‘slechts’ 1568 telt. Nu heeft Roskam daar via verdubbelen 1672 ingangen van gemaakt, zodat de vrije ruimte 540 is. 13 

Die vrije ruimte is als volgt verdeeld: 253 ingangen zijn afgeleid uit de lijst van jiddicismen bij Verwoert, 59 uit de etymologische opmerkingen bij die lijst, 88 uit de etymologische opmerkingen bij de lijst van jiddicismen uit De Boeventaal, 18 uit de lijst van jiddicismen bij de Hilversumse bron, 3 met de aantekening “(Hilversum)” uit de gebiedsvergelijking, 4 ingangen los uit Moormann, en 115 ingangen die mogelijk van Roskam zelf zijn. De 4 ingangen die waarschijnlijk door wat verder bladerwerk in Moormann tot stand zijn gekomen, zijn: “bajis zie: bages.”, “gewoer(em) begrafenis”, “grieksen luis; luizen; wandluizen.” en “versmajemer rechter-commisaris.” Bajis en versmajemer komen waarschijnlijk uit de samenvattende lijst van jiddicismen (pp. 224-250 in de nieuwe editie). Grieksen komt met betekenisbeschrijving en al uit de gebiedsvergelijkende lijst (pp. 65-67), 14  terwijl gewoer(em) begrafenis” een onjuiste afleiding is uit het lemma gewoerem in de samenvattende lijst van jiddicismen, dat opent met “gewoerem, Jd. qewuroh ‘begrafenis’.”

In Appendix 1 geef ik de cijfers uitgesplitst naar bladzijde. Ik ben voor de classificatie als volgt te werk gegaan: als een ingang geheel of gedeeltelijk uit De Boeventaal kon worden afgeleid, werd die geclassificeerd als BT. De overblijvende ingangen zijn vervolgens gescoord op V (lijst van jiddicismen bij Verwoert), Ve (etymologieën bij Verwoert), Be (etymologieën bij De Boeventaal), H (lijst van jiddicismen bij de Hilversumse lijst), H+ (de woorden met de aantekening “(Hilversum)”), M (losse gevallen uit Moormann) en R (mogelijk van Roskam).

Ik vermoed dat een gedeelte van de 115 ingangen die ik nu aan Roskam toewijs, nog wel naar BT of Ve kan worden overgeheveld (of naar M). Zo ontdekte ik pas tijdens het schrijven van dit artikel dat “brandtiejijs brandkast” uit een voorbeeld in De Boeventaal (sub steunen) is afgeleid.

6 Roskams Boeven-jargon als een mini-Moormann met extra gebreken
Doordat twee hoofdbronnen en één kleinere bron uit Moormann zijn uitgetrokken voor dit boekje, is Roskams Boeven-jargon in feite een mini-Moormann in woordenboekvorm, maar wel een met een aantal problemen:

Ten eerste bevat het een groot aantal Asjkenazisch Hebreeuwse en een paar Sefardisch Hebreeuwse woorden die niet in dit boek thuishoren omdat ze geen Jiddisch zijn, laat staan Bargoens. Verder heeft Roskam bij het overschrijven nogal wat inhoudelijke fouten gemaakt. Daarvan heb ik hierboven wat voorbeelden gegeven.

Maar ook in de spelling wijkt hij soms van zijn bronnen af. Dat is ten dele bewuste politiek: dubbele klinkertekens in open lettergrepen reduceert hij tot enkelvoudige tekens. Bijv. poorem en pooser ‘vlees’ (Verwoert) worden bij Roskam porem en poser. En de uitgang -sch wordt s. Dit zijn onschuldige veranderingen.

Daarnaast maakt hij soms fouten, wat in sommige gevallen tot alfabetische herordening leidt. Waar dat niet het geval is, is er misschien sprake van een zetfout. Bij de volgende voorbeelden zal ik, waar dat uit te maken valt, de vorm waarop gealfabetiseerd is, met een asterisk markeren. Verder gebruik ik BT, V en H om te verwijzen naar De Boeventaal, de lijst Verwoert resp. de Hilversumse lijst, en Be en Ve voor de etymologische aantekeningen bij De Boeventaal en Verwoert. Alle door mij opgetekende gevallen worden opgesomd in Appendix 2.

6.1 Een paar speciale gevallen
Een wat extreem geval is çawor*çewar ‘hals’ (Be). Çewar staat tussen cassavie en çegokken, daar waar het Asjkenazisch Hebreeuwse woord çawor (in de spelling van V&P) thuishoort. De <a> is dus in een <e> omgezet, zoals het omgekeerde gebeurd is in makaayemmakayam (V). De vervanging van <o> door <a> is verder geen punt. Met uitspraaktradities heeft dit niets te maken: in beide uitspraaktradities en in het Jiddisch bevat de eerste lettergreep een a.

Evenmin met uitspraak heeft het geval baayesbages* (V) te maken. Roskam heeft wel meer problemen met lange letters en van een [j]~[x]-wisseling c.q. een [j]~[g]-wisseling in het Jiddisch (of het Bargoens) is niets bekend. Idem dito voor het geval bengelhengel* ‘ketting’ (BT), dat door Van der Sijs van een correctie is voorzien.

Een geval apart is: gasse(r)gasoe(r) ‘zwerver’ (BT/Be; missch. van jidd. gas ‘straat’). Gasse(r) staat in De Boeventaal - niet helemaal correct - geordend vóór gassenen ‘trouwen’. Maar in zijn lijst van jiddicismen uit De Boeventaal citeert Moormann dit woord als gasoe(r), wat alfabetisch toevallig correcter is. Misschien heeft Roskam daarom deze vorm overgenomen.

Misleidend tenslotte is de omzetting nairisnarris* ‘kaars’ (V). Dit woord voor ‘lamp, licht’ heeft in de bronnen gewoonlijk een <e> (neres, neris, enz.) maar zal wel van jidd. neires, het meervoud van ner ‘licht’, komen (< hebr. nēr). Nairis bewaart de diftong die elders vanwege de r is weggewerkt. De uitspraak narris heeft nooit bestaan.

6.2 Overige spel- of zetfouten
Voor het overige vinden we bij Roskam een bonte stoet afschrijf- en/of zetfouten. Zes daarvan zijn eigenlijk grafeemsubstituties: raush (hashonoh)rausch (hashonoch) ‘Nieuwjaar’ (Ve), 15  shlemazzelschlemazzel ‘ongeluk’ (Be), shogaursjogaur* ‘zwart, donker’ (Ve), sjoechemschoechem* ‘antwoord’ (BT), sjoefeschoefe* ‘eed’ (BT) 16  en sjegsjech* ‘neus’ (BT). Opmerkelijk is verder “meelukpeezer, zakkenroller” → “melukpezen zakkenrollen” (BT).

Veel fouten komen één of twee keer voor en behoeven behalve vermelding geen nadere bespreking. Zie daarvoor Appendix 2. Een vervanging die ietsje meer voorkomt is die van <i> door <e>.

Vier keer zelfs is <q> door <g> vervangen. In twee gevallen is het woord herordend: geilèq geilèg* ‘deel van 'n geheel’ (Ve) en miqwehmigweh* ‘verzameling (van water), bad’ (Be); in één geval niet: meqatreiģ* → megatreig ‘aanklagen’(Be); en één geval is onbeslisbaar: auseiqauseig 17  ’zich bezighoudende met’ (Be). Een speciaal geval is nog de vervanging van <sj> door <sp>. Hiervan ben ik vier gevallen tegengekomen, alle gecorrigeerd door Van der Sijs. Het valt op dat de relevante ingangen niet herordend zijn.

6.3 Spellingvariatie en uitspraakvariatie
In “Zoektocht naar de herkomst van Roskams woorden” (pp. 18 - 41) gaat Van der Sijs uitvoerig in op de vraag waar Roskam zijn spelling vandaan heeft, omdat er geen peil op te trekken valt. Het enige houvast dat er lijkt te zijn, is het gebruik van een spelling à la V&P voor de Asjkenazisch Hebreeuwse weergave van Hebreeuws-Jiddische woorden. Terecht zegt zij hierover: “Wel is het de vraag in hoeverre dergelijke woorden daadwerkelijk in het Bargoens zijn gebruikt - het blijft vreemd: Bargoense woorden uit schriftelijke koker.” (p. 32)

Daar ben ik het geheel mee eens, want het overgrote deel van Roskams woorden komt inderdaad uit schriftelijke koker, nl. uit Moormann (1932 - 1934). Vandaar die bijna consequente spelling voor Asjkenazisch Hebreeuwse woorden, die slechts wordt aangetast door een paar woorden uit Bischoff en Avé-Lallemant en door foutjes als çawor* → çewar, mauromaurd en zeraua zerana.

Voor het overige geeft Roskam - ondanks de genoemde afschrijf- en/of zetfouten - zijn bronnen nauwkeurig weer. Die bronnen vertonen intern en onderling spellingvariatie. Dus vind je die ook bij Roskam: <sj> ~ <sch>, <k> ~ <c> en soms ook <kh> (in De Boeventaal), <g> ~ <ch>, <f> ~ <v>, <ei> ~ <ij>, <ou> ~ <au> en <e> ~ <u> ~ <i> voor een sjwa in een gesloten lettergreep op woordeinde. 18  Voeg daar de spelling V&P voor de Asjkenazisch Hebreeuwse woorden aan toe en we krijgen: <sj> ~ <sch> ~ <sh>, <k> ~ <c> ~ {<k> of <q>} en soms ook <kh>, <g> ~ <ch>, <f> ~ <v>, <f> ~ <ph> na klinkers, <ei> ~ <ij>, <ou> ~ <au> en <e> ~ <u> ~ <i> voor een sjwa in een gesloten lettergreep op woordeinde. 19 

De zaak wordt echter gecompliceerd doordat <g> behalve [x] ook [g] kan aanduiden, [g] en [k] elkaar kunnen afwisselen, en <c> - althans in de lijst Verwoert en dus ook in Roskams Boeven-jargon - voor [k] of [š] kan staan.

6.3.1 De <c> van Verwoert
Om met het laatste te beginnen, Verwoert heeft 11 ingangen die beginnen met een <c>, waarvan er 7 in Moormanns etymologische behandeling van Verwoerts lijst optreden, en dus ook in Roskams Boeven-jargon. Bij sommige woorden, zoals capore ‘dood, kapot’ en cassaafje ‘briefje’, spreekt de interpretatie van <c> als [k] vanzelf. Bij sommige andere woorden, zoals caskene ‘drinken’, ligt de zaak ingewikkelder. Zonder commentaar laat Moormann (2002: 228, 244 - 245) blijken dat <c> voor [š] zou kunnen staan: caskene correspondeert met barg. sjask(en)en/sjaskelen ‘drinken’ (< jidd. sjaskenen), terwijl de niet-ingewijde kaskenen denkt te lezen. Maar er zijn nog vier andere woorden bij Verwoert waar <c> [š] aanduidt, waaronder colgem ‘tafel’ (< ndl. jidd. sjolchen ‘id.’). 20 

6.3.2 Velaire obstruenten en Roskams spelfouten en onnauwkeurigheden
Zoals al aangegeven, verwisselt Roskam soms V&Ps <q> met een <g> en heeft hij hun oppositie <g> ~ <ģ> (= [x] ~ [g]) vervangen door een dubbelzinnig teken <g>. Hierdoor is Van der Sijs één, misschien twee keer op een dwaalspoor gebracht. Het gaat hier om (a) de afwisseling tussen jidd. [g] en barg. [k] en (b) de interpretatie van het grafeem <g> in Jiddische woorden.

In sommige Jiddische leenwoorden gaat een [k] terug op een Jiddische stemhebbende stopklank [g]: kift, kimmel ‘drie’, kapsones (< gift, gimmel, gawsones), terwijl in een leenwoord als gannef de [g] door spellinguitspraak (of misschien bewuste vernederlandsing) een wrijfklank geworden is. (Vgl. Den Besten 1999: 370.)

Van der Sijs wijst in dit verband op variatie tussen <g> en <k> (begrepen als [g] resp. [k]) bij ‘Roskam’: “gewoer(em), kewoere ‘begrafenis’; gif, kif ‘boosheid’; gooi, kooi ‘christen’; en migweh, mikwe ‘bad’” (pp. 27 - 28). Echter, het paar migweh, mikwe hoort hier niet thuis, omdat migweh een afschrijffout voor miqweh is (zie boven). Bovendien is er bij gewoer(em), kewoere (< hebr. qevūrā) eigenlijk van het omgekeerde proces sprake: [k]→[g], maar dat is een andere kwestie. 21 

Nu heeft Roskam in de Asjkenazisch Hebreeuwse woorden de oppositie [g] ~ [x] onzichtbaar gemaakt. Dat is jammer omdat je zo voor die woorden en de daarmee corresponderende Hebreeuws-Jiddische woorden niet weet of er een wrijf- of een stopklank bedoeld is. Soms geeft spellingvariatie daar uitsluitsel over, zoals bij lechem, legem, legum ‘brood’. Aan het woordbegin is zulke variatie niet te verwachten en je zou dus kunnen denken dat het ooit [g]abber/[g]oweir of [g]ein was, quod non.

