Wanneer begon goden te rijmen op doden?

Door Marc van Oostendorp

Ooit is het Nederlands verschil gaan maken tussen de klinker in dak en de klinker in daken: het enkelvoud heeft een korte klinker, en het meervoud de corresponderende lange. Datzelfde geldt ook voor rad-raden, hol-holen, en een groot aantal andere woorden, zij het natuurlijk niet voor allemaal: bal-ballen behoudt een korte klinker, taak-taken een lange.

De verandering in dak-daken wordt ‘verlenging in open lettergreep’ genoemd, afgekort VOL: als een klinker in een open lettergreep komt te staan (da-ken) is het makkelijker om hem kort uit te spreken. Ergens in de middeleeuwen hebben mensen die ‘gemakkelijkheid’ tot een regel van onze taal gemaakt. In bal-ballen was hij niet van toepassing omdat bal eindigde op een lange l (zoals die in het Engels en het Duits nog geschreven wordt), en taak had altijd al ook in het enkelvoud een lange klinker.

Wanneer is VOL een regel geworden? Dat is lastig te bepalen: we hebben natuurlijk geen gesproken opnamen, en omdat er in de middeleeuwen weinig spellingconventies waren, is het moeilijk om aan de hand van hoe mensen schreven iets af te leiden over hoe ze spraken. Moeilijk, maar niet onmogelijk, laten twee onderzoekers uit Oxford zijn in een vernuftig artikel in het nieuwe nummer van het Journal of Germanic LinguisticsDoeden

Aan de hand van een nauwkeurige studie van drie teksten (Lutgart, Saladijn, Mellibeus) laten de auteurs zien dat VOL zich rond het jaar 1400 voltrokken moet hebben: in de oudste tekst (van ongeveer 1375) zijn er hooguit wat aarzelende aanzetten te zien, in de laatste tekst (van ongeveer 1450) is de taal in dit opzicht net als het moderne Nederlands.

Dat blijkt dus onder andere uit de spelling. In Saladijn en Mellibeus maken de schrijvers consequent verschil tussen korte en lange klinkers, en wel eigenlijk op onze manier: seer (zeer) had als verbogen vorm sere, met een enkele <e>, en god had als meervoud gode. Als een klinker niet verlengd werd, kwam dit door een lange medeklinker erna (die toen mogelijk ook nog werd uitgesproken, maar dat is een verhaal apart): appel.

In Lutgart was het meervoud van god ook goden, en werd de verbogen vorm van seer een enkele keer ook wel geschreven als sere, maar heel vaak ook nog als seere, zoals ook het meervoud van doet (dood) werd geschreven als doeden (met een e die verlenging aangaf) en een enkele keer als dode. Juist het feit dat doeden/doden varieerde en goden niet, laat zien dat er nog een verschil was tussen de twee woorden: in goden was misschien al wat verlenging begonnen (vandaar dat men het niet erg vond om doden te schrijven), maar vast in het systeem zat het nog niet.

Raar soort uitzondering

Het prettige van middeleeuwse teksten is dat ze bijna altijd gedichten zijn, en die geven ons extra aanwijzingen over hoe een en ander moet worden uitgesproken, bijvoorbeeld vanwege het rijm. In Lutgart rijmen paren als goden en doden nog nooit op elkaar (en het is een lang gedicht, dus statistisch had dat moeten gebeuren), maar in de latere teksten gebeurt dat wel.

Een laatste aanwijzing is dat alle drie gedichten een regelmatige afwisseling laten zien van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen: ze bestaan uit zogenoemde jamben en trocheeën – het zijn zelfs de oudste teksten die we in het Nederlands kennen die dit ritme hebben. De redenering die de Oxfordianen aan deze metriek ophangen heeft te maken met beklemtoonbaarheid: dankzij zo’n metrum weten we omgekeerd ook waar indertijd waarschijnlijk de klemtoon lag (en ontdekken we dat het Nederlands van toen niet zoveel verschilde van dat van nu). In het woord ambacht kan de klemtoon op de eerste lettergreep liggen omdat die lettergreep zwaar is. In Lutgart kan datzelfde nog niet bij coninc (want de eerste lettergreep heeft nog alleen een korte klinker), maar in de latere teksten kan dat al wel (want daar is de klinker lang geworden).

De auteurs presenteren de bevinding dat Saladijn jambisch is en Mellibeus trocheïsch tussen neus en lippen door als een soort bijvangst van hun eigenlijke onderzoek, maar eigenlijk is het op zich al een vrij spectaculair resultaat. Meestal wordt aangenomen dat die regelmatige afwisseling pas aan het eind van de zestiende eeuw naar de lage landen kwam, met Lutgart als een raar soort uitzondering (bijvoorbeeld omdat de auteur weleens in Italië schijnt te zijn geweest). Dit resultaat laat zien dat er in de middeleeuwen misschien al wel een kleine traditie was in deze richting.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , , , . Bookmark de permalink.

7 reacties op Wanneer begon goden te rijmen op doden?

  1. Anton schreef:

    Conínc in vroegmiddelnederlands en daarvóór? Ik sta perplex.

  2. Anton schreef:

    Met n=3 komt er altijd iets bemerkenswaardigs uit.
    Dat is de val waar de psychologen jarenlang zijn ingetrapt, p-hacking.

    Met n=3 mag men veel minder spellingvarianten verwachten dan bij n=20. Zijn er 20 werken vergeleken? Zijn alleen die werken geselecteerd waar deze theorie goed bij paste? Zou het zo kunnen zijn dat het beeld ontkracht wordt door er 17 andere werken bij te betrekken?

    • Het is een probleem dat er zo weinig teksten zijn, maar dit zijn momenteel de enig bekende teksten uit die periode die metrisch zijn. De bevindingen zijn bovendien een voortvloeisel dan nauwkeurige filologische analyse van de latere manuscripten, die in Oxford liggen en niet eerder bekeken waren (tot dit artikel verscheen gold alleen Lutgart als metrisch). Er is dus zeker niet bewust gemanipuleerd, en er wordt geprobeerd een en ander goed in te bedden in bestaande theorievorming. Het is dus het beste dat we hebben, al blijven er nog veel vragen.

  3. Klaas Jac. Eigenhuis schreef:

    “De verandering in dak-daken wordt ‘verlenging in open lettergreep’ genoemd, afgekort VOL: als een klinker in een open lettergreep komt te staan (da-ken) is het makkelijker om hem kort uit te spreken.”

    “kort” moet zijn: lang.

    Van Haeringen 1952:
    “Het is zeer waarschijnlijk dat het Mnl. in het vormenpaar dach-dage òf [dɑx dɑ·γə] òf [dax da·γə] had. Voor het laatste alternatief zou kunnen pleiten de latere ontwikkeling van de verlengde vocaal tot een a’-klank.”

    In mnl dach ‘dag’ zou de a-klank, als ik het goed begrijp, al geklonken kunnen hebben als nu in duits Tag.
    Volgens mij lijkt me de diepere etymologie ook van essentieel belang: woorden uit het substraat (bijv. Haan) nemen een [a] mee van onzekere, ws. variabele kwantiteit en/of kwaliteit.

    Dag kent dezelfde a : oe ablaut als Haan : Hoen, al zal doeg! hier misschien niet mee te maken hebben (maar onthouden kun je het zo wel 😉

    Klaas Jac. Eigenhuis

  4. Klaas Jac. Eigenhuis schreef:

    De pgm reco moet dus *dag- : *dôg- zijn. Boutkan & Siebinga 2005: 72 voegen hier nog een suffix aan toe, waaruit blijkt dat we niet met een wortel nomen (root noun) te maken hebben. Hiermee is tevens de enige mogelijkheid verkeken (contra B&S !) om gerekte o in de pie-grammatica in de wortel te realiseren [raadpleeg Beekes 1995: 166 sub 1. en 189 sub 13.2.8 a.]
    Dag is dus non-pie en zal oud genoeg zijn om door de hier ten lande wonende JVV’ers in de mond genomen te zijn. “Daag Jan” of “Dag Jan” en zelfs “Doo-hoog” is denkbaar.
    Klaas Jac. Eigenhuis

  5. Klaas Jac. Eigenhuis schreef:

    Hë, iemand heeft mijn reactie(s) – na zorgvuldige moderatie neem ik aan – pardoes uitgewist!
    Is er nou geen andere manier om je eigen gelijk te verdedigen?
    Wat voor zin heeft het in dit geval om “Houd me van nieuwe reacties op de hoogte aan te vinken?
    Klaas Jac. Eigenhuis

    • Lucas Seuren schreef:

      Ik heb eerlijk gezegd geen idee of dit opzettelijk was of niet; maar ik zie zo snel geen reden waarom het opzettelijk zou zijn gebeurd. Dus wellicht heeft iemand op het verkeerde vinkje geklikt. Ik heb het bij deze hersteld.

Reacties zijn gesloten.