Aan de muur en een boek aan Jan geven na een hersenbloeding

Door Marc van Oostendorp

Dat we met allerlei vernuftige technieken in ons brein kunnen kijken, betekent vooralsnog niet dat we een heel duidelijk beeld hebben van hoe we de miljarden dingen die we weten (dat in de herfst de blaadjes van de bomen vallen, dat je een banaan niet bij het steeltje moet beginnen schillen, dat de supermarkt over vijf minuten open gaat en op drie minuten loopafstand ligt – allemaal dingen die ook best anders hadden kunnen zijn) allemaal in ons geheugen hebben opgeslagen, dat verbluffende archief van trivia en diepzinnigheden.

De taal is een goed geval om zulke dingen aan te toetsen. Na letterlijk duizenden jaren van onderzoek weten we wel een paar dingen – dat zelfstandig naamwoorden andere dingen zijn dan werkwoorden, dat zinnen in de lijdende vorm kunnen staan of niet, dat persoonlijk voornaamwoorden een afgekorte versie kunnen hebben of niet. De taal is een enorm ingewikkeld systeem, maar in vergelijking met allerlei andere kennis die mensen hebben redelijk goed te isoleren en redelijk goed te beschrijven.

Door elkaar

Een van de oudste manieren om de organisatie van die kennis in het hoofd te bestuderen, is door te kijken naar patiënten met wie iets mis is gegaan. Een hersenbloeding kan er soms voor zorgen dat mensen hun taal niet of minder goed kunnen gebruiken: ze lijden dan aan afasie. Door nu de specifieke taalproblemen die ze bij leven hebben te vergelijken met de aangetaste hersenkwabben (dat laatste kun je ook doen nadat ze zijn overleden), kun je iets leren over welke delen van de hersenen voor taal worden gebruikt zonder ingewikkelde scantechnieken. Het werd dan ook al in de negentiende eeuw gedaan.

Omgekeerd kan de steeds nauwkeuriger studie van afasie er omgekeerd voor zorgen dat we ideeën over de aard van taalkennis beter kunnen bevestigen. De Groningse hoogleraar Roelien Bastiaanse laat dat de laatste tijd zien met een aantal studies met verschillende coauteurs waarin ze steeds aantoont dat we in ons hoofd subtiel verschil maken tussen kennis van de grammatica en kennis van de woordenschat. We hebben als het ware  op verschillende plaatsen een spraakkunst en een woordenboek opgeslagen. Dat lijkt misschien weinig verrassend, maar er wordt juist ook wel in twijfel getrokken of er wel zo’n verschil is: of we niet alleen maar één lange lijst hebben met woorden én grammaticale constructies door elkaar.

Hoofdtypen

Nu is al heel lang bekend dat er twee hoofdgroepen van afasie zijn. Patiënten met zogeheten ‘vloeiende afasie’ spreken vraag prachtige volzinnen uit, die goed in elkaar zitten maar voor anderen nauwelijks te begrijpen zijn. Patiënten met zogeheten ‘agrammatischa afasie’ daarentegen kunnen wel een boodschap overbrengen, maar ze doen dat hakkelend, en met een brokkelige grammatica: ze vervoegen hun werkwoorden niet, ze laten lidwoorden weg enzovoort. Dat onderscheid correspondeert dus ongeveer met dat tussen een woordenboek (dat niet meer goed functioneert bij de eerste, zodat ze volkomen verkeerde woorden gebruiken in goede zinnen) en een grammatica (dat niet meer goed functioneert bij de tweede, zodat ze hun woorden niet meer in de juiste structuren kunnen onderbrengen).

Bastiaanse laat zien dat je zulke verschillen ook voor op het oog dezelfde woorden laat zien. In een artikel in Glossa samen met haar Deense collega Kasper Boye doet ze dat voor werkwoorden:

  • Karel heeft een boek.
  • Karel heeft een boek gelezen.

Volgens de zinsontleding is heeft in de eerste zin een ‘zelfstandig werkwoord’: het draagt een duidelijke betekenis bij aan het geheel van de zin, die immers iets zegt over Karels bezittingen. In de tweede zin is Karel een hulpwerkwoord: de functie is eerder een grammaticale; met ‘Karel een boek gelezen’ is immers alles al gezegd. Uit het onderzoek van Bastiaanse en Boye blijkt dat de twee hoofdtypen afasiepatiënten ook verschillend met deze zinnen omgaan, en wel op de manier die je kunt verwachten: vloeiende patiënten hebben problemen met de eerste, en agrammatische meer met de tweede.

Twee plaatsen in ons hoofd

Iets soortgelijks komt ook uit onderzoek dat Bastiaanse deed met Hans Bennis en waarover ze publiceerden in Nederlandse Taalkunde. Een grappig detail is dat dit artikel voor een deel gebaseerd is op een onderzoek dat Bennis in de vroege jaren tachtig deed, maar waarover hij en zijn toenmalige coauteurs nooit publiceerden, en voor een deel bestaat uit nieuw onderzoek van Bastiaanse.

In dit onderzoek gaat het over voorzetsels. Ook deze lijken er soms te zijn om puur grammaticale redenen en soms om betekenis uit te drukken:

  • Ik geef dit boek aan jou.
  • De klok hangt aan de muur.

In de eerste zin is aan alleen een manier om de derde naamval uit te drukken (je kunt ook zeggen ‘ik geef jou dit boek’), maar in de tweede zin geeft het ook een bepaalde plaats aan (de zin verschilt in betekenis van ‘de klok hangt tegen/onder de muur’). En ook hier blijken verschillende groepen afatische patiënten op een voorspelbare manier problemen te hebben met de ene óf met de andere zin.

Het lijkt er daardoor bijna op alsof er echt twee soorten hebben zijn, en twee soorten aan: een grammaticale vorm en een woordenboekvorm. Of dat het woorden zijn die de twee categorieën overstijgen en beide aspecten hebben – en die dus ook op twee plaatsen in ons hoofd kunnen worden verwerkt.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter