Judith Rispens: “Taalproblemen van vmbo’ers zijn voor de wetenschap minstens even interessant als het vwo-eindexamen”

Door Marc van Oostendorp

Judith Rispens. Foto: Jelle Zuidema

Voor VakTaal, het tijdschrift van de IVN, interviewde ik Judith Rispens, sinds begin dit jaar hoogleraar Nederlandse taalkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hieronder staat een sterk verkorte versie van dat interview. De langere versie kun je lezen in de nieuwe VakTaal (toch al erg de moeite waard).

”Toen ik in Groningen Nederlands ging studeren werd ik in eerste instantie vooral getrokken door de letterkunde, maar tijdens mijn opleiding ontdekte ik de taalkunde, en dan vooral de psycholinguïstiek. Wat verklaart dat sommige kinderen bepaalde aspecten van de taal gemakkelijker en sneller onder de knie krijgen van anderen? Wat voor rol spelen algemene cognitieve factoren? Is er bijvoorbeeld een relatie tussen dyslexie en het aanleren van de vormen van het Nederlandse verkleinwoord?”

”In het algemeen ben ik altijd geboeid geweest door de vraag hoe het kan dat kinderen taal verwerven. Ik kijk daarbij vaak naar extreme voorbeelden, kinderen met een taalstoornis, of kinderen die niet kunnen lezen of schrijven. De vraag naar de ontwikkelingen van de taal zelf zijn daar een nog bredere versie van: hoe werkt dat? Uit het gecombineerde antwoord op dergelijke vragen kunnen we volgens mij veel leren over de taal en het taalsysteem.”

Is zulk onderzoek naar problemen bij taalbeheersing ook praktisch toepasbaar?

“Na mijn studie Nederlands heb ik een wetenschappelijke opleiding tot logopedist gedaan in Engeland. Als het in de wetenschap niet zou lukken, kon ik altijd nog in de logopediepraktijk gaan werken, was het idee. Ik ken daardoor die praktijk wel een beetje, en mijn onderzoek heeft er ook wel mee te maken. Maar de kloof tussen wat wij onderzoeken en wat je met kinderen in de behandelkamer doet is heel groot. Het is een illusie om te denken dat wat ik onderzoek meteen in de behandelkamer kan worden ingezet. Ik denk dat onze algemene inzichten uiteindelijk wel iets kunnen bijdragen, dat het alleen al helpt als logopedisten beter begrijpen hoe taal in elkaar steekt. Ik vind het ook belangrijk dat het raakvlak met de praktijk er is, en ik vind het fijn dat mijn onderzoek op die manier maatschappelijk relevant is, maar mijn belangstelling is primair wetenschappelijk.”

Wat is de kern van je onderzoek?

“Ik vind het heel interessant om na te denken over hoe bepaalde taalvormen geleerd kunnen worden, en wat voor variatie je daarin ziet: niet alleen tussen groepen, zoals leerlingen op het vwo of op het vmbo, maar ook op een individueler niveau: wat voor rol spelen verschillen in cognitieve vaardigheden bij taalniveau? Dat vertelt ons ook iets over de werking van cognitie. Taal is een goed aangrijpingspunt om daar meer over te weten komen, want het is een heel complex systeem dat veel mensen kennelijk moeiteloos oppikken. Als je op een tentamen vraagt hoe de adjectivale flectie in het Nederlands werkt, kunnen studenten daarop zakken, of ze moeten uit hun hoofd leren hoe het weer zag. Toch leren sommige kinderen het heel snel, en andere wat minder goed. Hoe komt dat nou?”

“Ik heb ook een project over verschillen in het leren van Engels door Nederlandse basisschoolleerlingen. Het is de vraag of dat zin heeft: het is helemaal niet duidelijk dat je veel beter wordt in Engels als je in groep 1 begint dan wanneer je in groep 7 begint. Wij proberen te zien of bijvoorbeeld de mate van taalvaardigheid in het Nederlands wél verschil maakt. Zijn kinderen die beter zijn in het Nederlands ook beter in het Engels?”

Wat is je maatschappelijke prioriteit?

“Wat ik heel belangrijk vind: het vmbo-onderwijs Nederlands. Laaggeletterdheid is een groot probleem, ook voor de maatschappij: dat er veel mensen zijn die 16 zijn, van school komen en niet in staat zijn een goede brief te schrijven. Een van de 8 schoolverlaters heeft moeite met Nederlands. In discussies over het eindexamen gaat het over het vwo. Het is ook heel natuurlijk dat wetenschappers zich vooral op hoger opgeleiden richten, zij zijn ook de populatie die uiteindelijk de universiteiten bezoeken, maar de problemen ‘aan de andere kant van de samenleving’ zijn minstens even interessant.”

“In de tweedeling in de samenleving speelt het Nederlands een sleutelrol. Als de laaggeletterdheid toeneemt, is dat rampzalig. Ik vind het wetenschappelijk interessant om te zien wat voor factoren daarin een rol spelen, maatschappelijk is het belangrijk om te zien wat we eraan kunnen doen.”

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in interview, Neerlandistiek voor de klas met de tags , , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter