‘Ik geloov’ en andere problemen

25 jaar Optimaliteitstheorie (4)

Door Marc van Oostendorp

In de vorige drie afleveringen beschrijf ik vooral een (sterk vereenvoudigde) basisversie van de Optimaliteitstheorie – 25 jaar geleden had ik die stukjes ook al kunnen schrijven. De theorie maakte al snel een enorme explosie door en is nog steeds de standaardtheorie – het is niet meer, zoals 20 jaar geleden, zo’n beetje het enige waar mensen over praten, maar het speelt nog steeds wel een belangrijke rol.

In de voorbeelden die ik tot nu toe gaf, is alles natuurlijk overzichtelijk: er zijn twee krachten, de ene taal heeft ze op de ene manier geordend, de ander op de andere manier. Het aantal mogelijke manieren neemt echter snel toe naarmate het aantal eisen toeneemt. Bij 2 eisen zijn er 2 mogelijkheden, bij 3 eisen 6 (3×2 = 6!), bij 4 eisen 24 (4x3x2 = 4!), bij 5 eisen 120 (5x4x3x2 = 5!), bij 6 eisen 720, en wanneer je 12 eisen formuleert kun je al meer verschillende ordeningen vinden dan er talen zijn. Terwijl het onwaarschijnlijk is dat je de klanksystemen van alle talen zou kunnen beschrijven met slechts 12 verschillende eisen. Dat moet dus compacter.

Zoals ook over de leerbaarheid van het systeem wel meer te zeggen valt dan ik in de afgelopen afleveringen heb gedaan. Je kunt daarbij twee vragen stellen: is het gegeven het optimaliteitssysteem en een gegeven verzameling eisen mogelijk om via een algoritme te bepalen welke ordening van de eisen de juiste grammatica geeft voor die taal. En hoe moet dat algoritme dan precies luiden? De achterliggende aanname daarbij is natuurlijk dat ook kinderen op de een of andere manier zo’n algoritme toepassen om te besluiten hoe ze hun moedertaal precies uitspreken. Zij doen dat zonder expliciete instructie (‘nee, wij zeggen niet bad, wij zeggen baten vrij moeiteloos binnen een paar jaar – hoe dat kan is een van de fundamentele vragen in de taalwetenschap.

Ik geloof dat we met het ontsluieren van een mogelijk algoritme voor het leren van een optimaliteitstheoretische grammatica al een heel eind zijn.

Er zijn ook een aantal problemen, waarvan we eigenlijk wel zeker weten dat de klassieke optimaliteitstheoretische grammatica’s ze niet zomaar aankunnen.Zoals in het Nederlands geen woorden eindigen op de klank d, zo eindigen ook geen woorden op de klank v. Sommige Nederlandse dialecten – bijvoorbeeld gesproken in Twente of rond Gent – hebben daar een groep systematische uitzonderingen op: de eerste persoon enkelvoud van werkwoorden. Je kunt in die dialecten dus (ongeveer) ik geloov zeggen, maar je zegt wel (ook weer ongeveer) het geloof. Waarom die uitzonderingen? Het heeft er natuurlijk mee te maken dat die eerste persoon enkelvoud oorspronkelijk ik gelove was – en dat in naburige dorpen soms nog is.

Het is net of die inmiddels onuitgesproken uitgang de slotmedeklinker nog beschermt tegen verandering. In de optimaliteitstheorie van 25 jaar geleden was dat niet uit te drukken, en fonologen hebben geprobeerd het mechaniek een beetje aan te passen zodat het nu wel kan – bijvoorbeeld door mogelijk te maken dat klinkers die niet meer worden uitgesproken toch nog op de een of andere manier inderdaad ‘bescherming’ kunnen bieden.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in column met de tags , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter