Laarzen op het toneel

Door Ton Harmsen

‘Het vers sta wacker op zijne voeten’, schrijft Vondel in de Aenleidinge – een prachtige personificatie die leidt tot overwegingen over het schoeisel van het vers, de dichter en de toneelspeler. Vorige week schreef Roland de Bonth over de hooggekurkte laarzen, die naar toneelteksten verwijzen; hij wijst erop dat Balthasar Huydeoper dit woord gebruikt met de opmerking dat het vroeger een gunstige, maar nu in zijn ogen een ongunstige betekenis heeft. Voor Huydecoper duidt het niet meer de verhevenheid, maar juist de onnatuurlijkheid van het toneelspel in zijn dagen aan.

Deze laarzen spelen in de poëtica een belangrijke rol, zij komen veelvuldig voor in zeventiende-eeuwse teksten over drama en dichtkunst. Ze worden aangeduid als hoog, hooggeschoeid en soms als hooggekurkt. Roland de Bonth beperkt zich tot de betekenis van het laatste woord en noemt daarom maar een paar van de talrijke gevallen. Hij bespreekt een interessante passage uit het voorwerk van Bredero’s Alle de wercken, in 1638 door Van der Plasse uitgegeven. Over de inleiding en het auteurschap daarvan schreef Eddy Grootes in Spektator (1983), Hij ontdekte de bron van deze tekst, de inleiding door Charles Estienne.bij een Parijse vertaling van de komedies van Terentius. Een herdruk hiervan verscheen in 1566 bij Jan van Waesberge in Antwerpen, als voorwoord bij de Terentiusvertaling door Jean Bourlier; van deze uitgave kan een exemplaar in handen zijn geweest van Bredero, die in het voorwoord van zijn Moortje beweert dat hem ‘maar een weynich kints-School-frans in ’t hooft rammelde‘. Ook de auteur van het voorwerk bij Bredero’s verzameld werk van 1638 kan heel goed van deze Antwerpse uitgave gebruik gemaakt hebben. Aan de Franse tekst van de zes komedies laat Bourlier Estiennes uitvoerige introductie voorafgaan over het toneel van de Oudheid, waarin deze de toneelgenres, de spelers, het publiek en het theater behandelt. De door De Bonth geciteerde zin uit dit opstel luidt als volgt:

De tooneelspeelders hadden een slagh van hooge schoenen aen, of klickers, Socci by den Latijnen; hoedanig onze laerzen zijn, maer hoogh gekurckt onder de voeten. Ook droegenze korte brooskens, wel gemaeckt en kostelijck, die by hen den naem van Cothurnus droegen, en de gemelde speelders waeren voornamelijck aen deze twee dingen te kennen. [Bredero 1638, fol. B3v]

Dit is wel een heel kromme weergave van de overeenkomstige passage bij het opstel van Estienne :

Les ioueurs Sceniques portoient une maniere de souliers haultz quilz appelloient Socci, telz que peuvent estre des bottes. Les ioueurs de Tragedies, portoient des petitz brodequins bien faitz & sumptueulx, qu’ilz appelloient Cothurni, & en ces deux choses principalement estoient cognuz les dictz ioueurs. [Terentius 1566, fol. B7r]

De toneelspelers droegen dus hoog schoeisel, in het Latijn socci en in het Frans bottes, een hoge laars; maar voor een tragedie trokken zij ‘brodequins’ aan, een strakke, zeer hoge laars die in het Latijn cothurnus genoemd wordt. De tegenstelling die Estienne maakt tussen hoog en heel hoog is niet zo sterk, maar hij gaat ervan uit dat iedere lezer de begrippen soccus (toneellaars) en cothurnus (speciale toneellaars om de treurspelpersonages groter te laten schijnen) wel kent.

Het gaat hier inderdaad om destijds onder kenners van de poëtica courante termen. De tegenstelling tussen ‘soccus’ en ‘cothurnus’ gaat terug op twee verzen uit de Epistula ad Pisones van Horatius. Iedere commentaar op Horatius’ Ars poetica geeft dan ook deze betekenis aan vers 79-80, waarin hij vertelt hoe Archilochus, een oude, door Horatius bewonderde Griekse dichter, vernieuwingen aanbracht in het metrum van de poëzie. Dichterlijke genres als de soccus (lees: de komedie) en de cothurnus (tragedie) hebben dankzij Archilochus hun eigen metriek:

.            Archilochum proprio rabies armavit iambo;
.            Hunc socci cepere pedem grandesque cothurni.

Emotie maakte bij Archilochus de geschikte jambesoort los: aan hem ontleenden de socci en de grootse cothurni hun metrum.

In komedie en tragedie gebruikten de Grieken en de Romeinen allerlei soorten van metrum, maar elk genre had wel zijn eigen arsenaal. De spelers die lage socci droegen gebruikten het platte metrum van de komedie, en die in hoge cothurnen de verheven maatsoorten die in de tragedie gebruikelijk zijn. De hooggeschoeide spelers gebruikten de hoge stijl.

Dit gebruik van de toneellaarzen was voor Vondel zo evident dat hij het in zijn vertaling van deze twee verzen uit de Ars poetica van Horatius niet eens nodig vond ze te noemen. In het Latijn staat expressis verbis ‘socci’ en ‘cothurni’, maar Vondel geeft in zijn prozavertaling de grandes cothurni kortweg weer met hoogdravende treurspelen:

Een dolheit wapende Archilochus met jamben, gelijck eigen. Blyspelen en hooghdraevende treurspelen hebben dezen voet bequaem tot gespreck, en om ’t geraes des volcks te verdooven, en tot spelen geboren, aengenomen [Vondel, Horatiusvertaling 1654].

In hetzelfde jaar noemt hij de laarzen wel in het Berecht van de Lucifer:

Het tooneel en de personaedjen zyn zeker zoodanigh, en zoo heerlyck, datze eenen heerlycker styl vereischen, en hooger laerzen dan ick haer weet aen te trecken [Vondel Lucifer 1654, fol. *4v].

Hiermee verwijst hij niet naar het toneelschoeisel dat de spelers van de Lucifer gebruikten, maar naar het klassieke stijlonderscheid tussen hoge en lage toneellaarzen, als symbool van het onderscheid tussen de dramatische genres. Ook drie jaar later is voor Vondel het woord laarzen voldoende om het oude Griekse toneel aan te duiden:

.                    O Vlooswyck, die van Bloemwijck naer ’t Latijn
.                    Uw’ naem ontleent, hoe hebt ghy, in den schijn
.            Van Filedoon, ons met Latijnsche vaerzen
.            Gesticht, daar ’t volck in d’overoude laerzen
.                    U heene en weêr zagh treên op ’t hoogh tooneel!
.                                    [Vondel Lofdicht op Nicolaes van Vlooswyck 1657]

Als in de zeventiende en achttiende eeuw in deze zin van hooggekurkt wordt gesproken is dat een gecompliceerde stijlfiguur. Om te beginnen is het een synecdoche, in het bijzonder een pars pro toto: de stijlfiguur die een woord vervangt door iets dat er een onderdeel van is. Kurk is een onderdeel van de zool van de laars: hooggekurkt betekent eigenlijk met hoge laarzen. Maar dat schoeisel is niet van de eigentijdse toneelspelers: het zijn de laarzen van de Griekse spelers. Dergelijke laarzen werden in de zeventiende eeuw helemaal niet gebruikt. Dit is een geval van metonymia, in de Rederykkunst van David van Hoogstraten ‘overnaming’ genoemd. Van deze overnaming onderscheidt Van Hoogstraten verschillende soorten; ons hooggekurkt valt onder de ‘metonymia adjuncti’:

De Overnaming des Byvoegsels (Metonymia Adjuncti) is, wanneer uit de bygevoegde de onderworpen zaken betekent worden, dat is, als het Byvoegsel wort genomen voor ’t Onderwerp, of als ’t Byvoegsel genoemt, en het Onderwerp daerdoor verstaen wort. […] Zoo zyn de namen der deugden zelfs voor vrome, en der ondeugden voor quade luiden in gebruik. Namen ook van vele andere zaken worden genomen voor personen, waer aen ze gevoegt zyn. [David van Hoogstraten 1725 p. 24]

Dit bijvoegsel kan volgens Van Hoogstraten inderdaad ook een kledingstuk zijn:

Men stelt door deze overnaming ook dikwils het teken voor de betekende zaek. Antonides in de Mengeldichten:

Hy dreef zyn guichelspel met d’uitgesneden tong
Des grooten mans, die door zyn doot te klaer deedt blyken,
Dat meest de tabbert voor de wapens heeft te wyken.

Tabbert, een gewaedt der Romeinen in tydt van vrede, wort hier voor vrede zelf, gelyk de wapens voor den krygh, genomen. By Vondel in de Geboorte van W. van Nassau wort myter, een bisschoppelyk eerteken, genomen voor den Bisschop zelf:

De Myter neeg hem toe, en gaf den Vorst zyn zegen.
[David van Hoogstraten 1725 p. 25]

De toneellaars heeft hier dezelfde functie. Het zijn niet de Amsterdamse toneelspelers, maar de oude Grieken waar het woord naar verwijst. Het betekent in feite: het verheven karakter dat ons Nederlandse toneel gemeen heeft met dat van de klassieke oudheid.

 

Dit bericht is geplaatst in letterkunde met de tags , , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter