Taalwetenschap en streektaalbeleid

De casus Europees Handvest voor Regionale Talen of Talen van Minderheden

Door Marc van Oostendorp

De anonieme toehoorder die na afloop van een lezing ooit tegen de Amerikaanse dialectoloog Uriel Weinreich zei dat ‘a sprakh iz a dialekt mit an armey un flot’ (een taal is een dialect met een leger en een vloot, in het Jiddisj), heeft niet geweten hoe invloedrijk zijn dictum zou zijn in de taalwetenschap – hoe het zou uitgroeien tot een van de meest geciteerde zinnetjes van het vakgebied. Het verschil tussen taal en dialect, zo vinden waarschijnlijk vrijwel alle taalkundigen heden ten dage, is geen taalkundige kwestie maar een sociaal-politieke.

Soms komt een taalkundige echter in de verleiding: de kwestie kómt inderdaad op de polititieke agenda en vervolgens blijken de politici behoefte te hebben aan deskundig advies. Omdat het logisch lijkt om te denken dat de taalwetenschap iets verstandigs kan zeggen over de vraag ‘wat is een taal?’ wordt gekeken naar onze discipline. Dat gebeurt anders zelden – meestal wordt ons geesteswetenschappers ingewreven hoe maatschappelijk nutteloos het is wat we doen. Dan moet je wel heel stevig in je schoenen staan om alleen maar te verwijzen naar leger en vloot.Dat is dan ook niet gebeurd in de discussie die er de afgelopen 25 jaar in Nederland is geweest rondom het Europees Handvest voor Regionale Talen of Talen van Minderheden (dat ik verder noemt; het Handvest). Op een aantal momenten lieten taalkundigen daarin hun stem horen en soms werd er zelfs naar hen geluisterd. Was dat nu gunstig voor het vak?

Liberaal geïnterpreteerd

Toen de Nederlandse regering in 1990 instemde met het Handvest, was de stilzwijgende achterliggende gedachte dat dit een mooie manier zou zijn om iets te regelen voor het Fries. Sinds ‘Kneppelfreed’, de dag in 1953 dat demonstranten in Leeuwarden hard in aanraking waren gekomen met de politie, waren er al verschillende voorzieningen getroffen voor deze taal. Het Handvest zou deze voorzieningen een mooi, door de Raad van Europa gegarandeerd, kader bieden.

Voor zover ik heb kunnen nagaan was niet voorzien dat ook vertegenwoordigers van andere talen om erkenning zouden vragen. Het Handvest is zelf, waarschijnlijk met opzet, betrekkelijk vaag over wanneer een taal precies erkend zou kunnen worden.  Dit wordt aan de landen zelf overgelaten. In de tekst van het Handvest worden een aantal restricties genoemd (ik citeer de Engelstalige versie omdat die altijd wordt gebruikt in de Nederlandse discussie over dit onderwerp):

the term “regional or minority languages” means languages that are
i) traditionally used within a given territory of a State by nationals of that State who form a group numerically smaller than the rest of the State’s population, and
ii) different from the official language(s) of that State;
it does not include either dialects of the official language(s) of the State or the languages of migrants

In de praktijk wordt het Handvest liberaal geïnterpreteerd zodat ieder van de restricties wel ergens geschonden wordt zonder dat dit problemen oplevert. Zwitserland heeft bijvoorbeeld het Italiaans en het Retoromaans volgens het Handvest erkend, hoewel dit officiële talen van het land zijn. Kroatië heeft het Servisch erkend en Servië het Kroatisch hoewel deze twee variëteiten in ieder geval in het verleden werden gezien als dialecten van het Servo-Kroatisch. Nederland heeft het Jiddisch erkend, hoewel deze taal feitelijk sinds het begin van de 20e eeuw niet meer in een inheemse versie gesproken in ons land (de paar sprekers van het Jiddisch die er nu nog zijn spreken over het algemeen een vorm van Oost Jiddisch, niet het ‘inheemse’ West Jiddisch omdat ze uit Oost-Europa, Amerika of Israël komen en dus feitelijk ‘migranten’ zijn.) Niets van dit alles heeft ooit een wenkbrauw doen heffen bij de instanties van de Raad van Europa.

Platduits

De jurisprudentie rondom het Handvest biedt dus alle mogelijkheden om leger en vloot hun werk te laten doen: wat precies onder de definities valt wordt overgelaten aan de politieke krachten in ieder afzonderlijk land. Dat België het Handvest niet heeft ondertekend is dan ook vooral een teken dat men de maatschappelijke discussie die men verwachtte – of het Frans niet als minderheidstaal erkend moest worden in de randgemeenten van Brussel, of sprekers van het Limburgs nog ook als sprekers van het Nederlands mochten worden opgevoerd in de statistieken, enz. – dan als een teken dat zulke gevolgen noodzakelijk uit ondertekening van het Handvest voortvloeien.

In Nederland laaide de discussie op rond 1993 toen de Kamer de ondertekening van het Handvest zou ratificeren. Belangrijk waren vooral de jonge VVD-Kamerleden Hans Kamp en Johan Remkes, beiden begenadigde politici die het op zeker moment tot minister zouden brengen, en beiden afkomstig uit Groningen waar al langer met enige afgunst naar de ‘taalvoorzieningen’ voor Friesland werd gekeken. Zij brachten een maatschappelijke beweging op gang vóór erkenning van het Nedersaksisch als een groep samenhangende dialecten uit het noord-oosten van Nederland. Van belang was daarbij ook dat Duitsland een betrekkelijk grote groep streektalen erkenning had gegeven, waaronder het Platduits, volgens sommigen ‘dezelfde taal’ als het Nedersaksisch.

Lexicon

De Engelse tekst levert overigens meteen een interessant terminologisch probleem op. De term ‘regionale taal’ komt, als we afgaan op het krantenarchief Delpher in het Nederlands op in de jaren 50, rondom kneppelfreed, en werd is soms gebruikt als aanduiding voor talen met een speciale status zoals het Fries, en soms als synoniem van ‘dialect’ en ‘streektaal’.

Volgens het Handvest is de laatste optie uitgesloten, al is dat een beetje afhankelijk van onze interpretatie van de restrictie dat een regionale taal ‘géén dialect van de officiële taal’ mag zijn. Er zijn hier, als we het voorbeeld van het Nederlands gebruiken, twee mogelijkheden. We zien de ‘officiële taal’ van het land als ‘het Nederlands’, inclusief allerlei variëteiten van die taal. In dat geval is pakweg het Utrechts een dialect van de officiële taal. Het alternatief is dat we zeggen dat de officiële taal van Nederland het standaard-Nederlands is, een specifieke variëteit van de taal naast allerlei dialecten en andere variëteiten. Zoals we zullen zien ligt dit verschil in interpretatie ten grondslag aan sommige meningsverschillen in de latere discussie over het Handvest.

Hoe dan ook zijn er in de taalkundige literatuur waarom een variëteit A niet als een ‘dialect van’ een andere variëteit B zou kunnen worden beschouwd. De eerste is historisch: A en B zijn onderscheiden loten aan dezelfde tak van dezelfde taalfamilie (bijvoorbeeld het West-Germaans). De tweede is sociologisch: de sprekers van A beschouwen zich niet als sprekers van B. De derde is dialectometrisch: A en B verschillen te veel van elkaar in bijvoorbeeld grammaticale eigenschappen of in lexicon.

Genealogische lijn

In de discussie die er ontstond rondom de erkenning van de streektalen speelden deze argumenten ieder een soort rol. Dat begon bij de discussie rondom de erkenning van het Nedersaksisch. In eerste instantie was de verantwoordelijke politicus, de staatssecretaris Jacob Kohnstamm (D66) sceptisch of de variëteit niet een dialect van het Nederlands genoemd kon worden. Henk Kamp kreeg toen het politiek lumineuze idee om een rapport te laten schrijven door drie geleerden: de Nijmeegse hoogleraar dr. Toon Weijnen, de dialectoloog van het Meertens Instituut dr. Jan Berns, en de Groningse hoogleraar Henk Niebaum. Een citaat van de eerste is in dezen illustratief voor de argumenten die deze geleerden gaven om het Nedersaksisch inderdaad te erkennen:

De Neder-Saksische dialecten hebben niet of nauwelijks bijgedragen aan de vorming van het standaard-Nederlands. Dat was (…) vooral gebaseerd op frankische (m.n. Hollandse en Brabantse) dialecten. De Neder-Saksische dialecten vormen eerder een eenheid met de Platduitse of Nederduitse dialecten.

Het gehanteerde argument was met andere woorden historisch: er is geen rechtstreekse genealogische lijn te trekken tussen de Nedersaksische dialecten en de standaardtaal. Ook de andere geraadpleegde deskundigen gebruikten deze argumentatie.

Overtuigen

Kohnstamm werd duidelijk verrast door deze argumenten en besloot in te binden. Zelden heeft de taalwetenschap zoveel autoriteit gehad als toen deze staatssecretaris in 1993 zei:

Ik voel me onvoldoende bewapend ten opzichte van de hooggeleerde inbreng, direct of indirect, van  de heer Kamp om een discussie aan te gaan over de vraag of het een dialect van het Nederlands is, ja dan neen. Op basis van het voorliggende moet ik aannemen dat ik dwaalde, toen ik hardop neerschreef dat het Nedersaksisch een dialect van het Nederlands was.

Toen vervolgens het Limburgs ook om erkenning vroeg, werd een soortgelijke procedure gevolgd. Weer werden drie deskundigen gevraagd, waaronder Weijnen, die weer historische argumenten in stelling brachten. (Merk op dat uit het bovengenoemde citaat van Weijnen volgt dat de positie van het Limburgs in dezen minder sterk is dan die van het Nedersaksisch, omdat het Limburgs immers nog gerekend wordt tot de groep van ‘Frankische’ dialecten. Maar ook in dit geval speelde het feit dat er over de grens, in Duitsland, verwantere dialecten werden gesproken weer een belangrijke rol.) Het overtuigen van het ministerie was in dit geval echter minder nodig, omdat deze op voorhand al geneigd was om het oordeel van de deskundigen af te wachten en dit te volgen.

Hierna nam de discussie echter een onverwachte draai. Vertegenwoordigers van Belgisch Limburg, die ook uit waren op erkenning, kwamen na enige omzwervingen terecht bij de Nederlandse Taalunie. Om de een of andere reden had deze zich eerder niet met de discussie bemoeid, maar inmiddels zat er een nieuwe Algemeen Secretaris, dr. Koen Jaspaert, zelf een (socio)linguist met heel andere opvattingen over wat valide argumenten zouden zijn voor erkenning, en vooral: over wat precies de ‘officiële’ taal van Nederland en Vlaanderen zou zijn. Volgens Jaspaert hoorden alle variëteiten die in Nederland gesproken werden samen tot het Nederlands te worden gerekend. Daardoor kon per definitie geen enkele variëteit de erkenning als streektaal krijgen. Hoe dat met het Fries zat, heeft Jaspaert als Algemeen Secretaris bij mijn weten niet nader toegelicht, en ook eigenlijk niet waarom deze definitie van wat een taal is, zich verhoudt tot de bestaande historische, sociologische en dialectometrische argumenten. Rekenen we pakweg het Berber van eerste-  of tweede-generatie Marokkaanse migranten ook tot het Nederlands, en zo nee, waarom niet?

Afzijdige positie

Toen de provincie Zeeland kwam met een aanvraag voor erkenning, met alweer een rapport van de onvermoeibare professor Weijnen, schreef het Algemeen Secretariaat dan ook:

Volgens het Algemeen Secretariaat van de Taalunie dient het Zeeuws gezien te worden als een dialect of dialectgroep van het Nederlands en niet als een afzonderlijke taal, net zo min als dat het geval is voor bijvoorbeeld het West-Vlaams, het Gents, Limburgs, Achterhoeks of Hollands. (…)

De Werkgroep erkenning neemt in haar rapport als een van de belangrijkste criteria voor erkenning, met name om aan te tonen dat het Zeeuws niet als dialect van het Nederlands beschouwd zou mogen worden, het argument van prof. Weijnen over dat het Zeeuws een ‘afzijdige positie’ heeft ingenomen bij de vorming van de Nederlandse standaardtaal. Dit criterium lijkt ons ten onrechte het begrip ‘Nederlands’ te verengen tot of op zijn minst in een vaste relatie te brengen met de Nederlandse standaardtaal.

Het laatste was (lijkt mij) niet helemaal juist: Weijnen sprak juist over een afzijdige positie ten opzichte van de standaardtaal, omdat hij dit als de officiële taal van Nederland beschouwde. De ‘parapludefinitie’ van het Nederlands, en deze dan als officiële taal, was nieuw in het debat, en wordt waarschijnlijk ook niet door veel Nederlanders intuïtief aangevoeld. Bovendien gaat in de praktijk de wet (bijvoorbeeld de Spellingwet) wel degelijk over de standaardtaal en niet over allerlei andere variëteiten van het Nederlands, zoals het Zeeuws.

Paraplu’s

Hoe dan ook wist de Taalunie hiermee de definities dusdanig te veranderen dat het politieke debat over streektaal voortaan door deze manier van naar het Nederlands kijken werd bepaald. De enigen die zich hierdoor tot nu toe niet hebben laten weerhouden om tóch een aanvraag voor erkenning in te dienen waren de sprekers van het Bildts, die overigens op hun beurt ook weer een interessant argument gebruikten, gebaseerd op het onderzoek van enkele onderzoekers van de Fryske Akademy die lieten zien dat het Bildts een mengtaal is met Hollandse en Friese elementen. De aanvragers concludeerden hieruit dat het Bildts dus noch Hollands noch Fries was – een originele toepassing van het historische argument (uit Weijnens redenering zou volgen een taal met invloeden uit het Hollands en uit het Fries juist zowel bij het Hollands als bij het Fries hoort).

In het oordeel van de Taalunie, dat zonder veel commentaar door de politiek werd overgenomen, werd op zijn beurt weer een heel curieuze terminologisch tournure gemaakt door de term cultuurtaal in te voeren:

Het Bildts, Amelands en Stadsfries onderscheiden zich als gemengde variëteiten van andere Nederlandse en Friese dialecten, maar dat maakt ze nog geen andere talen dan het Nederlands en het Fries. Het Europees Handvest heeft tot doelstelling bestaande cultuurtalen te beschermen, niet meer streektalen tot aparte cultuurtalen te verheffen. Gemengde variëteiten hoeven geen eigen paraplu’s te krijgen als ze onder de gezamenlijke paraplu’s van bestaande cultuurtalen kunnen schuilen.

Wat de Taalunie precies onder een ‘cultuurtaal’ verstaat, wordt niet duidelijk gemaakt. Volgens Van Dale is het “taal die de draagster van een cultuur is; algemeen beschaafde taal”. Dat lijkt mij daarmee bijna synoniem met ‘standaardtaal’, maar dat is in tegenspraak met de verwijzing naar de paraplu’s die nog altijd niet uit het Taalunie-denkkader verdwenen lijken. Men kan immers moeilijk beweren dat het Utrechts een ‘dialect’ is van het ‘Algemeen Beschaafd Nederlands’. Opvallend is hier ook dat de Taalunie erkent dat het Bildts een streektaal is en dat het ‘zich onderscheidt’.

Ook deze wetenschappelijk aandoende argumentatie heeft dus alles bij elkaar geen wetenschappelijke basis. Dat kan ook eigenlijk niet, omdat er geen wetenschappelijk basis is voor welk van de gebruikte termen ook. Het zou zinniger zijn als taalkundigen dat inzien en het politieke gesprek over de vraag welke talen ‘streektalen’ zijn overlaten aan politici, en hen daarbij op verzoek voorzien van informatie over de historische, sociologische en dialectometrische afstanden tussen dialecten.

Dit stuk schreef ik voor een uitgave over streektaalbeleid van de Stichting Nederlandse Dialecten.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , , . Bookmark de permalink.

3 reacties op Taalwetenschap en streektaalbeleid

  1. Jos Van Hecke schreef:

    Heb dit stuk met veel interesse en ook plezier gelezen. De conclusie van de steller lijkt mij de meest zo niet de enige zinvolle, onder meer omdat een erkenning als streektaal uiteraard altijd op een politieke beslissing moet berusten temeer omdat deze – volgens het Handvest – ook politiek-maatschappelijke verantwoordelijkheden en verplichtingen met zich meebrengt. Ik denk dat de politiek ondersteunde bescherming en het in leven houden van (minderheid) streektalen als historisch cultureel erfgoed (tradities) de aan het Handvest onderliggende basisgedachte is. Officieel erkende landstalen (met door de betrokken staat rechtstreeks gegarandeerde rechten en plichten) behoeven uiteraard die politieke bescherming van het Handvest niet. Alleen de bevoegde politieke overheden kunnen aan een ‘taal’ (landstaal, streektaal ,dialect of hoe men het ook wil noemen) een maatschappelijke status geven gebaseerd op (onderscheiden) rechten en plichten en precies en alleen dat wordt mijns inziens met het Handvest (m.b;t. streektalen) beoogd, los van elke discussie over wat ‘taal’ is of volgens welke criteria men zou kunnen – laat staan moeten – bepalen in welke zin of in welke mate ‘taal X’ verschilt van ‘taal Y’.
    Hoe dan ook mogen staten die het zich kunnen veroorloven om maar één landstaal officieel te (moeten) erkennen zich gelukkig prijzen omdat dit mijns inziens de meest eenvoudige, de meest praktische , de meest efficiënte en ook de meest zuinige manier is om een ‘maatschappij’ vlot, samenhangend en maximaal democratisch en conflictloos te laten draaien. Dit is onder meer één van de redenen waarom de maatschappelijke motor van de veeltalige ‘Europese Unie’ sputtert en in de toekomst dreigt te stokken of zelfs stil te vallen.

  2. Marcel Plaatsman schreef:

    Tja, het blijft een wonderlijke geschiedenis, waar Groningse kinnesinne en romantische ideeën over Germaanse stammen de aanjager zijn geweest voor wetgeving waar uiteindelijk niemand echt gelukkig mee is. De zekerheid waarmee wordt gesteld dat de Nedersaksische dialecten niet hebben bijgedragen aan de standaardtaal, en dat die dialecten heus voortzettingen zijn van het Oudsaksisch, wringt toch wel ’n beetje. Me dunkt dat daar allerhande kanttekeningen bij te maken zijn. Het is ook wel interessant na te gaan op basis van welke taalkenmerken het onderscheid tussen Nedersaksisch en Hollands gemaakt wordt. Samenval van *au en *ô lijkt bv. oorspronkelijk ook Hollands te zijn geweest en de umlaut, zoals die nu voorkomt in de oostelijke dialecten, zette daar juist pas relatief laat door. En dan is er nog dat Bildts, waarvan het maar de vraag is óf het wel een mengdialect is, en niet een versteend ouder Hollands (zoals Stadsfries of Tessels). Het wordt dan al gauw erg specialistisch en misschien wordt het zelfs spijkers op laag water zoeken. Maar goed, als de politiek daar zó zwaar aan tilt dat er budget voor kan worden vrijgemaakt, dan zal de dialectologie daar vast wel bij varen.

