Postmodernisme en leesstrategie
Over Tongkat van Peter Verhelst
Thomas Vaessens
Universiteit Utrecht
Publicatiedatum 3 oktober 2001, artikelnummer 01.10
1. Inleiding: morphing
Wanneer in oktober 1999 de bloemlezing
Sprong naar de sterren verschijnt, dient zich 'de laatste generatie dichters van de twintigste eeuw' aan: vijfentwintig jonge auteurs die opgroeiden
in een wereld die er heel anders had uitgezien dan die van hun voorgangers. Dat claimt althans de samensteller van de bundel,
de dichter en
performer Ruben van Gogh. In zijn inleiding vertelt Van Gogh hoe zijn denken over literatuur fundamenteel veranderde toen hij als jongen
in de bioscoop de vloeiende computeranimaties zag, 'waarin een vloeibare metalen massa naadloos al
morfend transformeerde tot een schijnbaar gekleed personage van vlees en bloed'. De laatste generatie van de twintigste eeuw, zo
is de boodschap, is vertrouwd met Pokémon en Lara Croft en weet hoe het beeldscherm deuren opent 'tot een morfende virtuele
wereld waarin gebeurtenissen plaatsvinden die zich voorheen alleen in het eigen hoofd konden afspelen'.
1 Het wordt tijd dat de literatuur van die verruiming van de verbeeldingswereld gaat profiteren, vindt Van Gogh.
Hoewel Peter Verhelst (1962) niet als dichter in
Sprong naar de sterren is opgenomen, doet Van Gogh in zijn inleiding wel een beroep op hem. De bloemlezer, vijf jaar jonger dan Verhelst, herinnert
zich van de Vlaming de uitspraak dat zijn poëzie wat hem betreft beter door een filmrecensent besproken kan worden dan door
een poëziecriticus. 'Dat is goed te begrijpen', meent Van Gogh, want 'in Verhelsts werk zijn, net als in veel gedichten uit
deze bloemlezing, elementen te vinden die meer aansluiten bij de film-, muziek- en televisiewereld, dan bij literaire tradities'.
De bloemlezer voert Verhelst op als medestander in wat feitelijk een generatieconflict is: de literaire normen van de gevestigde
orde in de poëziekritiek zijn niet toegesneden op het werk van de jongere dichters. De critici ('traditionele poëziebehandelaars',
schrijft Van Gogh) missen daarvoor kennis van en
feeling voor de mores van een nieuwe multimediale cultuur.
Verhelsts teksten zijn de producten van een speelse, ongebonden en soms bizarre verbeelding. Gedaanteverwisselingen, versmeltingen
en
morphing zijn aan de orde van de dag. Alles wat wij in onze alledaagse werkelijkheid gewend zijn te percipiëren als één geheel valt
bij deze auteur in stukken uiteen, om vervolgens in nieuwe, onwerkelijke configuraties weer samen te klonteren. Realisme is
wel de laatste term die van toepassing is op het werk van deze hedendaagse sprookspreker. 'Een roman in sprookjes' noemde
hij in de ondertitel dan ook vorig jaar zijn meest recente boek,
Zwellend fruit. Verhelsts romans (zoals
Het spierenalfabet en
De kleurenvanger), zijn poëzie (o.a.
De boom N en
Verhemelte) en zijn toneelteksten (zoals het samen met Luk Perceval geschreven
Aars) lijken niet bijzonder geschikt te zijn voor een al te 'volwassen' (in de zin van: rationele, analytische) leeshouding. Zijn
beeldenreeksen schijnen te vragen om een associatieve benadering die niet in de eerste plaats gericht is op het herkennen
van een werkelijkheid; die zich niet bekommert om de onmogelijkheid van de sprookjesachtige of zelfs surrealistische taferelen
die beschreven worden.
In deze termen, geformuleerd als complimenten, liet ook de uit scholieren samengestelde jury van de Jonge Gouden Uil 2000
zich uit over Verhelsts
Tongkat. Een verhalenbordeel (1999). De roman, die representatief is voor Verhelsts oeuvre,
2 kreeg de prijs volgens unaniem jurybesluit. Deze bekroning door scholieren sluit aan bij de suggestie die ook al werd gewekt
toen de jonge bloemlezer Van Gogh Verhelst inlijfde bij de 'laatste generatie van de twintigste eeuw'. Jongeren, zo is het
idee, kunnen een roman als
Tongkat misschien beter waarderen dan oudere lezers. Zouden jonge lezers inderdaad beter toegerust zijn voor dit boek, dat vol staat
met onwaarschijnlijke gebeurtenissen en metamorfosen? En zouden die nieuwe interpretatieve vaardigheden inderdaad iets te
maken hebben met vertrouwdheid met Pokémon en
Terminator (een voorbeeld van het soort film waarnaar Van Gogh verwijst), of met interactieve computer
games en de volkomen nieuwe, niet lineaire narratieve procédés die daarin worden toegepast?
Wie de recensies op
Tongkat leest, is misschien geneigd deze vragen bevestigend te beantwoorden. Onder (volwassen) critici staat Verhelsts werk als 'moeilijk'
te boek. Het wordt zelfs 'ontoegankelijk' genoemd. Recensenten maken iets heel ingewikkelds van de reeks sprookjesachtige
verhaalflarden die
Tongkat óók kan zijn. Ze zoeken naar een eenheid die er misschien helemaal niet is, veronderstellen een samenhang die allerminst
aan de oppervlakte ligt etcetera. Naast de stilistische kwaliteiten van de auteur wordt vooral de alleszins ernstige filosofische
portee van de roman benadrukt (verwantschap met Lyotard of het postmoderne gedachtengoed).
3 Wie negatief oordeelt, vindt die 'inhoud' juist te vrijblijvend verwerkt en verwijt Verhelst in zekere zin een gebrek aan
'ernst'. Zo wordt er enigszins wantrouwig tegen zijn exuberante beeldentaal aangekeken, waarvan men soms vindt dat zij naar
loos taalspel neigt. 'Deze woordenmelkerij wekt achterdocht' schrijft een criticus bijvoorbeeld.
4
Of ze nu positief of negatief oordelen, de meeste critici houden
Tongkat voor een roman die afgerekend kan worden op kwaliteiten die vooral aan ratio en intellect appelleren.
5 Anders dan het soort lezer waarvoor Van Gogh schrijft en anders dan de leden van de jeugdjury van de Gouden Uil laten zij,
populair gezegd, de roman niet 'over zich heenkomen'. Zij proberen daarentegen (rationeel) te doorgronden, te begrijpen. Wanneer
we de auteur zelf inroepen als scheidsrechter en hem vragen welke leeshouding beter is, dan lijkt hij zich in dezen tegenover
zijn op (rationeel) begrip gefixeerde critici op te stellen. Althans in interviews. Een hem typerende uitspraak is deze, opgetekend
in 1996:
6
Mensen denken dat je een boek moet snappen. Dat is belachelijk, er is niets te snappen. Ik geloof niet in doelmatigheid, dat
er bij mij een soort doelgerichtheid zou zijn. Je hebt de vrijheid om te interpreteren, zoals je het wilt. Elke lezer kan
zijn eigen film maken, waarin hij meespeelt of weigert mee te spelen. Een soort virtual reality.
De suggestie die Verhelst hier wekt, is dat zijn werk het best met een ongecompliceerde, onbekommerde, misschien kinderlijke
blik bekeken kan worden: je moet er geen doelgerichte eenheid in zoeken, de auteur heeft er niets mee bedoeld, probeer het
maar te ondergaan. Ten aanzien van
Tongkat versterkt Verhelst die suggestie nog in de ondertitel:
Een verhalenbordeel. Je gaat er naar binnen en snoept hier en daar wat van de verhalen die je er aantreft zonder dat je je aan een van die verhalen
hecht. Het lezen van
Tongkat is, net als het bordeelbezoek, een vrijblijvende aangelegenheid.
Die suggestie is vals. Hoezeer Verhelsts verbeelding ook aansluit bij niet specifiek literaire procédés en technieken, uiteindelijk
speelt de auteur in zijn roman
Tongkat een gecompliceerd en specifiek
literair spel en ben je je als lezer voortdurend bewust van het feit dat je een literaire tekst leest, bijvoorbeeld omdat de roman
je aanspoort het klassieke instrumentarium van de romananalyse aan te wenden. De door Van Gogh bezongen multimediale cultuur
van
morphing en
fusion wordt door Verhelst niet zozeer voorgesteld als de gedroomde cultuur van een nabije toekomst, maar zij dient in de roman
als middel om te laten zien hoe beperkt onze (literaire, schriftelijke) cultuur is en hoezeer zij op valse ordening is gericht.
De vraag hoe (jonge of volwassen) lezers
Tongkat benaderen, kan alleen na empirisch onderzoek beantwoord worden. Zulk onderzoek heb ik niet gedaan en ik kan alleen maar speculeren
over de voors en tegens van een 'onbevangen' leeswijze. Waar het mij om gaat is aan te tonen dat het geen kwaad kan de postmoderne
roman
Tongkat op een structurerende, rationele manier te lezen, juist omdat het boek aanzet tot kritische reflectie op deze leeswijze (die
ik overigens modernistisch noemen zal) en de mentaliteit waaruit zij voortvloeit. Ik beschrijf de paradoxale situatie dat
een postmoderne literaire tekst in eerste instantie vraagt om een leesstrategie die ontwikkeld is met het oog op het analyseren
en interpreteren van modernistische teksten.
2. De geactiveerde lezer
Tongkat. Een verhalenbordeel is een roman over een afschuwelijke winter die, afgezien van de onvoorstelbare koude, gekenmerkt wordt door revolutionaire
actie en oproer. Het werkelijkheidsgehalte van het verhaal is nihil: personages bevriezen en leven gewoon door; in ondergrondse
gewelven leven mythologische aandoende wezens; mensen hebben metalen lichaamsdelen; kokend water bevriest binnen een fractie
van een seconde; lichamen smelten; doden komen weer tot leven etcetera. De roman, die vol staat met dit soort 'metamorfosen',
beoogt geen levensechte afspiegeling van 'de' werkelijkheid te zijn en is niet een verslag van een herkenbare psychologische
realiteit: op referentieel niveau klopt er van alles niet. Deze 'vreemdheid' is niet het voornaamste probleem waarvoor de
tekst zijn lezer plaatst. Het is immers de vreemdheid van het sprookje dat de lezer verleidt mee te gaan in een logica die
misschien niet alledaags is, maar dan toch consistent.
Tongkat is niet alleen een sprookje en de lezer wordt niet alleen tot een bepaald soort goedgelovigheid verleid. Hij wordt tegelijkertijd
ook tot wantrouwigheid en alertheid aangespoord.
Het verhaal wordt verteld in acht hoofdstukken en een epiloog.
7 De acht hoofdstukken worden steeds vanuit het perspectief van een van de personages verteld. Al die personages presenteren
(delen van) hetzelfde verhaal. De versies overlappen elkaar en er zijn nogal wat verschillen tussen de visies op de verhaalgebeurtenissen.
Deze perspectivische structuur daagt de lezer uit om, los van de mogelijk vervalsende visies van de sprekende personages,
het 'echte' verhaal te reconstrueren, zoals een rechter na het horen van acht getuigen ook een eigen, onafhankelijk oordeel
velt. De talrijke aansprekingen van de lezer in
Tongkat versterken de indruk dat dit boek om een actieve leeshouding vraagt: de lezer neemt de beslissingen, niemand (geen verteller,
geen
implied author, geen autoritaire ik-figuur) neemt je bij de hand. De jongen die in het laatste hoofdstuk aan het woord is, komt op een gegeven
moment terug op een verklaring die hij eerder ergens voor gegeven had. Hij zegt dan het volgende (p.334):
Ik heb gelogen. Het is niet zo dat ik alles verloor toen ik door de modder werd gegrepen. Ik heb mijn mes nog. Misschien bewaarde
ik het gewoon in mijn lichaam. (...) Misschien bestaat het mes uit de kogels die uit mijn lichaam zijn gegroeid. (...) Misschien
heb ik een van de messen opgevangen die mijn demonen naar me gooiden. Welke uitleg verkiest u?
Het is duidelijk dat dit personage niet van zins is de lezer van zijn onzekerheid te beroven. Integendeel: hij legt de verantwoordelijkheid
voor de reconstructie van de 'werkelijke' verhaalgebeurtenissen volledig bij de lezer.
In een aantal van de hoofdstukken komen, naast het overheersende ik-perspectief, passages voor waarin zich een vertelinstantie
met de vertelling bemoeit. Maar ook die vertelinstantie heeft absoluut geen overzicht over het geheel. Ook hij kent het onderliggende
systeem niet. Typerend is een passage in het tweede hoofdstuk, dat overwegend vanuit het ik-perspectief van het personage
Prometheus is verteld. Op het moment dat de vertelinstantie dat perspectief even onderbreekt, als wilde hij Prometheus' woorden
corrigeren of aanvullen, geeft hij er expliciet blijk van dat hij de daarvoor noodzakelijke alwetendheid
niet heeft. 'Het is moeilijk te zeggen', staat er dan, 'of Prometheus mensen vermeed omdat hij zichzelf niet langer als mens beschouwde,
of omdat hij van hen vervreemdde omdat hij geen mensen meer zag' (p.96). Het concept van de alwetende vertelinstantie is in
deze roman niet meer valide. Normaal gesproken vertegenwoordigt zij het hoogste, want alwetende, 'gezag' in een verhalende
tekst. In
Tongkat echter vindt zij het moeilijk de gebeurtenissen te doorgronden. Ook de vertelinstantie zal de interpreterende lezer geen
helpende hand toesteken. Je moet als lezer zélf orde aanbrengen in de betrekkelijke chaos van de aangereikte verhaalgebeurtenissen.
Het perspectief is niet de enige factor die ertoe bijdraagt dat je je als lezer actief opstelt. Toen ik
Tongkat begon te lezen, moest ik al vóórdat het perspectief voor het eerst veranderde, constateren dat ik iets niet goed deed. Verhelst
componeert volgens de associatieve methode die in het domino-spel gevolgd wordt om de blokjes aan elkaar te leggen: de lijnstukjes
van het verhaal worden op basis van een vormelijke, niet logisch beredeneerde of chronologische manier associatief aan elkaar
geknoopt. Beeldenrijm is het voornaamste stijlmiddel in de roman. Het is een verschijnsel dat we kennen uit de poëzie: tussen
de alleen formeel overeenkomst vertonende rijmwoorden veronderstellen we ook op inhoudelijk niveau een samenhang (vergelijk
Droogstoppels beroemde probleem met het versje 'het weer is guur en het is vier uur': hoe moet dat nou als het kwart over
drie is?). Ook als lezer van
Tongkat ben je geneigd in de associatieve beeldenketens een bepaalde inhoudelijke logica of coherentie te zoeken. Het is dus zaak
die ketens eerst maar eens nauwkeurig in kaart te brengen. Maar na vijftig bladzijden constateerde ik dat ik, door het bombardement
van beelden dat
Tongkat is, de draad kwijt was. Er moest een soort spoorboekje van de roman gemaakt worden, zo oordeelde ik. En ik pakte een schrift,
waarin ik alle beschreven gebeurtenissen en alle beelden systematisch begon te noteren. Het bleken ogenschijnlijk kleine en
onbetekende details te zijn die structuur aanbrengen in de verhaalgebeurtenissen. Soms kon ik alleen uit het voorkomen van
een kleur of het gebruik van een bepaalde metafoor afleiden dat de betreffende passage een beschrijving was van een gebeurtenis
die ik ook al in een ander hoofdstuk verteld had gezien.
Regelmatig heb ik mijzelf en mijn truttige spoorboekje vervloekt: dezelfde tekst die de jury van de Jonge Gouden Uil blijkbaar
als vanzelf waarderen kon, was voor mij aanleiding voor een eigenlijk nogal moeizaam gevecht met data waarop ik, als ik niet
ijverig notuleerde, onherroepelijk alle grip verloor. De roman kreeg voor mij iets van een puzzel: ik begon te geloven dat
de geringste onoplettendheid het kaartenhuis van mijn verhaal-reconstructie in elkaar zou doen storten. Ik las op een manier
die ver afstaat van de vrijblijvende lectuur waarvoor Verhelst in het aangehaalde interview lijkt te pleiten, maar om die
leeswijze leek de roman te vragen. Allerlei impliciete leesinstructies dwingen de lezer van
Tongkat tot een rationele en oplettende leeshouding.
3. De narratieve structuur : chronologie?
De (onwerkelijke) verhaalgebeurtenissen van
Tongkat zijn in verschillende, niet chronologische en ten opzichte van elkaar parallel geordende, hoofdstukken gepresenteerd. Het
is dus aan de lezer een reconstructie te maken van de logisch-chronologische volgorde van de gebeurtenissen. De lezer ontwaart
onder de oppervlakte van de tekst als het ware een temporele dieptestructuur, een 'sequence of actions or events, conceived
as independent of their manifestation in discourse' zoals Jonathan Culler de logisch-chronologische volgorde van de verhaalgebeurtenissen
omschrijft in zijn essay 'Story and Discourse in the Analysis of Narrative'.
8 Cullers onderscheid van
story (de logisch-chronologische volgorde van de gebeurtenissen) en
discourse (de in het verhaal gegeven configuratie van de gebeurtenissen) loopt parallel met het bekendere begrippenpaar
fabel en
sujet (Russisch Formalisme) en ook met het onderscheid
histoire en
récit (Genette).
9 Volgens de klassieke verhaalanalyse is de reconstructie van de
story of de
fabel een van de noodzakelijke stappen die de lezer moet zetten om tot een goed begrip van de tekst te komen.
10 Culler acht deze handeling zelfs cruciaal:
11
Narratological analysis of a text requires one to treat the discourse as a representation of events which are conceived of as independent of any particular narrative perspective or presentation
and which are thought of as having the properties of real events. Thus a novel may not identify the temporal relationship
between two events it presents, but the analyst must assume that there is a real or proper temporal order, that the events
in fact occured either simultaneously or successively.
Wie een narratieve tekst interpreteert, moet aannemen dat de daarin gerapporteerde gebeurtenissen een 'ware' of 'werkelijke'
volgorde hebben, want alleen dan kan hij of zij de specifieke presentatie ervan in het verhaal (
discourse,
sujet) beschrijven als modificatie van die 'natuurlijke' volgorde. Gebeurtenissen, zo zou men immers nuchter kunnen redeneren,
gebeuren nu eenmaal in een bepaalde volgorde. Wie die redenering volgt, gaat uit van het primaat van de geschiedenis
12 en past aannames over de wereld toe op de tekst; hij poneert 'a level of structure which, by functioning as a nontextual
given, enables us to treat eveything in the discourse as a way of interpreting, valuing, and presenting this notextual substratum,'
zoals Culler het uitdrukt.
13
Welnu: twee verhaalmomenten delen de
story of fabel van
Tongkat in drieën: het begin van de winter en het invallen van de dooi. Precieze tijdsaanduidingen geeft de tekst niet, maar grofweg
is dit de chronologische orde der dingen.
1. In de periode vóór de winter lopen er drie verhaallijnen naast elkaar, die geleidelijk in elkaar verstrengeld raken. De
mythologisch getinte Prometheus-lijn loopt van Prometheus' geboorte tot zijn dood. Als Prometheus, 'de jongen die het vuur
achter zijn tanden bewaarde', volwassen is (een moment dat gemarkeerd wordt door een afrekening met zijn vader Japetos, die
kort daarop sterft), hoort hij een lokroep uit de aarde (p.93) en verlaat hij zijn moeder. Bij een vulkaan ontmoet hij Ulrike,
met wie hij enige tijd onder barre omstandigheden overleeft in het vulkaanlandschap voordat zij samen naar de stad vertrekken,
waar Prometheus uiteindelijk wordt gearresteerd en vermoord. De Ulrike-lijn beschrijft hoe 'het meisje met het rode haar'
(Ulrike) door haar ouders tot kennismachine wordt opgevoed; hoe haar geboortedorp door Japetos wordt verwoest; hoe zij Japetos
vermoordt en hoe zij Prometheus ontmoet, met wie ze naar de stad vertrekt. In de derde verhaallijn worden de gelijktijdige
gebeurtenissen in het paleis beschreven: de geboorte van de kroonprins; de afzondering van de oude koning (en het volksgemor
dat daardoor ontstaat); de bemoeienissen van de magiër Juan met koning en kroonprins; de kroning van de nieuwe koning.
2. Prometheus' dood luidt de winter in. Zo streng is de kou, en zo lang houdt zij aan, dat er een volstrekt nieuwe orde ontstaat.
Zelfs kokend water bevriest onmiddellijk. Aan de magiër Juan, die in de kelders van het paleis opgesloten zit, vraagt de jonge
koning wat 'warmte' ook weer was. Juan antwoordt dat hij daarvoor op zoek moet naar 'het meisje met het rode haar'. De koning
vertrekt voor zijn zoektocht, waarop het nog immer aanhoudende gemor van het volk geleidelijk aan revolutionaire trekken begint
aan te nemen en het parlement zitting neemt in het paleis. Intussen bewaken de leden van een ondergrondse verzetsbeweging
in de gewelven onder de stad het vuur. De leden van deze groep, die, net als Japetos, een stervormig teken dragen, hebben
zich ten doel gesteld de macht van het paleis te breken. Handlangers rekruteren zij onder de hovelingen, die onder meer bommen
plaatsen in paleis en stad. Ook Ulrike behoort tot de verzetsgroep, maar na Prometheus' dood is ze naar haar geboortedorp
teruggegaan. De koning, op zoek naar het meisje met het rode haar, vindt haar daar. Hij zoent haar, waarbij zoveel warmte
vrijkomt dat ze samen opstijgen. Onafhankelijk van elkaar keren de koning en Ulrike naar de stad terug. De koning loop incognito
door de straten, waar hij onder meer getuige is van een gruwelijke marteling. Ulrike wordt prostituée, in welke hoedanigheid
ze zich Tongkat laat noemen en niet in lichamelijke diensten, maar in verhalen handelt. Dit gedeelte van de
story/fabel eindigt met de bestorming van het paleis, waarbij Carlos en Ulrike betrokken zijn, maar ook een groep Centauren: wezens
die van boven mens, van onder motorfiets zijn. De koning wordt als een van de eersten door de aanstormende menigte onder de
voet gelopen en sterft.
3. In de periode ná het invallen van de dooi, die alleen in het eerste en het laatste hoofdstuk beschreven wordt, wordt met
de meeste ex-hovelingen op gruwelijke wijze afgerekend door het nieuwe gezag van Carlos en de zijnen. Als gevolg van de dooi
raakt de aarde overspoeld met modder, later met (smelt)water. De twee overlevenden die aan het woord zijn, hebben het leven
nog omdat ze op een boot (hoofdstuk 8) of op een heuvel zitten die boven het water uitsteekt (hoofdstuk 1). Van beiden wordt
de suggestie gewekt dat ze uiteindelijk in (eenzame) waanzin sterven.
Deze reconstructie van de gebeurtenissen, essentieel volgens de klassieke narratologie, suggereert een orde die er niet is:
de roman presenteert zichzelf als een netwerk van acht in elkaar overgaande teksten (
discourse,
sujet), niet als een volgens de wetten der causaliteit geordend, lineair verhaal (
story,
fabel). Ik kan de formalisering nog wat verder doordrijven met onderstaand schema, waarin per hoofdstuk aangegeven is welk deel
van de vertelde tijd wordt verteld.
Figuur 1. Vertelde tijd en perspectief per hoofdstuk
Het schema geeft ook aan welk personage in de opeenvolgende hoofdstukken als ik-verteller optreedt. Met name in hoofdstuk
2 wordt de ik-figuur, Prometheus, nogal eens onderbroken door een auctoriale vertelinstantie.
4. Het problematische karakter van de structuur
De chaotische chronologie van de gebeurtenissen zoals de lopende tekst van de roman die aanbiedt mag dan in mijn schema enigszins
getemd lijken, we hebben van
Tongkat inmiddels nog niets begrepen. Om meer dan één reden is mijn schematische weergave van de verhaalgebeurtenissen nog geen bevredigend
resultaat van een aandachtige lectuur. In de eerste plaats zijn er in de roman behoorlijk wat details aan te wijzen die, ten
opzichte van het schema, niet kloppen. Met andere woorden: óf mijn schema klopt niet, óf Verhelst heeft fouten gemaakt en
is op verschillende punten inconsequent geweest.
Zo is er de ontmoeting tussen de koning en Ulrike, beschreven in hoofdstuk 7 (p.242). Deze ontmoeting vindt plaats in de stad.
De koning en Ulrike zijn daar onafhankelijk van elkaar teruggekeerd nadat ze elkaar kusten en samen opstegen. Op zichzelf
is deze nieuwe ontmoeting tussen de twee niet vreemd (Ulrike is prostituée geworden en de eenzame koning bezoekt haar), maar
vreemd is wel het feit dat de koning Ulrike niet herkent. Eveneens vreemd is dat er twee elkaar uitsluitende versies bestaan
van het verhaal van de moord op Prometheus' vader. Ulrike vermoordt hem (p.138), maar in de ene versie begraaft ze vervolgens
zijn hart (p.130), terwijl ze datzelfde hart in de andere versie veel later nog aan Prometheus laat zien (p.108). Heeft Verhelst
zich in deze gevallen in de chronologie vergist, of is er iets anders aan de hand?
Een andere soort inconsequenties in
Tongkat betreft het perspectief. Het is bijvoorbeeld in perspectivisch opzicht merkwaardig dat personages die in de verhaalwereld
geen contact met elkaar hebben elkaars uitdrukkingen overnemen. Als het om alledaagsheden zou gaan ('mooi weertje vandaag,
nietwaar?'), dan zou men zich dat nog kunnen voorstellen, maar het gaat hier om heel specifieke, persoons- en registergebonden
uitspraken. Zo hebben zowel de jongen uit hoofdstuk 1 als Prometheus' moeder (hoofdstuk 4) het in totaal verschillende contexten
over 'de glimlach van gelovigen, debielen en jonge moeders' (p.76, p.117). Hetzelfde gebeurt met de uitdrukking 'twee zachte
spiegels van vlees' (p.119, p.153) en met 'de smaak van zilveren armbanden in mijn mond' (p.247, p.261). Een ander voorbeeld
van een perspectivische merkwaardigheid vinden we in hoofdstuk 7. De koning, die in dit hoofdstuk aan het woord is, doet zijn
relaas op een moment dat de vertelde verhaalgebeurtenissen al hebben plaatsgevonden: hij vertelt achteraf. Deze
vision par derrière is onmogelijk te rijmen met het feit dat de koning op de laatste bladzijde van het hoofdstuk sterft (p.257), zoals uit de
beschrijving van dezelfde scène in een ander hoofdstuk is op te maken (p.321).
Ik noem slechts een paar voorbeelden van inconsequenties door de auteur, er zijn er meer. Het betrekkelijk grote aantal structureel-compositorische
merkwaardigheden is een argument om te veronderstellen dat het niet om 'fouten' gaat, maar dat er iets anders aan de hand
is. Ik denk inderdaad dat Verhelst zich geen inconsequenties veroorloofd heeft, maar dat hij de precisie van de door hem aangebrachte
verhaalstructuur zo nu en dan met opzet heeft verstoord.
De mentale constructie van de
story of fabel mag volgens de klassieke narratologie een manier zijn om houvast te krijgen, dat houvast lijkt je in de roman steeds
te worden ontnomen. Dit gebeurt niet alleen op het niveau van de chronologie en het perspectief, maar bijvoorbeeld ook op
het niveau van de beeldspraak. Steeds terugkerende symbolen als de aardbei, de spiegel, de scherven en de ster lijken, door
hun centrale positie in de beeldentaal van de roman, eveneens houvast te geven. Maar juist deze frequent voorkomende beelden
worden geen centrale, eenheid aanbrengende sleutelsymbolen (zgn. 'chiffres'), omdat ze in de verschillende contexten steeds
weer met andere betekenissen beladen worden. Kun je bij de inconsequenties in de chronologie nog twijfelen, hier staat wel
vast dat Verhelst deze 'dechiffrering' met opzet heeft toegepast.
14 Ook dit maakt deel uit van de ontregelende strategie die de auteur in deze roman volgt: allerlei alledaagse, doorgaans rationele
handvaten die een lezer aangrijpen kan om orde te brengen een in een chaotisch verhaal of een chaotische werkelijkheid worden
ten minste geproblematiseerd.
5. Ontologie: onverenigbare werelden
Clichés en zegswijzen berusten vaak op figuurlijk taalgebruik. We geven een kat negen levens, smelten bij de aanblik van een
beminde, en laten verhalen, lokaties of projecten stukjes van onszelf zijn, zonder dat we ooit een kat uit de dood hebben
zien herrijzen, in vloeistof veranderd zijn, of een verhaal, lokatie of project in ons lichaam hebben aangetroffen. In de
communicatie is dit geen probleem: iedere toerekeningsvatbare taalgebruiker kent de conventies van de beeldspraak.
In
Tongkat worden die conventies steevast doorbroken. De aangehaalde metaforische zegswijzen worden in de roman stuk voor stuk letterlijk
opgevat. Zo heeft de kat wérkelijk negen levens: 'Ik heb evenveel levens als een kat', zegt de jongen die in het laatste hoofdstuk
aan het woord is, 'maar ik ben wel al acht keer gestorven' (p.262). Klaarblijkelijk heeft hij het vermogen tot wederopstanding
uit de dood, een gebeurtenis die doorgaans met een
Terminator-achtige
morphing gepaard gaat (p.267). Een ander personage vindt de gedachte 'onverdraaglijk' dat 'dezelfde handen die me aan het smelten
hadden gebracht ook andere lichamen waren binnengedrongen' (p.161) - hier wordt letterlijk gesmolten van liefde. Verhalen
worden letterlijk stukjes van de moeder van Prometheus wanneer zij, als prostituée net als Ulrike handelend in verhalen uit
haar leven, bij elk verhaal ook een lichaamsdeel weggeeft (p.171). Japetos, de vader van Prometheus, steelt in de roman letterlijk
harten; de onderwereld bevindt zich letterlijk onder de grond; de soldaat die een vrouw verkracht wordt letterlijk een wild
beest (p.112); het vuur van de revolutie is letterlijk vuur (p.309); boeken in de bibliotheek van het paleis komen letterlijk
tot leven (p.313); etcetera.
Beeldspraak berust op projectie: om iets uit het ene werkelijkheidsdomein te duiden, wordt het vergeleken met iets anders
uit een ander werkelijkheidsdomein. In
Tongkat worden zulke ontologisch gescheiden werkelijkheidsdomeinen niet op elkaar geprojecteerd, maar met elkaar verward. Personages
en ik-vertellers (h)erkennen het alsof-karakter van de beeldspraak niet, zoals ze ook het alsof-karakter van mythen en verhalen
niet (h)erkennen. De veelvuldige referenties aan mythologische gegevens en figuren hebben niet, zoals gewoonlijk in een literaire
tekst, als functie dat ze de werkelijkheid moeten verbeelden. In deze roman
zijn ze de werkelijkheid: ze worden als
scenario van de verhaalgebeurtenissen ingevoerd. Prometheus, zijn vader Japetos, diens stam van Titanen, vogels die in de lever van
Prometheus pikken - het zijn allemaal mythologische gegevens die in de roman gepresenteerd worden op hetzelfde niveau als
de overige verhaalgebeurtenissen: Prometheus kan de kamerjongen van de koning de hand schudden; Japetos kan de ouders van
Ulrike vermoorden. Deze vermenging van in de alledaagse werkelijkheid onverenigbare werelden wordt nog gecompliceerd doordat
verschillende mythen door elkaar heen lopen. Prometheus krijgt, wanneer hij zichzelf vleugels ombindt, trekken van Ikarus
(p.95); wanneer de gevleugelde Prometheus wonderbaarlijk geneest van een verbranding lijkt hij op de vogel Phoenix (p.95)
en wanneer de relatie met zijn moeder beschreven wordt, speelt ook de Oedipus-mythe erdoorheen (p.91, p.158).
15
Mythe en werkelijkheid, twee ontologisch gescheiden werelden, raken in
Tongkat in elkaar verknoopt. Iets vergelijkbaars is op te merken over de relatie tussen de wereld van het verhaal en de wereld zoals
die in de geschiedenisboeken beschreven is, 'de' werkelijkheid. Op tal van plaatsen in de roman komen historische allusies
voor. De namen van de bewoners van Ulrikes woning in de stad (Gudrun, Ulrike, Andreas, Holger) verwijzen naar de namen van
vooraanstaande leden van de RAF (Gudrun Ensslin, Ulrike Meinhof, Andreas Baader, Holger Meins); de beschrijving van de omstandigheden
waaronder in het paleis een koningskind geboren wordt, doet denken aan de Belgische 'koningskwestie' (p.36); de naam van de
bommen plaatsende rebellenleider in de roman is dezelfde als die van een historische figuur: de terrorist Carlos; het kaalscheren
van vrouwen na de bestorming van het paleis doet denken aan de taferelen na de bevrijding (p.71); de protesterende vrouwen
in de stad worden beschreven op een manier die de Dwaze Moeders uit Argentinië in herinnering roept (p.165),
16 de militaire verkrachtingen doen denken aan de verschrikkingen in de Balkan (p.148), etcetera. De historische gebeurtenissen
die in
Tongkat met elkaar in verband worden gebracht hebben volgens de geschiedenisboeken niets met elkaar te maken. Ze kunnen onmogelijk
allemaal hebben plaatsgevonden binnen de vertelde tijd die in de roman verstrijkt. Ook hier verknoopt Verhelst gescheiden
werkelijkheidsdomeinen met elkaar.
Een derde voorbeeld van dit procédé is de problematisering in de roman van de relatie binnenwereld/buitenwereld. Personages
beschikken over de mogelijkheid elkaars dromen binnen te lopen. Wat ze daar vervolgens doen heeft consequenties voor hun wakkere
leven. Zo is er de jongen met de negen levens die, wanneer hij een keer gestorven is, van een vrouw in zijn droom een nieuw
lichaam krijgt, waardoor hij na het ontwaken weer voortleeft (p.276). Vooral Juan, de magiër, dringt veelvuldig in andermans
dromen door. Hij fluistert zijn 'slachtoffers' dan een boodschap in (eenmaal is die boodschap overigens woordelijk ontleend
aan de historische
Mystieke werken van Johannes van het Kruis, p.218). 'Soms bezoek ik de troonopvolger in zijn dromen', zegt hij in hoofdstuk 6 op een gegeven
moment: 'Het is niet moeilijk de soldaten te verschalken die zijn kamer bewaken' (p.195). Dit is een heel interessante passage
omdat zij in het klein iets laat zien van de complexe ontologie van de hele roman. In een wereld waarin het mogelijk is andermans
dromen binnen te dringen zou je toch geen noemenswaardige tegenwerking verwachten van alledaagse hindernissen als een groepje
wachters.
De vreemdheid van
Tongkat is de vreemdheid van het sprookje, schreef ik, maar de vreemdheid gaat verder. We aanvaarden moeiteloos dat de wolf tegen
Roodkapje kan praten, omdat daarmee de interne logica van het verhaaltje niet doorbroken wordt. We zouden pas vreemd opkijken
wanneer aan het eind niet oma, maar de Paus van Rome uit de buik van de wolf zou terugkeren: dán zou er opeens een vreemd
element aan die besloten structuur worden toegevoegd. Zulke inbreuken, zulke conflictueuze vermengingen van werelden komen
in
Tongkat vaak voor.
6. De verstoorde lezer: postmodernisme
Ik maak een pas op de plaats. In de roman
Tongkat lopen nogal wat dingen anders dan in (de gangbare perceptie van) de werkelijkheid. De traditionele historische orde van de
chronologie wordt gecompliceerd, waardoor ook het idee van causaliteit (oorzaak en gevolg) wordt ontregeld. Bovendien wordt
de stabiliteit van de relatie tussen fictie en werkelijkheid ondergraven, bijvoorbeeld doordat letterlijke en figuurlijke
betekenissen door elkaar gehaald worden en door de vermenging van (uiteenlopende) mythologische verhalen en (uiteenlopende)
historische data. Associatief beeldenrijm (similariteit) komt in de plaats van logische, causale coherentie (contiguïteit).
De lezer, die met deze complicaties wordt geconfronteerd, bevindt zich intussen in een paradoxale situatie. Enerzijds wordt
hij, als gezegd, uitgedaagd om in de chaos van de tekst een orde aan te brengen. Anderzijds worden pogingen tot ordening door
de tekst juist gefrustreerd. Alle mogelijke vormen van houvast worden de lezer van
Tongkat ontnomen. Ook en vooral die van de klassieke narratologie: plot, ruimte, handeling en tijd. De beginselen van de verhaalanalyse,
zoals het uitgangspunt dat er onder de oppervlakte van de tekst een logisch-chronologische dieptestructuur schuil gaat (Russisch
Formalisme, Genette, Culler), blijken niet meer houdbaar of in elk geval niet productief. Het klopt allemaal nét niet en de
logica van de lineaire structuren wordt doorbroken. De vertelinstantie blijkt niet alwetend te zijn. Rijm bepaalt de voortgang
van de tekst: de aaneenschakeling van beelden en gebeurtenissen is niet logisch, maar associatief. De tekst is daarmee in
die zin niet authentiek dat er geen herkenbaar, denkend en voelend mens achter zit. De bindende kracht is niet een persoonlijkheid,
maar een procedure. De kwalificaties en classificaties die de lezer gebruikt om de verhaalwerkelijkheid hanteerbaar te maken,
zoals de tegenstellingen tussen 'realiteit' en 'fictie' of tussen 'ik' en 'de ander' worden ontregeld. De weerbarstige tekst
laat zich niet tot een eenheid omsmeden.
Of de jeugdjury die
Tongkat bekroonde zich bewust is geweest van de verstoring van de lectuur die van deze ontregelingen het gevolg kan zijn, staat te
bezien. Zeker is in elk geval dat de roman weinig open staat voor het soort instrumenten dat de 'volwassen' lezer, mede op
aangeven van de roman zelf, hanteert om orde te brengen in de tekst: combinatievermogen, gezond verstand, een zeker rationalisme.
Tongkat verzet zich tegen een manier van lezen die uitgaat van premissen als deze:
17
| · |
de literaire tekst vertoont, ook als hij zich op het eerste gezicht als chaotisch aan de lezer voordoet, op een hoger niveau
innerlijke samenhang
|
| · |
de tekst representeert een sprekend subject (de tekst als plausibele historische taalhandeling)
|
| · |
de kwaliteit van een tekst hangt in belangrijke mate af van zijn authenticiteit
|
Het zijn de premissen van wat doorgaans
close reading wordt genoemd: een door de vertegenwoordigers van het Angelsaksische
New Criticism (en in Nederland:
Merlyn) geëntameerde en vervolgens in de tekstanalytische praktijk decennia lang onaantastbaar gebleven manier van lezen die als
uitgangspunt heeft dat een geslaagde analyse een interpretatie van de tekst mogelijk maakt waarin alle (of: zoveel mogelijk)
tekstelementen zinvol met elkaar samenhangen. Ik denk niet dat
Tongkat een dergelijke interpretatie volstrekt onmogelijk maakt, maar wel dat de roman nadrukkelijk de discussie aangaat met de premissen
ervan.
De onverbrekelijke connectie tussen het (literatuurwetenschappelijke)
New Criticism en het (literaire) modernisme is vaak gesignaleerd: de uitgangspunten van het nieuw-kritische lezen sluiten goed aan bij
de uitgangspunten van het modernistische schrijven. Vanuit die gedachte kan, zoals Jos Joosten en ik elders hebben voorgesteld,
18 literatuur waarin de voor generaties lezers vanzelfsprekende, aan het modernisme gelieerde leeswijze wordt bevraagd postmodern
genoemd worden. 'Postmodernisme' is daarmee dus gedefinieerd als dubbele reactie: het reageert op een literaire revolutie
(het modernisme van de eerste helft van de twintigste eeuw), én het is de reactie van de literatuur op een revolutie in literatuurwetenschap
en -onderwijs: het
New Criticism - een reactie die met een omdraaiing van de beroemde woorden van Susan Sontag 'the revenge of art upon the intellect' genoemd
zou kunnen worden.
19
Postmoderne teksten (zoals die van Lucebert, de Zestigers, Sybren Polet, J.F. Vogelaar, Hans Faverey, Dirk van Bastelaere,
Peter Verhelst) verzetten zich (op uiteenlopende manieren) tegen met name de eenheid-scheppende pretentie van hun modernistisch
georiënteerde lezer. Die pretentie geldt de literatuur (het idee dat een toegerust lezer elke kwalitatief goede tekst als
zinvolle eenheid kan interpreteren), maar ook de werkelijkheid. De modernist (of: de modernistisch georiënteerde lezer) redeneert
uiteindelijk vanuit een gesloten wereldbeeld waarin, ondanks alle twijfel aan de daadwerkelijke realiseerbaarheid daarvan,
structuur en
orde centraal staan.
20 Hoe chaotisch de werkelijkheid ook oogt, in de literaire tekst, die een verbeelding is van die werkelijkheid, zal de modernist
een ordelijk tegenwicht daarvoor aanbrengen of zien. De tekst is hem een middel om de brokstukken van de gefragmenteerde wereld
toch weer tot een (provisorische) eenheid, een (provisorisch) geheel om te smeden.
De postmoderne auteur zet daar teksten als
Tongkat tegenover - teksten die het gevecht aangaan met de illusie van het afgeronde geheel en met het ratioïde wereldbeeld (of:
het ratioïde idee van literatuur) waarin die illusie levend wordt gehouden; waarin quasi-universeel (want logisch) gemotiveerde
structuren als schijnordes worden ontmaskerd en waarin de dualistische opdelingen die in onze 'ordelijke' wereld voor houvast
zorgen (goed/fout, binnen/buiten, verbeelding/werkelijkheid) worden ondergraven. Het zijn allemaal tekstkenmerken die ook
terug te vinden zijn in Bart Vervaecks studie
Het postmodernisme in de Nederlandse en Vlaamse roman. Verhelst kan dan ook gelden als (impliciete) kroongetuige van de daarin gepresenteerde visie op het postmodernisme.
21
7. (Wan)orde als obsessie
Bezien we
Tongkat vanuit het perspectief van het structuren en ordeningen ontmaskerende postmodernisme, dan valt vooral op dat het begrip 'orde'
voor veel personages in
Tongkat een obsessie is. Ook zijn tegenpool, de wanorde, komt meermaals ter sprake. Een van de interessantste gevallen van dit laatste
is de passage waarin de jongen uit het eerste hoofdstuk het verhaal dat hij vertelt als volgt omschrijft (p.80-81):
Vandaag heb ik mijn kleren in repen gescheurd. Op elke reep schreef ik zinnen die samen een verhaal vormen. Dit verhaal. Die
kleurige linten heb ik rond de poten van mijn vogels gebonden. Daarna heb ik als een gek op mijn eiland rondgelopen om de
vogels te verjagen. Maar ze bleven terugkomen. Uit gewoonte. Na een tijd aarzelden ze. Ten slotte hingen ze als een veelkleurige
wolk boven mijn eiland. Toen begonnen ze uit te zwermen. (...) Ik hou ervan te denken dat anderen die vogels zullen vangen,
betoverd door hun veelkleurigheid. Ze zullen de linten wegknippen en mijn woorden lezen. Misschien zullen ze er hun eigen
verhaal mee maken, geprikkeld door de onaffe zinnen. Misschien ook niet.
Een van de vertellers van het verhaal van
Tongkat presenteert dat verhaal als iets dat per definitie niet gefixeerd kan worden; als de ultieme chaos. Zodra de vogels uitgezwermd
zijn, is het praktisch ondenkbaar dat alle stroken met tekst op enig moment op dezelfde plaats terechtkomen, laat staan dat
dat twee keer achter elkaar gebeurt. Met andere woorden: voor geen twee lezers kan het verhaal hetzelfde zijn omdat het zich
in oneindig veel, nimmer 'volledige', configuraties voordoet.
Tegenover deze representatie van de tekst als anti-structuur staan de talloze passages in de roman waarin juist van strakke
ordeningen sprake is. Woorden als 'netwerk', 'configuratie', 'choreografie' en 'structuur' komen vaak voor, vooral wanneer
de lezer uit de context van die woorden niet de indruk krijgt dat er van een ordelijk gebeuren sprake is. Zo wordt de vrolijke
chaos van het volstrekt losbandige leven in het paleis, na het vertrek van de koning, beschreven als een 'netwerk van overspel'
(p.61). En wanneer tijdens de winter overal in de stad de lijken op straat liggen, worden de kriskras verspreide lijken beschreven
als 'een netwerk in de vorm van een spinnenweb. Een nieuwe configuratie' (p.253). Volstrekt willekeurige sequenties van gebeurtenissen
worden beschreven als hingen ze hecht met elkaar samen. Zo wordt de medewerkers van de verzetsbeweging verzocht 'systematisch
te werken' (p.60): aan hun verzet tegen de macht van het paleis, dat op de lezer nogal willekeurig en chaotisch overkomt,
ligt klaarblijkelijk een nauwgezet strijdplan ten grondslag - een plan dat overigens niemand kent. Het wordt in de roman ook
nergens geëxpliciteerd.
Hetzelfde procédé, waarin chaos als (hogere) orde wordt gepresenteerd, zien we bij de beschrijving van de arrestatie van Prometheus
in hoofdstuk 4. De weinig systematische zoektocht naar de verdachte wordt als een vorm van hogere wiskunde voorgesteld. Aanvankelijk
had men het nog systematisch aangepakt: 'De stad hadden ze als een schaakbord verdeeld en elk vierkant minutieus doorzocht,
maar zonder resultaat' (p.144). Toen die systematiek niet werkte, koos men een andere strategie:
Al snel hadden ze ondervonden dat iemand zich niet altijd op de zelfde plek schuilhoudt; het opsporen van mensen is de juiste
combinatie van vinden van ruimte en tijd. Ze besnuffelden wat ze hadden gevonden (...) en volgden het spoor. Op het schaakbord
beschreven ze paardensprongen, schoven torens heen en weer, pionnen schoten kriskras over de vierkanten. Verzamelen! Verzamel
sporen! Nauwgezet werden die sporen geanalyseerd en in kaart gebracht omdat men geloofde dat ze een systeem aan het licht
zouden brengen. (...) Ze bestudeerden veelvormige fractalen om hun volgende zet voor te bereiden. Ze waren getraind in precisie,
koppigheid en geduld. Op een dag rinkelde de bevrijdende telefoon in het zenuwcentrum. De wetenschap had getriomfeerd.
Het onmiskenbare obscurantisme dat de strategie van Prometheus' opspoorders kenmerkt, komt in de roman vaker voor. De beschreven
handelingspatronen vertonen vaak hetzelfde soort doelloze patronen als rituelen. Dwangmatig en schier onbewust worden allerlei
onnozelheden verricht als betrof het cruciale onderdelen van een gewijde ceremonie; nieuwe leden van het ondergronds verzet
ondergaan een inwijdingsritueel (p.57); de rituele executie van rebellen in de stad verloopt volgens een potsierlijk patroon
vol nutteloos vertoon (p.20); wanneer er feest gevierd wordt, wordt dat beschreven als het opvoeren van 'choreografieën (...)
volgens de eeuwenoude regels van de kunst' (p.60); er wordt een kabbalistisch aandoend spel met lettertekens gespeeld (p.21)
en er komen opvallend veel cyclische tijdpatronen voor, bijvoorbeeld in de talrijke gevallen waarin personages al lopend opeens
teruggekeerd blijken te zijn in hun geboortedorp of bij het punt van vertrek. In al deze gevallen worden ordeningen gesuggereerd.
De chaotische verhaalgebeurtenissen worden gepresenteerd als onderdelen van (verborgen) structuren.
Wat de ordeningen in
Tongkat bindt, is hun niet-doelmatige karakter. Ze zijn ook in dat opzicht anders dan de pragmatische, rationele, logisch-chronologische
ordeningen die kenmerkend zijn voor wat we in het alledaags taalgebruik onder 'strategie' verstaan. Deze onalledaagsheid van
de beschreven structuren wordt ook benadrukt door de beeldspraak die Verhelst hanteert wanneer hij zijn personages over ordeningen
laat spreken. De 'fractalen' die de opspoorders van Prometheus als model nemen van hun zoektocht, bijvoorbeeld, niet omdat
het daarbij om een nieuw en onbekend verschijnsel gaat (aan het begrip 'fractal' is in de afgelopen twintig jaar door veel
kunstenaars gerefereerd), maar om een andere reden. De fractal, een begrip uit de zogenaamde chaoswiskunde, is een meetkundige
figuur waarin een zelfde motief zich op steeds kleinere schaal herhaalt. Zulke figuren beschrijven ogenschijnlijk chaotische
natuurlijke configuraties, zoals kustlijnen, bloemkolen, de takken van een boom en dergelijke. Kenmerk van
fractal-metafoor is dat zij tegelijk de volstrekte chaos suggereert (denk aan de ogenschijnlijk volkomen willekeurige contouren van
een bloemkool) als een ultieme orde (elk roosje heeft exact dezelfde structuur als de hele kool) - de wat magische, betrekkelijke
chaos van de bloemkool, zoals die bijvoorbeeld ook in het werk van Atte Jongstra figureert.
22
Een vergelijkbaar effect hebben andere in
Tongkat gebruikte metaforen voor orde, zoals het spinnenweb (p.253) en het labyrint (p.126). Maar het meest duidelijke, en ook het
meest voorkomende, voorbeeld van dit type beeldspraak is in de roman wel de metafoor van de uitzaaiing. De werkwijze van het
ondergronds verzet wordt in medisch-biologische termen beschreven: het verzet wil zich over de stad verspreiden als een 'virus'
(p.187). Men beoogt een epidemie te veroorzaken. De 'kankercellen' (p.311) van de revolutie moeten door middel van 'celdeling'
(p.66) zorgen voor uitzaaiing. Ook bij deze metafoor wordt een spel gespeeld met orde en chaos. Celdeling is enerzijds een
proces dat zich door de denkende, onderzoekende en ordenende mens volmaakt heeft laten beschrijven (orde), maar anderzijds
is het het kenmerk van kanker, een ziekte waarmee diezelfde mens de strijd nog steeds niet gewonnen heeft (ongrijpbaarheid,
chaos).
De ordeningen in
Tongkat zijn ongrijpbaar. Die ongrijpbaarheid wordt soms veroorzaakt doordat de bereikte orde niet in de traditionele, tweewaardige
logica te vangen is (wanneer Verhelst over 'fractalen' schrijft, refereert hij aan een recente uitvinding: de chaoswiskunde
bestaat pas sinds we beschikken over bijzonder krachtige computers en hun grafische animaties). Soms is de orde ongrijpbaar
omdat zij buiten de menselijke controle om ontstaan is, wat als bedreigend ervaren wordt (uitzaaiing). In beide gevallen gaat
de ordening gepaard met een zeker obscurantisme, waardoor deze bij uitstek rationele handeling in de roman gerepresenteerd
wordt als ongrijpbaar, en dus tot op zekere hoogte juist irrationeel.
Deze ontmaskering van het ordenen wordt in de roman op verschillende niveaus uitgevoerd. De kamerjongen van het paleis die
in het laatste hoofdstuk aan het woord is, gebruikt op een gegeven moment opnieuw een medisch-biologische metafoor voor de
verzetsbeweging waarvan hij deel uitmaakt (p.311):
Ooit vertelde Holger me over astrocytomen, kankercellen in de vorm van een ster. De punten van de ster breken af en vermenigvuldigen
zich, ster na ster, tot een web van sterren in het hoofd gesponnen is. Tot het hoofd zelf te klein is geworden. Waren wij
astrocytomen?
In dit laatste zinnetje, waarin het vergelijkende woordje 'als' lijkt te ontbreken, geeft de kamerjongen zich geen rekenschap
van de fundamentele ontologische gescheidenheid van beeld (astrocytomen) en strekking (de leden van het verzet). Dit is een
gewoonte van alle rebellen in de roman, die op hetzelfde neerkomt als het door elkaar halen van letterlijke en figuurlijke
betekenissen dat ik eerder beschreef. De leden van het verzet leven naar de metafoor van de uitzaaiing: ze zijn niet
als cellen, ze
zijn cellen; hun ideologie is niet
als een virus, het
is een virus. De orde die zij aan de wereld opleggen is een metaforische orde, een alsof-orde die niet echt is. Dat zij zich
hiervan niet bewust zijn (het door elkaar halen van letterlijke en figuurlijke betekenissen is immers niet intentioneel, niet
een kwestie van willen maar van niet anders kunnen), schijnt niet ter zake te doen. Zij worden er in elk geval niet op afgerekend.
De 'onechtheid' van de ordeningen is een cruciaal aspect van
Tongkat. De roman laat zien dat 'echtheid' of 'waarachtigheid' criteria zijn die er niet toe doen voor wie de wereld ordenen wil.
Elke orde is in principe willekeurig omdat een orde iets is dat aan de werkelijkheid wordt opgelegd, niet iets dat van die
werkelijkheid deel uitmaakt. Ordening is niet in de werkelijkheid verankerd, maar in het structurerend brein van degene die
de ordening aanbrengt. Deze roman, die ordening representeert als een irrationele en obscure handeling, gaat over de willekeur
van de systematiek. Uitgaand van de premisse dat er, tussen alle versies die we in verhalen van de werkelijkheid geven, niet
één echte werkelijkheid is en van de premisse dat er is geen grondniveau van feitelijkheden is waar niemand onder uit kan,
wordt 'de' werkelijkheid ontmaskerd als de imaginaire som van een in principe onbeperkt aantal representaties van die werkelijkheid.
Zo'n representatie is een ordening, een aangebrachte structuur.
Wie zijn eigen (of andermans) ordening voor 'de werkelijkheid' aanziet en anderen ertoe dwingt haar als universeel gegeven
te aanvaarden, maakt zich schuldig aan terreur. Het is de handelwijze van de potentaat: hij onderwerpt de aan hem onderworpenen
aan een schijnorde die inperkt; die we wereld opdeelt in categorieën; die uitgaat van dualismen: goed en fout, waar en onwaar,
droom en realiteit, letterlijk en figuurlijk. Het zijn precies deze dualismen die, als gezegd, in
Tongkat op de helling gaan. De wereld van de roman wordt nadrukkelijk niet in statische klassen verdeeld.
23 De postmodernist Verhelst is geïnteresseerd in de overgangen tussen zulke klassen, in het in elkaar overgaan van de uitersten
die door de dualist krampachtig uit elkaar gehouden worden. Dualiteiten horen bij een manier van denken in categorieën en
kwalificaties die in
Tongkat ontluisterd wordt. Droom en werkelijkheid zijn in elkaar overlopende categorieën in een roman die mensen elkaars dromen binnen
laat wandelen. Leven en dood worden door wedergeboortes met elkaar verbonden. Het onderscheid tussen ik en de ander wordt
arbitrair, want personages gaan in elkaar over en ondergaan gedaanteverwisselingen. 'Je est un autre' is de lijfspreuk van
de koning (p.227) en
morphing zijn grootste preoccupatie.
Ook de
morphing van ontologisch gescheiden werelden past in dit beeld. De roman is doordesemd met de veranderende structuren en grensoverschrijdingen:
water wordt ijs wordt water, personages veranderen van lichaam of gaan in elkaar over, figuurlijke betekenissen worden letterlijk
opgevat en vooral: fictie wordt werkelijkheid.
24 Er is in de roman geen principieel verschil tussen fictie en werkelijkheid. Of: er is geen werkelijkheid zonder dat er ficties
zijn.
8. De orde van verhalen en conduct books
In het tweede hoofdstuk van
Tongkat staat beschreven hoe Ulrike Prometheus meeneemt naar de stad. Het is voor Prometheus de eerste keer dat hij daar komt en
hij heeft zich terdege voorbereid op de problemen die hij er kan tegenkomen (p.115):
Ze naderden het centrum van de stad. Ze (Ulrike) knipoogde hem (Prometheus) toe. Hij herhaalde het in zijn hoofd. Ten eerste:
wie op een overvol trottoir loopt, neemt het ritme van het trottoir over, een constante snelheid die iedereen in staat stelt
op tijd uit te wijken. Wie dat ritme verstoort, veroorzaakt botsingen. Ten tweede: men kijkt elkaar niet aan, tenzij om elkaar
te kunnen ontwijken.
De cursief gedrukte tekst lijkt op een soort gebruiksaanwijzing. Het zou een citaat uit een boekje als
Hoe te handelen in de grootstad? kunnen zijn: een
conduct book dat heldere instructies verschaft. Prometheus heeft zich, voordat hij naar de stad ging, verdiept in een handleiding waarin
overzichtelijk de duidelijke regels beschreven staan van het geordend systeem van het stadsverkeer. Citaten uit zulke instructieve
teksten, steeds cursief gedrukt, komen meer voor in de roman. Zo citeert Ulrike uit een opvoedkundige handleiding die haar
moeder gebruikte (p.126); worden er stukjes uit een
Handboek voor de soldaat geciteerd ('
Burgers nooit onmiddellijk doden!' en '
Elke moord moet op een zelfmoord lijken', p.128) en wordt er een tekst met leefregels voor kloosterlingen aangehaald (p.199).
25
'In Augenblicken sozialer Desorganisation', schrijft Helmut Lethen in zijn studie
Verhaltenslehren der Kälte, 'in denen die Gehäuse der Tradition zerfallen und Moral an Überzeugungskraft einbüsst, werden Verhaltenslehren gebraucht':
conduct books met regels en voorschriften die het leven overzichtelijk maken, ambivalentie en onzekerheid wegnemen en heldere grenzen stellen:
26
Die Regeln der Verhaltenslehren haben die Funktion (...) elementare Dinge unterscheiden zu helfen: Eigenes und Fremdes, Innen und Aussen, Männliches und Weibliches. Sie sollen die Vermischung der Sphären verhindern.
Ook de personages in
Tongkat hebben behoefte aan houvast. Ze zoeken die in teksten waarin heldere onderscheidingen worden aangeboden die de werkelijkheid
overzichtelijk opdelen in dualismen. Er doet zich in
Tongkat dus de paradoxale situatie voor dat de kenmerken van de rationele ordening die de roman ondergraaft tegelijk door de personages
gezocht worden;
Tongkat stelt de rigiditeit van de dualismen aan de kaak, maar de personages blijken het niet zonder de regulerende werking ervan
te kunnen stellen.
De overzichtelijkheid van de opdelingen wordt niet alleen gezocht in
conduct books, maar ook in andere teksten. De apodictische orakels van de magiër Juan, bijvoorbeeld, zijn eerst voor de koning, later voor
de leiders van het verzet een leidraad. Ook verhalen functioneren in de roman als aanbrengers van orde en houvast. Maar het
gaat om een houvast waarvan de personades zich schijnen te realiseren dat het vals is: verhalen worden in de roman regelmatig
beschreven in termen van narcotica en drugs: ze worden op een spiegelscherf gelegd en versneden, inhalig opgesnoven, ingespoten
of onder de tong gelegd. In hoofdstuk 5 ruilt Ulrike enkele van haar verhalen met de moeder van Prometheus, haar collega-prostituée
(p.184):
Ik moest haar betalen met verhalen (...) Haar verhalen, verklapte ze, kon ik meenemen naar huis, in een vijzel stoppen, ze
op suikerklontjes druppelen, vermengen met tabak, samenpersen tot pillen en die onder mijn tong leggen
Verhalen zijn bedwelmend, ze sussen je in slaap. De orde die ze aanbrengen is misleidend en verslavend. Maar de personages
in de roman willen graag misleid worden: ze kunnen niet van de poeders en de pillen afblijven en frequenteren het verhalenbordeel.
Steeds bedden ze realiteiten in in ficties; steeds zoeken ze hun toevlucht tot de conventionele vorm van het verhaal die een
schijnstructuur aanbrengt in de werkelijkheid.
9. Besluit: iconiciteit
Keren we tot slot terug naar de lezer. Het vergaat de lezer van
Tongkat als Prometheus, wanneer deze voor het eerst de stad inloopt. Ook hij zoekt naar structuur en houvast. Waar Prometheus een
conductieve tekst nodig had om zich in de chaos van de stad staande te houden, daar creëert de lezer een dergelijke leidraad
zelf. Het schrift, waarin ik als een boekhouder de verhaalgebeurtenissen en beelden op een rijtje zette die ik nodig had om
een logische chronologie te kunnen construeren, was míjn
conduct book.
Verhelst mag in interviews benadrukken dat zijn werk moet worden ondergaan in plaats van begrepen, en Ruben van Gogh mag Verhelst
bij zijn 'generatie' inlijven omdat hij de literaire tradities verlaat, dat neemt niet weg dat de lezer die leest volgens
een onbewuste 'laat-maar-over-je-heenkomen'-methode iets cruciaals ontgaat. Verhelst speelt in deze (postmoderne) roman met
de (modernistische) leesgewoontes van zijn lezer. Hij maakt op een uitgekiende manier gebruik van die gewoontes. Enerzijds
stimuleert hij zijn lezer de klassieke instrumenten van de gangbare, op het
New Criticism geënte, leesstrategie te gebruiken, anderzijds laat hij die leeswijze hopeloos ontsporen.
Onder het chaotische oppervlak van de dingen gaat een in principe ordelijke dieptestructuur schuil (de wereld als natuurlijke
orde); wat binnen is, kan niet tegelijk buiten zijn (dualismen); de consequenties van wat gisteren gebeurde, zijn vandaag
manifest (chronologie) - omdat de vooronderstellingen van het gangbare lezen van dezelfde orde zijn als de vooronderstellingen
van het pre-postmodernistisch wereldbeeld dat in
Tongkat wordt aangevochten, doet zich in de roman een bijzondere vorm van iconiciteit voor.
27 Met weglating van alle literaire aspecten van de roman en dus nogal verwrongen en karikaturaal, zou je kunnen zeggen dat
de strekking van
Tongkat te vertalen is in algemene waarheden of zelfs 'leefregels' als deze: representaties van de werkelijkheid zijn willekeurig;
realiteiten bestaan niet los van de vormen waarin ze door de mens gevat worden, dus alles moet als fictie, als vorm ontmaskerd
worden; elke ordening is een aangebrachte ordening die niet 'van nature' gegeven is. De lezer die zich in de loop van de lectuur
voor dergelijke regels gewonnen geeft, merkt tegelijkertijd dat hij ze al lezende met voeten treedt. De gecompliceerde verhaalstructuur
van
Tongkat confronteert hem met zijn vooronderstellingen over de lectuur, en dat zijn precies de vooronderstellingen waarmee de roman
afrekent.
Verhelst laat het niet bij ontregeling van de lectuur. De vooronderstellingen die
Tongkat aan de kaak stelt, betreffen niet alleen de literatuur, maar ook de constructie (of: de maakbaarheid) van de werkelijkheid.
De roman is daarom méér dan wat Linda Hutcheon een 'late modernist attempt (...) to explode realist narrative conventions'
noemt; de roman is wel degelijk ook verankerd in de sociale en politieke werkelijkheid - een kenmerk dat volgens Hutcheon
wezenlijk is voor het postmodernisme.
28 En dat engagement is alleen zichtbaar voor wie oog heeft voor Verhelsts uitgekiende literaire spel.
Tongkat is een prachtige concretisering van de complexe tragiek van de postmoderne conditie. Natuurlijk: alles wat voor 'vaste werkelijkheid'
wordt gehouden, is feitelijk relatief en contingent. Maar dat idee heeft ook zijn gevaren. Wanneer alles als illusie of als
fictie ontmaskerd is, dan blijft er niets meer over dat van waarde is. Of andersom: dan is alles wel zo'n beetje even goed.
Wil je het gevaar van deze consequentieloze vrijblijvendheid van het
anything goes omzeilen, zul je toch weer een (inperkende, afbakenende) positie in moeten nemen.
29 Deze paradoxale situatie, waarvan Verhelst zich op elke bladzijde van
Tongkat bewust toont, is ook de situatie van de lezer van de roman.
Aangehaalde literatuur
1. Ernst van Alphen, Bij wijze van lezen. Verleiding en verzet van Willem Brakmans lezer. Muiderberg 1988.
2. Christine Brackmann & Thomas Vaessens, 'De betrekkelijke chaos van de bloemkool. Een interview met Atte Jongstra'. In:
Vooys 9-4, 1991, p.13-17.
3. W. Bronzwaer, Lessen in lyriek. Nieuwe Nederlandse poëtica, Nijmegen 1993.
4. Bert Bultinck, 'De onthoofde revolutie'. In Yang 36-2, 2000, p.172-178.
5. Jonathan Culler, The Pursuit of Signs. Semiotics, Literature, Deconstruction. London/New York 2001 (oorspr. 1981).
6. Albert Gelpi, 'The Genealogy of Postmodernism: Contemporary American poetry'. In: The Southern Review 26-3, 1990.
7. Hans Goedkoop, 'Ik schep dus ik vernietig. Het bordeel van Peter Verhelst'. In: NRC Handelsblad 7-5-1999.
8. Ruben van Gogh, 'Inleiding'. In: Sprong naar de sterren. De laatste generatie dichters van de twintigste eeuw. Utrecht
1999, p.5-12.
9. Luc Herman & Bart Vervaeck, Vertelduivels. Handboek verhaalanalyse. Nijmegen/Brussel 2001.
10. Linda Hutcheon, A Poetics of Postmodernism. History, Theory, Fiction. New York/London 1988.
11. Jos Joosten & Thomas Vaessens, 'Postmodernisme in de Nederlandse en Vlaamse poëzie. Een verkenning'. In: Nederlandse letterkunde
6-1, februari 2002, ter perse.
12. Helmut Lethen, Verhaltenslehren der Kälte. Lebensversuche zwischen den Kriegen. Frankfurt am Main 1994.
13. Brian McHale, Postmodernist Fiction. London/New York 1989.
14. Charles Newman, The Post-Modern Aura. The Act of Fiction in an Age of Inflation. Evanston 1985.
15. Patrick Peeters, 'De handel in illusies. Over Tongkat van Peter Verhelst'. In: Harry Bekkering & Ad Zuiderent, Jan Campert-prijzen
2000, Nijmegen 2000.
16. Sander Pleij, ''Op engagement zul je mij niet betrappen'. Interview met de auteur van De kleurenvanger'. In: De groene
Amsterdammer, 20-11-1996.
17. Marc Reugebrink, 'Ingewanden lezen'. In: De groene Amsterdammer, 26-5-1999.
18. Susan Sontag, Against Interpretation and other essays. New York 1966.
19. Thomas Vaessens, De verstoorde lezer. Over de onbegrijpelijke poëzie van Lucebert. Nijmegen 2001.
20. Peter Verhelst, Tongkat. Een verhalenbordeel. Amsterdam 2000.
21. Bart Vervaeck, Het postmodernisme in de Nederlandse en Vlaamse roman. Brussel/Nijmegen 1999.
22. --, 'Tot je sterren ziet'. In: De morgen 14-5-1999.
23. Tom van de Voorde, 'De mechaniek achter het sublieme'. In: FET Cultuur, 27-5-2001.
24. Jack van der Weide, Detective en anti-detective. Narratologie, psychoanalyse, postmodernisme. Nijmegen 1996.
25. Peter Zima, Moderne/Postmoderne. Gesellschaft, Philosophie, Literatur. Tübingen/Basel 1997.
Noten
1 Ruben van Gogh, 'Inleiding'. In:
Sprong naar de sterren. De laatste generatie dichters van de twintigste eeuw. Utrecht 1999, p.5-12.
2 Tongkat is slechts een van de vele titels van de uiterst productieve Verhelst. Wie kwaad wil, verwijt de auteur dat
Tongkat zijn zoveelste min of meer gelijkgekleurde symbolenreeks is (alwéér die aardbeien, dat kloppend vlees, de kleur rood, het
pentagram etcetera). Verhelsts oeuvre grijpt aan alle kanten in elkaar: beelden, motieven en thema's keren letterlijk in elke
roman of dichtbundel terug. Elk afzonderlijk boek kan dienen als pars pro toto van de hele reeks, ook al omdat de relaties
die binnen de grenzen van het afzonderlijke boek worden gelegd tussen de inhoudelijke en beeldende elementen van dezelfde
aard zijn als de relaties tussen de verschillende boeken: Verhelst componeert volgens een soort domino-effect: beeldenrijm
is zijn voornaamste stijlmiddel. De ketens van inhoudelijke en beeldende elementen zijn niet logisch-chronologisch geordend,
maar associatief. Ze houden niet op aan het eind van het boek, maar worden hernomen in het volgende.
3 Zie bijvoorbeeld Marc Reugebrink, 'Ingewanden lezen'. In:
De groene Amsterdammer, 26-5-1999.
4 Tom van de Voorde, 'De mechaniek achter het sublieme'. In:
FET Cultuur, 27-5-2001. Vgl. Patrick Peeters, 'De handel in illusies. Over
Tongkat van Peter Verhelst'. In: Harry Bekkering & Ad Zuiderent,
Jan Campert-prijzen 2000, Nijmegen 2000. Peeters formuleert geen rechtstreekse kritiek, maar zijn kwalificatie van de roman als proeve van 'het aan
de oppervlakte blijvend esthetisch postmodernisme' impliceert een zelfde verwijt. Ik kom hier in noot 29 op terug.
