De meesterlijke ironie van Harry Mulisch

Door Marc van Oostendorp

In de novelle Het beeld en de klok van Harry Mulisch vindt een personage dat ‘de meester’ wordt genoemd en in wie de lezer vrij gemakkelijk de contouren van de schrijver kan onderscheiden een ironieteken uit:

Dat nieuwe leesteken had hij ingevoerd omdat hij voortdurend verkeerd werd begrepen. Omdat het uitroepteken gezien kon worden als het cijfer één met een punt eronder, ! en het vraagteken als het cijfer twee met een punt eronder, ?, was het ironieteken [een drie met een punt eronder]. Bij de aanvaarding van zijn orde in het koninklijk paleis had hij uiteengezet, dat dus nog een oneindig aantal leestekens mogelijk was, – met als culminatie: [∞ met een punt eronder].

De liefhebber van Mulisch vindt dit, als ik op mijn eigen oordeel mag afgaan, briljant. Het is ook Mulisch ten voeten uit: niet te bescheiden om de wereld niet te voorzien van een oneindig aantal leestekens, als dat ervoor kan zorgen dat de schrijver beter begrepen wordt.

Voortreffelijkheid

Maar is een ironieteken wel mogelijk? Waarschijnlijk niet, schrijft Marc van Zoggel in zijn indrukwekkende studie De ijdele façade. Over de ironische zelfvergroting van Harry Mulisch. Goede ironie blijft altijd een beetje zweven: hoe minder signalen er worden afgegeven die de lezer duidelijk maken dat hier sprake is van ironie, hoe beter. Een ironieteken dat aan iedere lezer duidelijk maakt dat hier sprake is van ironie, vermoordt de ironie. Zodat schrijvers dat ironieteken alleen nog ironisch kunnen gebruiken.

Van Zoggels studie – een verkorte, maar nog altijd bijna 400 pagina’s tellende handelseditie van het proefschrift waarop hij in 2015 promoveerde – is duizelingwekkend van eruditie. Alles heeft hij gelezen over ironie: van de vroege Grieken tot en met moderne taalkundige theorieën, en overal weet hij wel wat kennis te halen, een klein puzzelstukje dat kan brengen tot beter begrip van de zelfvergroting die Harry Mulisch in zijn werk (en daarbuiten) opvoerde. Uiteindelijk culmineert de studie in een nauwkeurige analyse van wat Mulisch precies deed in vier van zijn latere werken, De pupil, Het beeld en de klok, De ontdekking van de hemel en Siegfried, waarin hij telkens een personage opvoerde dat sterk op hemzelf leek en dat zeer te spreken was over de eigen voortreffelijkheid.

Lekker weertje

Was dat nu (zelf)ironie?  Mulisch verklaarde zelf veelvuldig van wel, terwijl sommige recensenten vonden dat je niet ironisch kon zijn als je niet grappig was. En zij vonden Mulisch niet grappig. Van Zoggel laat zien dat er wel degelijk sprake was van een soort ernstige ironie: Mulisch meende het allemaal misschien niet precies zoals hij het opschreef, maar het was ook geen grapje.

Hij meende dat je als schrijver moest durven, dat je grote gebaren moest durven maken. Dat een schrijver belangrijke dingen moest zeggen en bescheidenheid daarbij altijd valse bescheidenheid zou zijn. Wie echt bescheiden is, maakt geen grote kunst, en verandert niets aan de werkelijkheid.

Van Zoggel maakt in zijn uiteindelijke analyse vooral gebruik van taalkundige theorieën over ironie, zoals de echo theory en de pretense theory. De eerste zegt, enigszins huiselijk gezegd, dat een spreker of schrijver een ironische uitspraak niet zozeer doet als wel citeert. Als het regent en ik zeg “Lekker weertje!” dan breng ik die uitspraak te berde als iets dat iemand anders mij heeft zonder voorgespiegeld, maar ik neem niet de gebruikelijke verantwoordelijkheid voor neem. Pretense theory richt zich minder op de uitspraak zelf en meer op de spreker of schrijver die doet alsof hij een uitspraak doet, en in zekere zin een toneelstukje opvoert.

Gutmensch

Wat Van Zoggel niet zo duidelijk zegt, maar volgens wel van belang is bij het begrijpen van Mulisch: dat onder de definitie van de pretense theory alle fictie per definitie ironisch is. Het is immers altijd doen alsof, je vertelt een verhaal alsof het waar gebeurd is. In die zin ligt het voor de hand dat als een schrijver zichzelf opvoert in zijn werk, dat ironie oplevert. Je hebt die avonturen immers niet meegemaakt, je bent het immers niet zelf. In die zin kun je dan alleen kiezen tussen wat Aristoteles ironie noemde (zelfverkleining) en wat hij alazonie noemde (zelfvergroting). Mulisch vond alleen het tweede een logische keuze: wie niets voorstelt moet niet in een eigengemaakte wereld rondlopen.

Die gedachte strekte zich ook uit naar de non-fictie. Mulisch maakte in zijn uitspraken vaak een heel streng onderscheid tussen de twee vormen van schrijven. Hij viel in zijn pamflet Het ironische van de ironie Gerard Reve aan omdat die dat onderscheid niet maakte en ironische uitspraken deed waarvan het onduidelijk was of hij ze meende. Het gekke was dat Mulisch’ eigen ironie net zo zweefde, net zozeer ging over dingen die hij waarschijnlijk meende. En dat fictie en non-fictie ook bij hem helemaal niet zo heel duidelijk gescheiden waren. (Een verschil was wel dat Reve een Aristoteleaanse ironicus was die zichzelf klein maakte door belachelijke racististische uitspraken te doen, terwijl Mulisch zichzelf groter maakte door goede en juiste dingen te zeggen – een trots gutmensch avant la lettre).

Heer en meester

Van Zoggel geeft in zijn boek ook een overzicht over ironie en zelfrepresentatie in de Nederlandse literatuur en laat zien dat Mulisch in dit opzicht veel had geleerd van andere Haarlemse schrijvers zoals Lodewijk van Deijssel en Godfried Bomans. Mij lijkt ook een vergelijking met Multatuli heel instructief. Ook dat was immers een schrijver die zichzelf in verschillende gedaanten opvoerde in zijn werk (in de Max Havelaar zitten zoals bekend zelfs meerdere schijngestalten van Douwes Dekker, zoals Multatuli, Max Havelaar en Sjaalman) en iemand die door tijdgenoten vaak werd aangesproken op zijn verwaandheid. En ook hij was iemand die deze verwaandheid misschien ironisch bracht, zij het zelden grappig, en die het verdedigde door erop te wijzen dat hij dan ook hoge eisen stelde aan zichzelf. In die zin was Mulisch geloof ik veel meer een nazaat van Multatuli dan zijn generatiegenoten die vaker hoog opgaven van die schrijver, zoals Willem Frederik Hermans en Hugo Brandt Corstius).

Na lezing van Van Zoggels rijke studie wordt het late werk van Mulisch zo op een nieuwe manier interessant. Siegfried geeft een ontroerend beeld van een schrijver die allerlei verschillende persona’s heeft – als levende mens, als beeld in het oog van het publiek, als heer en meester in het eigen werk – die geen van allen helemaal samenvallen. Het boek is een reflectie op de vraag wat een persoonlijkheid is, en een reflectie die niet gemakzuchtig is: je kunt zoals Van Zoggel laat zien makkelijk allerlei overeenkomsten zien tussen Adolf Hitler (over wie de hoofdpersoon een boek wil schrijven) en de hoofdpersoon Rudolf Herter, en tussen de hoofdpersoon en Harry Mulisch. En daarmee tussen Hitler en Mulisch.

Groot schrijver

Mulisch was een schrijver die vond dat je moest durven de wereld naar je hand te zetten, en er orde in aan te brengen. Op Hitler beet hij wat dat betreft zijn tanden stuk. En dus liet hij de taak opknappen door een personage dat heel veel op hem leek en dus geniaal was, maar die het ook niet aankon en daarom in Mulisch’ plaats stierf.

Ironie is een opinie naar voren brengen die je niet (echt) meent. Hoe kan dat? Hoe kun je iets zeggen wat je wel meent? Hoe kun je iets zeggen als je persoonlijkheid uit zoveel totaal verschillende kanten bestaat – minstens een privé-persoon, een publiek persoon, een personage? Hoe kun je je boven dat alles verheffen als je geen groot schrijver bent?

Marc van Zoggel. De ijdele façade. Over de ironische zelfvergroting van Harry Mulisch. Hilversum: Verloren, 2018. Bestelinformatie bij de uitgever.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in column, recensies met de tags , , , , . Bookmark de permalink.

Één reactie op De meesterlijke ironie van Harry Mulisch

  1. Fictie lijkt mij niet ‘vertellen alsof het waar gebeurd is’. Er zijn altijd tekens die duidelijk maken dat het een valse waarheid is. Lezen schept geen virtual reality. Toneelspelen is ook niet doen-alsof, maar doen-alsof-je-alsof-doet.

    Over het ironieteken: bij gesproken taal geven we ironietekens met een bepaalde gelaatsuitdrukking,een handgebaar of door gebruik van hard/zacht en tempo. Bij het schrijven wil je daar soms een equivalent van gebruiken. Standaardoplossingen zijn toevoegingen als ‘zei zij ironisch’, ‘antwoordde ze met pret in haar ogen’, ‘merkte ze droogjes op’, etc. Deze zijn al snel storend wanneer ze tientallen keren voorkomen in een roman. Dan zou een ironieteken of een 😉 een betere oplossing kunnen zijn: “‘Lekker weertje:-)’, zei Debbie” versus “‘Lekker weertje’, zei Debbie droog.”

Laat een reactie achter