Van der Sijs lijkt slachtoffer van deze suggestie, 22  wanneer zij in een passage over de verschillende grafemen voor de k-klank ook vermeldt: “gein ‘plezier’ naast khein ‘slim‘” (p. 31) - hoewel strikt genomen gein hier niet thuishoort, omdat <g> geen k-klank weergeeft.

Verder veroorzaakt ze voor de lezer potentiële verwarring als ze op p. 22 als ‘spellingvarianten’ het rijtje gabber, gavver, gewerber, goweir ‘kameraad’ geeft. Maar dat is te danken aan Moormann, die gewerber met veel fantasie van jidd. chewre ‘vereniging’ afleidt (d.w.z. à la V&P van gèwro), terwijl het natuurlijk samenhangt met du. Gewerbe ‘beroep’ en dus met een [g] begint. De overige woorden hebben net als chewre een [x]. 23 

6.3.3 Sefardisch en Asjkenazisch Hebreeuws
Van der Sijs gaat uitvoerig in op het voorkomen in Roskams boekje van Hebreeuwse woorden met - lijkt het - Sefardische uitspraak (pp. 23 - 27). Ze besluit dat gedeelte met de overweging dat de Hebreeuwse woorden gezien de uitspraakvarianten wel in joodse kring moeten zijn opgetekend, omdat alleen daar die uitspraakvarianten bekend konden zijn. “Als Roskam had overgeschreven uit het woordenboek van Voorzanger en Polak - een mogelijkheid die niet uit te sluiten valt -, dan zou hij alleen de Asjkenazische uitspraak hebben weergegeven en niet de Sefardische.” (pp. 26 - 27)

De werkelijkheid is echter weerbarstiger. V&P geven ook een aantal woorden uit de Sefardische traditie in de Sefardische uitspraak, gemarkeerd met sph. Bovendien geven zij religieuze titels, zoals dajan, in de Sefardische vorm, zonder dat met sph. aan te geven. Maar afgezien daarvan, Roskam heeft al zijn Hebreeuwse woorden uit Moormann, zoals ik boven beargumenteerd heb, en Moormann haalt ze weer uit V&P, Avé-Lallemant en Bischoff. De eerste twee geven in principe de Asjkenazische uitspraakvariant, Bischoff de Sefardische of ‘wetenschappelijke’. Aan alledrie danken we een ‘Sefardisch’ woord: dajan (V&P, zie boven), adónaj (Bischoff, zie boven) en essew ‘kruid, vooral rook- en snuiftabak’ (Avé-Lallament).

Van der Sijs plaatst de laatste vorm (< hebr. 'ēsev) tegenover de Bargoense vorm eytsef ‘tabak’ en concludeert dat essew Sefardisch is. Essew is echter een Sefardische variant bij toeval. Avé-Lallemant, die Asjkenazisch Hebreeuws weergeeft, had als Duitstalige blijkbaar moeite met de diftong [Ei] en gaf die met een <e> weer. Zo schrijft hij ner ‘licht’, schoter/schauter ‘politiebeambte’' 24  en ook essew, in plaats van neir, schauteir resp. eissew.

Overigens kan, anders dan Van der Sijs denkt, het diftongeringsargument niet zomaar in stelling worden gebracht, omdat de zogenaamde Jiddische verkortingsregel de Hebreeuwse [ē] en [ō] in gesloten lettergrepen aan de Asjkenazische diftongering onttrekt (zie Katz 1993). Daarom zeggen we lef en sof en niet leif en souf, zoals in het Asjkenazisch Hebreeuws. 25  Dit betekent dat het Jiddisch soms aan de Sefardische kant staat (zij het meestal aan de Asjkenazische). 26 

Dezelfde verkortingsregel onttrekt hebr. [ā] in gesloten lettergrepen aan de Asjkenazische verhoging tot een o-klank, zodat hebr. kāf ‘k, 20’ en jāð ‘hand’ in het Bargoens gewoonlijk als kaf en jat optreden. Weer een 'Sefardisch' kenmerk van het Jiddisch.

Een betrouwbaarder criterium lijkt de oppositie tussen asjk. [s] en sef. [t] dat Van der Sijs samen met het criterium asjk. [o] vs. sef. [a] op p. 26 naar voren brengt. Ze verwijst daarbij naar de volgende letter- c.q. getalsnamen: daleth, dallet, dold, dollet ‘d, 4’, zain, zojen, soyen ‘z, 7’ en ges, get ‘cheth, 8’.

Het klopt dat daleth/dallet, zain en get Sefardische varianten zijn, maar de vraag is of we daar iets aan hebben in die zin dat we zouden mogen besluiten dat het Bargoens uit Asjkenazisch èn Sefardisch Hebreeuws ontleend heeft. Om te beginnen valt op dat deze variatie zich juist voordoet bij de letternamen. We moeten ons dus afvragen waarom dat het geval is. Verder valt op dat dold/dollet niet classificeerbaar is: het heeft de sluit-t van het Sefardisch en de o van het Asjkenazisch (< hebr. dâleþ; vergelijk doles ‘d’ bij V&P). Rara, hoe kan dat?

Het antwoord luidt dat letternamen tot het ‘schoolse’ repertoire behoren en dat het Jiddisch zich hier in de loop van de tijd gedeeltelijk aan het ‘geleerde’ Sefardische Hebreeuws heeft aangepast.

In het standaard-Jiddisch van nu luiden de drie genoemde letternamen: dalet, zajen en ches (Niborski & Vaisbrot 2002). Van deze drie lijkt ches zuiver Jiddisch (< hebr. ħēþ), maar er is reden om te denken dat het een compromis tussen Asjkenazisch cheis en Sefardisch chet is en wel omdat de moderne lijst van letternamen als geheel een compromis tussen Asjkenazisch en Sefardisch Hebreeuws is met bijvoorbeeld Sefardisch alef ‘alef’ naast Asjkenazisch beis ‘b’. Een vergelijking van Voorzanger & Polak (1915), Beem (1975) en Niborski & Vaisbrot (2002) leert dat in de loop van de tijd steeds meer Asjkenazische letternamen door Sefardische vervangen zijn en Jiddische door Asjkenazisch Hebreeuwse, terwijl Jiddische vormen zoals ches alleen maar gehandhaafd konden worden als een compromis tussen Asjkenazisch en Sefardisch mogelijk was.

Sefardisch Hebreeuwse letternamen zeggen dus niet zo veel. Het zijn waarschijnlijk allemaal ‘geleerde’ leenwoorden in het Nederlandse Jiddisch, die hun weg naar het Bargoens gevonden hebben. 27 

7 Tot besluit
Het voorafgaande kan als volgt worden samengevat: Roskams Boeven-jargon is grotendeels overgeschreven uit Moormann (1932 - 1934). De spellingvariatie in Boeven-jargon is gelijk aan de spellingvariatie binnen en tussen de bronnen, die Roskam - zij het met fouten - gewoon heeft overgenomen. Roskam biedt hier dus niets nieuws.

Hetzelfde geldt - op een andere manier - voor de Hebreeuwse woorden die Roskam (ten onrechte) als Bargoense woorden geciteerd heeft. Ook hier bepalen de bronnen waaruit Moormann deze woorden gehaald heeft (ten bate van zijn etymologieën voor Jiddisch-Bargoense woorden), de spelling ervan. Deze injectie van Hebreeuwse woorden is echter kunstmatig, en hetzelfde geldt voor de daarmee geïntroduceerde onderverdeling in Asjkenazisch Hebreeuwse woorden (veel) en Sefardisch Hebreeuwse (weinig).

Niet kunstmatig daarentegen is het onderscheid tussen Asjkenazisch en Sefardisch Hebreeuwse letternamen, maar het gaat hier uiteindelijk om het sefardiseren van deze letternamen in Asjkenazische kring.

Dan blijven er nog twee vragen over. Ten eerste: zitten er bij de overblijvende 115 lemma's nog interessante Jiddische woorden?

Het antwoord is: nauwelijks. Er zijn 20 jiddicismen, waarvan er 13 al bekend zijn. Van de overblijvende 7 zijn er drie eigenlijk één lemma: kriee, kries, krije (kries wrsch. meervoud), uitgelegd als “een strop kopen (speciaal in de diamanthandel)”, maar m.i. gewoon ‘strop, tegenslag’ (zie V&P sub krie). Blijven over: (1) “bais bedstee”. Dit doet denken aan baïs ‘huis’ bij V&P en is misschien afgeleid uit een lemma dat ik over het hoofd heb gezien. (2) “roe-e rakker(d). Een gelegenheidsroe-e heler; helper; vertrouwensman,” Dit doet denken aan de volgende twee woorden uit Beem (1975): ro-e1 ‘(het) kwaad’ en ro-e2 zijn ‘geschikt, waardig zijn’. Maar het verband is niet zeker. (3) “be-kaf in de macht van iemand komen. Zij is be-kaf, staat onder algehele invloed van haar vent. Willoze vrouw van een souteneur.” (met een verwijzing sub kaf naar be-kaf). Dit is hebr.-jidd. be-kaf ‘in (de) kaf”, met kaf ‘k’ als acroniem voor jidd. kou(e)ch ‘kracht, macht’ (< hebr. kōaħ).

Het is niet veel, maar toch wel aardig, wat Roskam ons hier biedt.

Mijn tweede en laatste vraag is wat brisanter: heeft Moormann werkelijk niet gemerkt dat die Asjkenazisch (en Sefardisch) Hebreeuwse woorden (die voor hem natuurlijk Jiddische woorden waren) uit zijn eigen boek overgeschreven waren?

Het antwoord moet luiden: nee, hij heeft het niet gemerkt. In zijn excerpt uit Roskams Boeven-jargon zitten 83 Hebreeuwse ingangen (op een totaal van 229 ingangen). Zo'n 43 Hebreeuwse ingangen liet hij vervallen - waarschijnlijk vanwege grote gelijkenis in vorm en betekenis met al bekende woorden (waarbij hij <sj> en <sh> als equivalente grafemen opvatte (p. 631)).

Maar de spelling à la V&P - met <sh>, <-oh>, <ç> en <q> - deed blijkbaar geen belletje bij hem rinkelen. En zo handhaafde hij het rare lemma “adónaj, (der Herrgott)” al verwijst hij wel naar zijn eigen woordregister sub attenoj(e), waar echter alleen maar staat “Jd. Adônaj” (p. 225 in de nieuwe editie). 28  Had hij zijn etymologische behandeling van De Boeventaal ingezien, dan was hem misschien een lichtje opgegaan.

Maar als hij met “woordregister” inderdaad de samenvattende lijst van jiddicismen bedoelt, moet hij tot in details overeenkomende betekenisomschrijvingen zijn tegengekomen, zoals “mi'us verachting; lelijkheid”. Dit staat precies zo sub mies in de samenvattende lijst en Moormann verwijst tussen haakjes naar het “woordregister s.v. mies”.

Maar het is blijkbaar niet tot Moormann doorgedrongen en zo vinden we bij simonim een lang encyclopedisch citaat, dat uiteindelijk teruggaat op V&P, en bij “géwro vereniging, genootschap, bond” Moormanns eigen etymologie voor gewerber ‘kameraad’: “een gewerber is dus medelid van een [géwro]”. Jammer dat Moormann zelfs dat niet opgemerkt heeft.

Bibliografie
1. Althaus, H.P. (2003). Kleines Lexikon deutscher Wörter jiddischer Herkunft. München : Beck.
2. Avé-Lallemant, F.Ch.B. (1862 [1980]). Das deutsche Gaunertum in seiner social-politischen, literarischen und linguistischen Ausbildung zu seinem heutigen Bestande. 4e deel. Leipzig: Brockhaus. [Facsimile-editie. Hildesheim/New York: Olms.]
3. Beem, H. (1959). Jerosche: Jiddische spreekwoorden en zegswijzen uit het Nederlandse taalgebied. Assen: Van Gorcum. [Zie ook Beem (1998).]
4. Beem, H. (1975). Sje'erit: resten van een taal. Woordenboekje van het Nederlandse Jiddisch. 2e druk. Assen: Van Gorcum.
5. Beem, H. (1998). Jerosche: Jiddische spreekwoorden en zegswijzen uit het Nederlandse taalgebied. Derde, ongew. dr., aangevuld met een voorwoord van Joël Cahen. Amstelveen: Boekhandel & antiquariaat Blankevoort.
6. Besten, H. den (1999). Bespreking van Sanders (1999). Nederlandse Taalkunde 4: 367-372.
7. Besten, H. den (2004). Bespreking van Moormann (2002). Nederlandse Taalkunde 9: 263-266.
8. Bischoff, E. (1916). Wörterbuch der wichtigsten Geheim- und Berufssprachen. Jüdisch-Deutsch, Rotwelsch, Kundensprache; Soldaten-, Seemanns-, Weidmanns-, Bergmanns- und Komödiantensprache. Leipzig: Grieben.
9. Bolhuis, E.G. van (1937). De Gabbertaal: woordenlijst van het Bargoens. Ede: Niessen.
10. Endt, E. & L. Frerichs (1974). Bargoens woordenboek: kleine woordenschat van de volkstaal: volkstaal-ABN, ABN-volkstaal. 2e, verb. en verm. druk. Amsterdam: Erven Thomas Rap.
11. Heikens, H., H.D. Meijering, H. Pach, J. de Rooij, A. Rosenberg & A. Zwiers (2002). Hebreeuwse en Jiddische woorden in het Nederlands. Spelling - uitspraak - buiging - herkomst - betekenis. Den Haag: Sdu Uitgevers.
12. Hinskens, F. & N.G. Jacobs (1997/te versch.). Jewish Dutch: historical and sociolinguistic perspectives on an extinct ethnolect. - Tekst van een lezing voor NWAVE 26. Te versch. onder nader vast te stellen titel in: N.G. Jacobs (red.), The children of Yiddish: studies in post-Yiddish ethnolects.
13. Jacobs, N.G. (2005). Yiddish. A Linguistic Introduction. Cambridge: CUP.
14. Katz, D. (1993). The Phonology of Ashkenazic. In L. Glinert (red.) Hebrew in Ashkenaz. A Language in Exile. 47-87. New York & Oxford: Oxford University Press.
15. Köster Henke, W.L.H. (1906). De Boeventaal, zakwoordenboekje van het Bargoensch, of de taal van de jongens van de vlakte, in woorden en zinnen alfabetisch gerangschikt. Dokkum: Schaafsma & Brouwer.
16. Kutscher, E.Y. (1982). A History of the Hebrew Language. Jerusalem: The Magnes Press, the Hebrew University / Leiden: Brill.
17. Moormann, J.G.M. (1932-1934). De Geheimtalen. Deel 1: Een studie over de geheimtalen in Nederland, Vlaamsch-België, Breyell en Mettingen. Deel 2: Bronnenboek. Zutphen: Thieme.
18. Moormann, J.G.M. (2002). De Geheimtalen. Het Bargoense standaardwerk met een nieuw, nagelaten deel, bezorgd door Nicoline van der Sijs, met een inleiding van Enno Endt. Amsterdam/Antwerpen: Veen.
19. Niborski, Y. & B. Vaisbrot (2002). Yidish-frantseyzish verterbukh / Dictionnaire yiddish-français. Avec le concours de S. Neuberg. Parijs: Bibliothèque Medem.
20. Roskam, H. (2002). Boeven-jargon. Bezorgd door Ewoud Sanders en Nicoline van der Sijs. Amsterdam/Antwerpen: Veen.
21. Sanders, E. (red.) (1999). Boeventaal & Gabbertaal. Twee Bargoense woordenboekjes uit de eerste helft van de 20ste eeuw. Ingeleid door ---. Amsterdam: de Bijenkorf.
22. Voorzanger, J.L. & J.E. Polak (1915). Het Joodsch in Nederland: aan het Hebreeuwsch en andere talen ontleende woorden en zegswijzen. Amsterdam: Van Munster.
Appendix 1: De herkomst van de ingangen bij Roskam
Verklaring van de afkortingen:
Pag. : paginanummer - Tot.pag.: aantal ingangen per pagina - BT : ingangen op basis van De Boeventaal - V: ingangen uit de lijst Verwoert - Ve: ingangen op basis van Moormanns etymologische opmerkingen bij de lijst Verwoert - Be: ingangen op basis van Moormanns etymologische opmerkingen bij De Boeventaal - H: ingangen uit de Hilversumse lijst - H+ 'Hilversumse' ingangen op basis van de gebiedsvergelijking (pp. 65-67) - M: ingangen die op een of andere manier ook uit Moormann gehaald zijn - R: restgevallen, mogelijk oorspronkelijk

Pag.

Tot.
pag.

BT

V

Ve

Be

H

H+

M

R

P45

22

16

--

--

1

--

--

--

5

P46

25

14

5

1

3

--

--

--

2

P47

26

16

6

1

--

--

--

1

2

P48

23

19

1

1

2

--

--

--

--

P49

21

16

3

1

--

1

--

--

--

P50

25

18

1

1

4

--

--

--

1

P51

26

20

3

--

1

--

--

--

2

P52

24

19

3

--

--

--

--

--

2

P53

27

23

--

1

--

--

--

--

3

P54

27

20

2

--

--

--

--

--

5

P55

25

12

7

1

4

--

--

--

1

P56

28

22

4

1

1

--

--

--

--

P57

21

15

4

--

2

--

--

--

--

P58

27

24

2

--

--

--

--

--

1

P59

26

20

2

3

--

--

--

--

1

P60

22

20

2

--

--

--

--

--

--

P61

24

20

1

--

1

--

--

--

2

P62

24

15

6

1

1

--

--

--

1

P63

28

15

2

2

7

2

--

--

--

P64

25

19

3

2

1

--

--

--

--

P65

23

14

7

1

1

--

--

--

--

P66

25

20

2

1

1

--

--

1

--

P67

27

19

6

--

--

--

--

--

2

P68

27

19

5

3

--

--

--

--

--

P69

23

19

1

--

2

--

--

1

--

P70

18

15

3

--

--

--

--

--

--

P71

27

24

2

--

--

--

--

--

1

P72

21

16

1

--

1

1

--

--

2

P73

21

17

4

--

--

--

--

--

--

P74

25

19

4

--

--

--

--

--

2

P75

30

15

14

--

--

1

--

--

--

P76

25

17

6

--

1

--

--

--

1

P77

27

21

3

1

--

1

--

--

1

P78

23

20

1

--

--

1

--

--

1

P79

26

21

2

3

--

--

--

--

--

P80

25

19

5

--

--

1

--

--

--

P81

23

17

5

--

--

--

--

--

1

P82

22

18

3

--

--

--

--

--

1

P83

25

23

--

--

--

--

--

--

2

P84

21

15

5

1

--

--

--

--

--

P85

22

14

6

1

--

--

--

--

1

P86

26

22

--

--

1

--

--

--

3

P87

22

18

2

1

--

--

--

--

1

P88

26

15

3

2

1

1

--

--

4

P89

19

16

1

--

1

--

--

--

1

P90

24

22

--

--

--

1

--

--

1

P91

23

18

1

1

2

--

--

--

1

P92

25

22

2

--

--

--

--

--

1

P93

22

14

2

2

1

2

--

--

1

P94

26

15

2

4

5

--

--

--

--

P95

23

14

6

2

1

--

--

--

--

P96

24

19

--

1

4

--

--

--

--

P97

23

14

4

1

3

--

--

--

1

P98

18

12

2

--

2

--

1

--

1

P99

27

18

7

--

--

1

--

--

1

P100

25

20

3

1

--

--

--

--

1

P101

18

16

1

--

--

--

1

--

--

P102

19

16

1

--

2

--

--

--

--

P103

24

18

2

--

3

--

--

--

1

P104

26

21

1

--

2

--

--

--

2

P105

21

18

1

1

1

--

--

--

--

P106

24

24

--

--

--

--

--

--

--

P107

19

13

2

--

--

--

--

--

4

P108

21

18

--

--

--

--

--

--

3

P109

23

18

3

--

1

--

--

--

1

P110

25

18

--

3

3

--

--

--

1

P111

25

17

2

2

3

--

--

--

1

P112

24

16

5

--

--

1

--

--

2

P113

25

21

2

--

1

--

--

--

1

P114

24

16

5

--

1

--

--

--

2

P115

18

11

3

--

2

--

1

--

1

P116

23

15

6

--

--

1

--

--

1

P117

28

20

3

1

1

--

--

--

3

P118

23

8

3

4

7

--

--

--

1

P119

30

25

3

--

--

1

--

--

1

P120

29

21

5

1

--

1

--

--

1

P121

25

22

2

--

--

--

--

--

1

P122

26

20

3

--

--

1

--

--

2

P123

29

24

5

--

--

--

--

--

--

P124

20

16

--

--

--

--

--

--

4

P125

28

24

3

--

--

--

--

--

1

P126

27

16

6

2

--

--

--

--

3

P127

22

17

1

1

1

--

--

--

2

P128

21

15

3

--

1

--

--

--

2

P129

23

19

2

--

--

--

--

--

2

P130

17

15

1

--

--

--

--

--

1

P131

26

23

--

--

--

--

--

--

3

P132

18

15

1

--

--

--

--

--

2

P133

20

18

--

--

--

--

--

1

1

P134

21

19

1

--

--

--

--

--

1

P135

24

20

--

1

--

--

--

--

3

P136

29

23

--

1

4

--

--

--

1

P137

12

12

--

--

--

--

--

--

--











GT

2212

1672

253

59

88

18

3

4

115



BT

V

Ve

Be

H

H+

M

R


Appendix 2: Overschrijf- en zetfouten
Legenda: BT (De Boeventaal), V (de lijst Verwoert), H (de Hilversumse lijst), Be (etymologische opmerkingen bij De Boeventaal), Ve (etymologische opmerkingen bij Verwoert), gecorrigeerd (gecorrigeerd door Van der Sijs)

NB1: Fouten bij het overnemen van accenttekens zijn niet meegerekend, noch gevallen van modernisering van de spelling. Evenmin zijn de gevallen van vereenvoudiging van de spelling V&P/Moormann meegenomen, waartoe ik ook maar reken de vier gevallen van ajin-weglating. Weliswaar is het laatste een fout tegen het spellingsysteem V&P/Moormann/Roskam, maar het hoort bij dezelfde onwetendheid waarmee Roskam de spelling V&P/Moormann vereenvoudigd heeft.

NB2: Er wordt geen aanspraak gemaakt op volledigheid.

Klinker
a → e: çawor*çewar (Be)

e → Ø: besjolemenbesjolmen (BT)

e → a: makaayemmakayam (V)

e → i: kinnef kinnif (H), smeerkanes smeerkanis (BT)

e → ie: me fokse me foksie (bij fokse) (BT), horlogehorlogie (bij loep) (BT)

e → t: tiejijspeezer* → titjijspezer (BT) (gecorrigeerd)

ee → e: eescheesche* (BT)

ei → e: beneï jisro'eilbeneï jisro'el (Ve)

ei → ie: shauteirshautier (Be)

i → e: baljisrool baljesrool (BT), sjiks voor de bonjé sjeks voor de bonjé* (H), tampil tampel (BT).

i → r: nairisnarris* (V)

o → a: çawor*çewar (Be)

o → d: maromard* (H) (gecorrigeerd), mauromaurd (Be)

o → e: boosor boser (BT), tjakmoos tjakmoes (BT)

o → oe: sjofel* sjoefel (BT)

oe → ie: gewoerig maken* → gewierig maken (BT)

oh → d: sereiphoh sereiphd (Be) (gecorrigeerd als sereiphe)

u → n: zeraua' zerana' (Be)

Medeklinkers
b → h: bengelhengel* (BT) (gecorrigeerd), boerhoer (sub hoets) (H) (gecorrigeerd)

g → ch: sjegsjech* (BT)

h → ch: (raush) hashonoh(rausch) hashonoch (Ve)

h → w: tiphlohtiphlow (Ve)

je → Ø: witjewit (BT)

l → f: olf off* (BT) (gecorrigeerd)

m → n: beginnembeginnen (BT), simomimsimonim (Ve) 29 

nn → n: pennooze* penoze (BT)

q → g: 'auseiqauseig (Be), 30  geilèq geilèg* (Ve), miqwehmigweh* (Be); meqatreiģ* → megatreig (Be).