5 Als uitzonderingen kunnen hier worden genoemd de recensies van Bart Vervaeck ('Tot je sterren ziet') in
De morgen van 14-5-1999 en van Hans Goedkoop ('Ik schep dus ik vernietig') in
NRC van 7-5-1999. Vervaeck, die (de lectuur van) de roman analytisch bekijkt, schrijft o.m.: 'Minder dan intrigerend is deze
roman nooit. Het is een boek dat je nauwelijks toelaat een duidelijk oordeel te vormen omdat het steeds een omgekeerde aandraagt
van wat je gedacht of besloten had'. Goedkoop geeft een uitgebreid interpretatievoorstel. Hij leest de roman als een kritiek
op de doorgeschoten 'maakbaarheidsgedachte': 'de samenleving blijft [in de roman] over als een mooi gerationaliseerd maar
daarmee leeg systeem'.
6 Sander Pleij, ''Op engagement zul je mij niet betrappen'. Interview met de auteur van
De kleurenvanger'. In:
De groene Amsterdammer, 20-11-1996. Van het interview is een online-versie beschikbaar:
http://www.groene.nl/1996/47/sp_verhe.html
7 Ik volg de paginering van de vierde druk: Peter Verhelst,
Tongkat. Een verhalenbordeel. Amsterdam 2000.
8 Jonathan Culler, 'Story and Discourse in the Analysis of Narrative'. In: dez.,
The Pursuit of Signs. Semiotics, Literature, Deconstruction. London/New York 2001 (oorspr. 1981), p.188-208. Citaat p.189.
9 Mieke Bal onderscheidt naast fabel en verhaal (story/sujet) ook nog een derde niveau: tekst.
10 Zie bijvoorbeeld Luc Herman & Bart Vervaeck,
Vertelduivels. Handboek verhaalanalyse. Nijmegen/Brussel 2001, hoofdstuk 2.
11 Culler,
The Pursuit of Signs, p.190. 'The analyst is confronted with a single narrative and must postulate what "actually happens"', schrijft Culler ook,
'in order to be able to describe and interpret the way in which this sequence of events is organized, evaluated, and presented'
(p.190), en dat geldt des te sterker wanneer er, zoals in
Tongkat, vanuit meerdere perspectieven wordt verteld. 'If narrative is defined as the representation of a series of events, then
the analyst must be able to identify these events, and they come to function as a nondiscursive, nontextual given, something
which exists prior to and independently of narrative presentation and which the narrative then reports' (p.190). En: 'Analysis
of narrative depends on the distinction between story and discourse, and this distinction always involves a relation of dependency:
either the discourse is seen as a representation of events which must be thought of as independent of that particular representation,
or else the so-called events are thought of as the postulates or products of a discourse' (p.207-208).
12 Jack van der Weide acht het primaat van de geschiedenis in zijn mooie studie
Detective en anti-detective. Narratologie, psychoanalyse, postmodernisme (Nijmegen 1996, p.194) kenmerkend voor de traditionele, realistische narratieve logica.
13 Culler,
The Pursuit of Signs, p.191.
14 De term 'dechiffrering' ontleen ik aan Bart Vervaeck,
Het postmodernisme in de Nederlandse en Vlaamse roman. Brussel/Nijmegen 1999, p.47.
15 Wat voor mythen geldt, geldt ook voor literaire teksten. Ook deze worden in
Tongkat als scenario ingevoerd. Zie bv. de verwerking van de
Decamerone op p.90.
16 Bert Bultinck ('De onthoofde revolutie', in
Yang 36-2, 2000, p.172-178.) gaat ervan uit dat het hier referenties aan de Chileense 'mothers of the dissapeared' betreft (p.177)
17 Zie voor een uitgebreide motivering van deze premissen van de gangbare (nieuw-kritische) leesstrategie Jos Joosten & Thomas
Vaessens, 'Postmodernisme in de Nederlandse en Vlaamse poëzie. Een verkenning' (in:
Nederlandse letterkunde 2001, ter perse), §2
De gangbare leesstrategie.
18 Zie Joosten & Vaessens, 'Postmodernisme in de Nederlandse en Vlaamse poëzie'. Hetzelfde wordt, gedemonstreerd aan de poëzie
van Lucebert, eerder voorgesteld in Thomas Vaessens,
De verstoorde lezer. Over de onbegrijpelijke poëzie van Lucebert (Nijmegen 2001).
19 Sontag noemde interpretatie 'the revenge of the intellect upon art' (in:
Against Interpretation and other essays. New York, 1966, p.7). Vergelijk Charles Newman,
The Post-Modern Aura. The Act of Fiction in an Age of Inflation. Evanston 1985, p.27.
20 Ik ben me ervan bewust dat lezers zich op dit punt van mijn betoog kunnen afvragen of ik niet een te zeer 'afgevlakt' beeld
van het modernisme vooronderstel. Ik meen echter dat de reflectie op het modernisme van de afgelopen decennia ten onrechte
nogal postmodern gekleurd is. Het is verleidelijk gebleken historisch avant-gardistische en modernistische teksten vanuit
een min of meer postmodern perspectief te lezen. In studies naar werk of poëtica van auteurs uit het begin van de twintigste
eeuw zijn juist die aspecten benadrukt die anticipeerden op het postmodernisme. 'The discussion of modernism has concentrated
on the shattering of formal conventions as an expression of the disintegration of traditional values', schrijft bijvoorbeeld
Albert Gelpi ('The Genealogy of Postmodernism: Contemporary American poetry'. In:
The Southern Review 26-3, 1990, p.518). Hier dreigt begripsverwarring. Het probleem dat aan die verwarring ten grondslag ligt, is dat modernisme
en moderniteit geen historisch parallelle verschijnselen zijn. Het modernisme is, in de woorden van Peter Zima (
Moderne/Postmoderne. Gesellschaft, Philosophie, Literatur. Tübingen/Basel 1997), een 'spätmoderne Selbstkritik der Moderne'. Voor de historische avant-garde geldt m.i. hetzelfde:
in een aantal opzichten hebben de kritische modernist en de geëngageerde (historische) avant-gardist al afstand genomen van
de moderniteit. Dit verklaart de (wat ik zou noemen:) postmoderne trekken van dichters als Van Ostaijen en Pound. Bij hun
is het houvast dat zij vinden in de poëzie nog maar een heel schrale rest van het moderne geloof in het ordenende vermogen
van taal en subject. Maar op een aantal cruciale punten is die afstand tot de moderniteit er nog niet. Van Ostaijen experimenteert
in de chaotische tekst
Bezette stad met 'postmodernismen' als extreme fragmentatie en pastiche, maar in zijn geval gaat het om een homeopathische chaos, een
poging de cultuur te beschermen tegen de chaotische (technologische en ideologische) veranderingen van tijdens en direct na
de Eerste Wereldoorlog.
21 Bart Vervaeck,
Het postmodernisme in de Nederlandse en Vlaamse roman. Brussel/Nijmegen 1999.
Tongkat kon Vervaeck in 1999 uiteraard nog niet meenemen in deze studie.
22 Zie hierover Christine Brackmann & Thomas Vaessens, 'De betrekkelijke chaos van de bloemkool. Een interview met Atte Jongstra'.
In:
Vooys 9-4, 1991, p.13-17
23 Bart Vervaeck, die in
Het postmodernisme in de Nederlandse en Vlaamse roman terecht nogal wat nadruk legt op het a-logische en anti-rationele van het postmodernisme, schrijft: 'Je kunt een postmoderne
roman niet vatten door gebruik te maken van cartesiaanse 'idées claires et distinctes'. Begrippen delen de wereld op en creëren
statische klassen, terwijl de postmoderne wereld altijd een samenhang en een dynamiek is. Het gaat niet om het opdelen, maar
om de overgang tussen realiteit en fictie, buiten en binnen, toen en nu, volheid en leegte' (p.53).
24 Zulke grensoverschrijdingen worden door ook o.a. Ernst van Alphen (
Bij wijze van lezen. Verleiding en verzet van Willem Brakmans lezer. Muiderberg 1988) en Jack van der Weide (
Detective en anti-detective. Narratologie, psychoanalyse, postmodernisme. Nijmegen 1996, hoofdstuk 8) in verband gebracht met een postmodernisme-concept als dat van Brian McHale (
Postmodernist Fiction. London/New York 1989) omdat ze een vermenging van traditioneel gescheiden ontologieën inhouden.
25 In dit laatste geval is het citaat bij uitzondering in de 'Verantwoording' achter in
Tongkat geannoteerd: het betreft een fragment uit de eerdergenoemde
Mystieke werken van Johannes van het Kruis.
26 Helmut Lethen,
Verhaltenslehren der Kälte. Lebensversuche zwischen den Kriegen. Frankfurt am Main 1994, p.7 en p.36.
27 Ik rek de gebruikelijke betekenis van 'iconiciteit' in het hiernavolgende enigszins op. Bronzwaer definieert iconiciteit
als het verschijnsel dat de vorm of organisatie van de tekst fungeert als icoon van de inhoud ervan (W. Bronzwaer,
Lessen in lyriek. Nieuwe Nederlandse poëtica, Nijmegen 1993, p.29); ik signaleer dat het effect dat (de organisatie van) de tekst sorteert bij de lezer, een weerspiegeling
is van de inhoud.
28 Linda Hutcheon,
A Poetics of Postmodernism. History, Theory, Fiction. New York/London 1988, p.xii-ix.
29 Daarin zit hem ook het gecompliceerde engagement van de roman. 'Op engagement zul je mij niet betrappen', zei Verhelst in
het eerder geciteerde
Groene-interview (
http://www.groene.nl/1996/47/sp_verhe.html). Expliciete maatschappijkritiek ontbreekt inderdaad in
Tongkat. Patrick Peeters noemde Verhelst in een beschouwing over de roman om die reden 'een typische vertegenwoordiger van het aan
de oppervlakte blijvende esthetisch postmodernisme' ('De handel in illusies', zie noot 4). Maar of die gevolgtrekking juist
is, betwijfel ik. Liever zou ik stelling verdedigen dat Verhelst in
Tongkat juist het consequentieloze
anything goes van het esthetisch postmodernisme aanvalt, maar zulks valt buiten het bestek van dit artikel.
