Categoriearchief: taalkunde

Etymologie: rataplan

Door Michiel de Vaan rataplan zn. ‘rommel’ Nnl. rataplan ‘rombom’, nabootsing van het geluid van een trommel. Het vroegst aangetroffen in Rataplan, of de jonge Trommelslager, titel van een uit het Frans vertaald blijspel (1825). Daarna bekend geraakt door het … Lees verder

Geplaatst in taalkunde | Getagged | Één reactie

Etymologie: pruilen

Door Michiel de Vaan pruilen ww. ‘de lippen tuiten van teleurstelling’ Middelnederlands pruulstu ‘pruil jij’ (ende alsment di bidt, so pruulstu ‘rogata non cantas’; Hol. 1464–1485), hi pruult ‘hij pruilt’ (Hol., 1430–1450), pruylen ‘mopperen’ (1477). Nieuwnl. pruylen ‘mopperen, treuren’ (1552–1554), … Lees verder

Geplaatst in taalkunde | Getagged | Een reactie plaatsen

Etymologie: pimpelpaars

Door Michiel de Vaan pimpelpaars bn. ‘hard paars’ Nnl. pumpel bn. (1617), pimpel zn. ‘paars’ (1624), pimpelpaers bn. (Bredero, 1610–1619), pumpelpaers (1642), pimpelpeers (1650). Daarnaast de verbinding pimpel en peers (1733), pimpel en paars (1738). Pumpel is waarschijnlijk ontstaan door … Lees verder

Geplaatst in taalkunde | 4 Reacties

Etymologie: woerd

Door Michiel de Vaan woerd, waard zn. ‘mannetjeseend’ Als oudste attestatie wordt Mnl. woerde mv. (1380, Kameraarsrekeningen Utrecht) aangezien. Maar dat het hier daadwerkelijk om ‘woerden’ en niet om ‘woorden’ gaat lijkt me, gezien de context, heel onzeker; de brontekst … Lees verder

Geplaatst in taalkunde | Getagged | Een reactie plaatsen

Etymologie: zigzag

Door Michiel de Vaan zigzag bw. zn. ‘schuin heen en weer; geknikte lijn’ Nnl. zn. ziegezage, mv. –n (1716, Oprechte Haerlemsche Courant), zigezag, mv. zigezagen (1732, Leydse Courant), ziguezagues mv. (1734), sic-sac (1749), ziczac (1767), zigzag (1844), zikzak (1861). Eerst … Lees verder

Geplaatst in taalkunde | Getagged , | Een reactie plaatsen

“Maar ’t is eigenlijk Oleislagers”

door Jan Stroop Over persoonsnamen en de lexicale leemte De opkomst van de diftongering van lange ii of ij [i:] ging aanvankelijk voorbij aan persoons- en familienamen. Die bleven buiten schot, overeenkomstig mijn ‘theorie’ van de lexicale leemte, net zoals … Lees verder

Geplaatst in geen categorie, spelling, taalkunde | 22 Reacties

Etymologie: spartelen

Door Michiel de Vaan spartelen ww. ‘met armen en benen heen en weer slaan’ Middelnederlands spartelen (Limburg, 1240), spertelen (Vlaanderen, 1351), spertelen (Nederrijn, 1477), spardelen (Holland, 1477), sportelen (Holl., NO-Nl. 1458), spordelen (1480, Holl.), sporteren (1340-1360). Nieuwnl. spertelen (1528), spartelen … Lees verder

Geplaatst in taalkunde | Getagged | Een reactie plaatsen

Straatmadrein

Door Jan Stroop Op 3 januari heb ik op de Facebookpagina Kring Surinaams-Nederlands dit bericht geplaatst: “In de Surinaamse kringen waar ik in verkeer gebruikt men de benaming ‘straatmandarijn’ voor iemand die maar op straat rondhangt in plaats van rustig … Lees verder

Geplaatst in column, lexikografie, taalkunde | Getagged | Een reactie plaatsen

Etymologie: vermeien

Door Michiel de Vaan vermeien ‘ontspannen, vermaken’ Vroegmiddelnederlands meien ‘zich vermaken’ (in de Wrake van Ragisel, 1260–1280: doe houen si  / die magt die cush was ende vri / op des selues ridders part / die dar doet geslegen wart … Lees verder

Geplaatst in taalkunde | Getagged | Een reactie plaatsen

Etymologie: spie

Door Michiel de Vaan spie zn. ‘pin, wig’ Nieuwnederlands spie, spije (1562), spye (1657), spij (1697) ‘pin, nagel, bout, kleine wig; wigvormig stuk grond’. Dialectisch spie (Limburg, Brabant, Oost-Vlaanderen), spieë (West-Vlaanderen, Zeeland), speej (Schaijk), spiy (Ravenstein). De varianten in Limburg … Lees verder

Geplaatst in taalkunde | Getagged | Een reactie plaatsen