r → Ø: kousjerkousje (BT)

r → n: “meelukpeezer, zakkenroller” → “melukpezen zakkenrollen” (BT)

rt → k: sjiebaart sjiebaak (BT)

s → o: gasse(r)gasoe(r) (BT/Be)

s → ss: casaviecassavie* (BT)

s → z: gesewerdgezewerd* (BT) [uit het lemma “gezeeferd of gesewerd” (BT); daarnaast gesewerd uit het lemma geseewerd (BT)]

sh → sch: raush hashonohrausch hashonoch (Ve), shlemazzelschlemazzel* (Be)

sh → sj: shogaursjogaur* (Ve)

sj → sch sjoechemschoechem* (BT) [daarnaast: “sjoechem zie schoechem.”], sjoefeschoefe* (BT)

sj → sp: katsjef* → katspef (BT) (gecorrigeerd), loensche sjoefe loense spoefe (BT) (gecorrigeerd), sjaak* → spaak (BT) (gecorrigeerd) en sjakt (sub sjad mie louw)→ spakt (BT) (gecorrigeerd)

ts → st: kwats kwast (BT)

w → u: watjekow watjekou (BT)

w → vv: gaweirimgavveirim* (Be)

y → g: baayesbages* (V)

y → j: balleboos (van 't baayes)balleboos (van 't bajes) (V) [Dit kan echter worden gezien als deel van de modernisering van de spelling: baayes bayesbajes. Vgl. bages uit baayes.]


Noten
 1  Adres: Theoretische Taalwetenschap, UvA, Spuistraat 210, 1012 VT Amsterdam - e-mail: j.b.denbesten@uva.nl - Dit artikel is een toevallig vervolg op Den Besten (2004), dat ik tussendoor op het NIAS geschreven heb. Geïntrigeerd door Moormanns excerpt uit Boeven-jargon, en later door Van der Sijs' inleiding bij dit boekje heb ik in een paar avonden de herkomst van Roskams woorden en voorbeelden geanalyseerd. Waar sabbaticals al niet goed voor zijn.
 2  Post-Jiddisch Nederlands is het Nederlands van mensen wier familie oorspronkelijk Jiddischtalig was. Para-Jiddisch Nederlands is het Nederlands van mensen die ook nog steeds Jiddischtalig zijn.
 3  V&P geven beperkt ook echt Jiddische woorden van Hebreeuwse komaf: (a) woorden met Duitse morfologie, zoals jaarshenen ‘erven’; (b) ‘Aramese’ feminina van Hebreeuws-Jiddische woorden zoals ģannefte ‘dievegge’, (c) woorden die niet op grond van de Asjkenazische klankvorm voorspeld kunnen worden, zoals toƃ 'goed' naast asjk. hebr. tauƃ ‘id.’; (d) woorden die ongrammaticaal Hebreeuws zijn, zoals het meervoud gateiŦ im. De spelling blijft echter conservatief etymologiserend.
 4  In het Jiddisch is de ajin met de alef samenvallen en kan daarom ook wegvallen. Maar hebr. a'a en a'a leveren soms [Ei] in het Jiddisch op. Zie Beem (1975: 3e blz. v.h. voorwoord) en Jacobs (2005: 26).
 5  Van der Sijs ziet Roskams uniforme <’> aan voor de representatie van “[d]e Hebreeuwse ‘glottal stop’” (p. 30). Maar in drie van de negen door haar geciteerde voorbeelden gaat het om een ajin.
 6  Kessiw is de technische term bij de bijbellezing voor wat wel geschreven staat (aram. keþîv) maar niet zo opgelezen wordt (aram. qerē'). Kossaw, is zuiver Asjkenazisch Hebreeuws - dus niet als Asjkenazisch Hebreeuws vermomd Jiddisch - en betekent ‘hij heeft geschreven, hij schreef’ (< hebr. kâþav).
 7  Voor (West)-Jiddische woorden bezig ik een spelling à la Beem (1975). Deze verschilt licht van die in Heikens et al. (2002): Nederlandse grafemen zoals <ch>, <sj>, <oe> en <ie>, <g> voor een stemhebbende velaire stopklank en uniform <w> waar Heikens et al. <v> en <w> onderscheiden.
 8  Avé-Lallemant organiseert zijn als Asjkenazisch Hebreeuws vermomde Jiddische woorden aan de hand van Hebreeuwse wortels, die zo mogelijk gerepresenteerd worden door Hebreeuwse werkwoorden preteritum, 3e pers. mnl. enkv., zoals kossaw (zie boven). - Bischoff onderscheidt j (“Jüdisch-Deutsch” = Jiddisch), h (Klassiek Hebreeuws), a (Aramees) en r (“Rabbinisch” = Misjna-Hebreeuws).
 9  Voor colgem ‘tafel’ vergelijk ndl. jidd. sjolchen ‘id.’. Koof is een acroniem voor hebr. qeren ‘hoorn’ (< hebr. qōf). Koog is een verbastering van asjk. hebr. kof ‘k, 20’ ( hebr. kāf). Capti sjone ‘twaalf (jaar)’is misschien kaf-tis sjone ‘twintig-negen jaar’, d.w.z. ‘29 jaar’, hoewel ‘20 min 9 [= 11]’ bedoeld lijkt te zijn. - Over koof nog het volgende: hebr. qōf hoort klankwettig in het Jiddisch kof te worden en in het West-Asjkenazisch Hebreeuws kouf (qauph bij V&P). Zowel jidd. *kof als w.-asjk. hebr. kouf kan ten grondslag liggen aan de vorm koof. De normale naam voor de qof is echter koef. Dit komt misschien van een alternatieve lezing van hebr. <qwp> [= qōf] als qūf, maar het voorkomt in ieder geval verwarring.
 10  Andere gevallen zijn darshan ‘verklaarder, oefenaar’, ba'al darshan ‘predikant’.
 11  Dit doen V&P wel vaker. Zie de lemma's bajes, baljisrool, barrasch, beginnem, enz.
 12  De ingang “murf hoofd; gezicht.” komt eerder uit de lijst van jiddicismen, waar staat “porum, hoofd, gezicht (ook murf)” dan uit de volledige bron, waar staat “murf, gezicht (vgl. porum)” en “porum, hoofd, gezicht (vgl. murf) [...]” Dit verklaart ook waarom Roskam het voorbeeld dat in de volledige bron bij porum gegeven wordt, niet geciteerd heeft.
 13  Roskam is goed in 'verdubbelen'. Bijvoorbeeld: uit tuffel (of tiffel), kerk” in De Boeventaal (editie Moormann) maakt hij twee ingangen: tiffel zie: tuffel”en tuffel kerk”. Ook haalt hij wel eens een woord uit een voorbeeld, enz. - Van der Sijs' aantal van 1695 “trefwoorden” in De Boeventaal is misschien gebaseerd op Sanders (1999: 21), waar sprake is van 1696 “woorden en uitdrukkingen” in De Boeventaal.
 14  Moormann schrijft eigenlijk ‘luis-luizen’, omdat hij - afhankelijk van het gebied - het enkelvoud griekse of het meervoud grieksen bedoelt.
 15  De (eenmalige) omzetting van de ‘leesmoeder’ of hulpletter <h> in <ch> is een lekenfout. Deze woordfinale <h> dient om aan te geven dat er na de laatste wortelmedeklinker nog een ā volgt. Terwijl hij zelfs in gepunctueerd Hebreeuws nog een zekere functie vervult, kan deze <h> in getranscribeerd Hebreeuws weggelaten worden, wat vaak niet gebeurt. V&P schrijven in principe -oh, maar soms vergeten ze de <h>.
 16  De vervanging van <sj> door <sch> in sjoechem en sjoefe - met een doorverwijzing naar schoechem sub sjoechem - is uitzonderlijk. Bij andere voorkomens <sj> of <sch> houdt Roskam zich aan de bron.
 17  Zie ook Moormanns “‘ausèg (auseiq)” (Be, sub askelen). Waar Moormann 'ausèg in V&P gevonden heeft, weet ik niet. Overigens geeft de samenvattende etymologische lijst auseq.
 18  Van der Sijs heeft een enigszins andere kijk op de weergave van de sjwa. - De posttonische klinkers in Hebreeuws-Bargoense woorden verdienen nader onderzoek. M.i. vind je: (1) <e>, <i>, <u> voor de sjwa, (2) Asjkenazisch Hebreeuwse volle klinkers, bijv. gol<o>f ‘melk’, (3) Volksasjkenazische varianten, zoals in gamm<o>r ‘domoor, ezel’, (4) spreiding van de a, bijv. in gedal<a>st, en (5) en een onhistorische o vóór labiale medeklinkers, zoals in kes<o>f ‘zilver’. Zie verder Van der Sijs (pp. 23 -26). Overigens is (contra Van der Sijs) gamm<o>r niet Jiddisch - chammer wel -, terwijl gedal<a>st, gedall<i>st niet aansluit op asjk. hebr. dall<oe>s ‘armoede’.
 19  Het is vreemd dat Van der Sijs een blinde vlek heeft voor de herkomst van deze variatie, terwijl zij zelf De Boeventaal en de lijst Verwoert - die onderling en intern variëren in spelling - geïdentificeerd heeft als bronnen voor Roskams Boeven-jargon.
 20  Voor sjaskenen zie Voorzanger & Polak (1915: 276, 292), Beem (1975) en Althaus (2003). - Voor de mogelijke herkomst van het lemma caskene zie de lijst Vernée uit 1844 (bron 11, c.q. C V) met caskene en de bron Van Eikenhorst II ook uit 1844 (bron 54) met kaskene (!).
 21  Soms wordt een beginlettergreep [kƏ] in een Hebreeuws-Jiddisch woord geherinterpreteerd als het Jiddische prefix ge-.
 22  Zie ook p. 27, waar zij - vlak na de vermelding van gavver/goweir ‘kameraad’ vanwege de variatie tussen <v> en <w> en als inleiding op de variatie tussen <g> en<k> - stelt dat “[d]e g [...] in het Jiddisch [wordt] uitgesproken als de beginklank in goal of Duits gut [...].”Als we g” begrijpen als een aanduiding voor de gimel, die we gewoonlijk als <g> transcriberen, is er niets mis met deze uitspraak. Maar als we g” begrijpen als de <g> waarmee Jiddisch-Bargoense woorden geschreven worden, gaat er van alles mis.
 23  Een achttiende-eeuwse bron geeft cabber (Moormann 2002: 175) maar dat gaat op een Duits geschrift terug. Een Jiddische anlautende [x] wordt in Duitse mond wel vaker een [k]. Vergelijk kess ‘gis’ en kochem ‘goochem’ in Althaus (2003).
 24  Ook met de [Ou] had hij moeite.
 25  Het Bargoens kent er meer. Uitzonderingen zijn beis ‘b, 2’ en gein. Beis zou verklaard kunnen worden via een onderliggende [j] in hebr. bē(j)þ (vgl. het verwante bajîþ ‘huis’). Maar wellicht zijn dit twee leenwoorden uit het Asjkenazisch Hebreeuws, te vergelijken met omein ‘amen’. (Zie ook Jacobs 2005: 41.)
 26  Een extra probleem is nog dat het Jiddisch soms ook diftongeert waar dat in het Asjkenazisch Hebreeuws niet mag. Bijv. jidd. meilech vs. asjk. (en sef.) hebr. melech ‘koning’ (< hebr. melex ‘id.’). (Roskam heeft beide vormen: meilig en mélèch.) - Voor de historische fonologie van het Asjkenazisch Hebreeuws en het Jiddisch, zie liever Katz (1993) dan Beem (1959), al staat er veel bruikbare informatie in de laatste.
 27  Verder denk ik dat ager ‘ander’ eerder Jiddisch (met sjwa) is dan Sefardisch Hebreeuws (vgl. Van der Sijs p. 26). Het is namelijk een agere schim ‘een andere naam’ (sub schim), niet een agerre schim.
 28  Ik ga er van uit dat hij niet het register op het Bronnenboek bedoelt maar zijn samenvattende lijst van jiddicismen (pp. 224-250), want anders begrijp ik niet goed waarom hij soms doorverwijst naar een of meer specifieke bronnen (genummerd volgens de nummering in het Bronnenboek) en soms naar het “woordregister s.v. X”.
 29  Hiermee verbetert Roskam een foutje van Moormann.
 30  De <g> in het verwante ausèg komt van Moormann: bij askelen ‘handelen, kopen, verkopen’ in De Boeventaal geeft hij als etymologie ‘ausèg (auseiq). Dit heeft hij fout overgenomen uit V&P. Vgl. echter zijn samenvattende lijst van jiddicismen (Moormann 2002: 225).