  3. Henk Wolf schreef:

    Hallo Marc,

    Een paar correcties, aanvullingen en opmerkingen:

    – Kneppelfreed vond plaats in 1951, niet in 1953.

    – Dat de Engelse en niet de Nederlandse versie van het Handvest vaak wordt geciteerd, komt doordat de Nederlandse versie slechts de status van vertaling heeft. Daardoor is een direct beroep op de Nederlandse tekst juridisch niet mogelijk. De Engelse en de Franse versie gelden in gelijke mate als origineel, met kracht van wet.

    – De keuze voor ‘regionale taal’ in de officiële Nederlandse vertaling van het Handvest is al een poging om de terminologische verwarring die je beschrijft uit de weg te gaan. In een eerdere vertaling van het Handvest was ‘regional languages’ gebruikt voor ‘streektalen’. Omdat dat (volgens Binnenlandse Zaken) nog makkelijker als ‘dialecten’ kon worden gelezen is besloten tot wijziging van de vertaling. Toen kwam ‘regionale talen’ erin. Blijkbaar was dat niet veel eenduidiger, maar de bedoeling van de Nederlandse overheid spreekt wel uit de wijziging.

    – Ik ben het niet per se eens met Jaspaert, maar ik heb het onderscheid tussen ‘cultuurtaal’ en ‘standaardtaal’ tot nu toe niet als problematisch gezien. Ik stel me voor dat het eerste begrip uitstluitend taalextern is gedefinieerd (in de zin van de hoge functies waarvoor zo’n taal wordt gebruikt) en het tweede zowel taalintern als taalextern (in de zin dat de vrije variatie door taalvoorschriften wordt beperkt en in de zin dat een aanmerkelijk deel van de sprekers zich aan die voorschriften houdt). Het Standaardnederlands is in die opvatting allebei en andere varianten van het Nederlands zijn geen van beide. Het Standaardfries is (met wat voorbehouden) ook allebei, maar de andere varianten van het Fries zijn dat evengoed. Er is in H-functies, zeker mondeling, alle ruimte voor het gebruik van Zuidwesthoeks of Woudfries, om maar wat te noemen: een binnen-Friese diglossie bestaat alleen in de tegenstelling mondeling-schriftelijk, niet of nauwelijks in de tegenstelling informeel-formeel (of andere L-H-tegenstellingen).

    – Het appel dat je aan het einde doet, steun ik, maar ik weet niet of taalkundigen zich moeten beperken tot het aanleveren van gegevens. Dan bestaat het risico dat politici die gegevens gebruiken voor hun eigen aanvechtbare redenaties. Dat is ook min of meer wat er bij de discussie over erkenning van het Bildts als streektaal is gebeurd. Dan is het wel goed als, zoals jij nu doet, een taalkundige ingrijpt en erop wijst dat de keuze om een variëteit een formele status als streektaal te geven niet op taalkundige gronden kan worden gemaakt.

    – Het ‘Afrikaanse’ scenario voor het Bildts als mengtaal ken ik, maar volgens mij is er niemand meer die in alle ernst een mengtaalscenario verdedigt voor het Amelands en het Stadfries. Mijn indruk is dat de consensus in de frisistiek is dat Amelands en Stadsfries (en Midslands en Kollumers) historisch gezien simpelweg Hollandse dialecten zijn en dat Jonkman en Versloot daar een vrij overtuigend verhaal bij hebben. ‘Mengtaal’ of ‘gemengde variëteit’ is natuurlijk ook een vaag begrip en het kan ook losser worden gebruikt dan op de strikt genealogische manier van Jonkman en Versloot, maar dat de Taalunie de term ‘gemengde variëteiten’ zonder enige toelichting gebruikt, is vreemd. Die term zonder naar de literatuur te verwijzen zo luchtig te gebruiken om een advies te onderbouwen, doet me meer aan politiek denken dan aan taalwetenschap.

Laat een reactie achter