Waarom ga ik eigenlijk mee?

Door Guusje Jol

Sinds kort begeef ik me in de wereld van aankomende baby’s. Alle emancipatie ten spijt: baby’s worden nog steeds vooral behandeld als een kwestie voor de zwangere vrouw. Lees: en niet van de partner. En dan heb ik het even niet over de tijdschriften waarop vooral ronde vrouwen staan en de partners vaak niet te vinden zijn. Of over het feit dat bevallingsverlof voor de man nogal beperkt is in Nederland. Of dat een bevallingscursus voor beide partners alleen via de verzekering van de zwangere gedeclareerd kan worden.

 

Mogelijk verwijt

Nee, wat me opviel, is hoe dat gaat in gesprekken. Bijvoorbeeld: waar mijn better half bij was, werd ik door een bekende gefeliciteerd: ‘ik wil Guusje nog feliciteren’. Niet: ‘ik wil jullie feliciteren’.  Na een hint (‘En mijn wederhelft, die heeft er ook iets mee te maken’), werd hij uiteraard ook geadresseerde van de felicitaties. Nadeel van mijn opmerking was natuurlijk dat die gemakkelijk kon worden opgevat als een verwijt. En als dingen opgevat worden als verwijt, wordt het er meestal niet gezelliger op. Het viel gelukkig mee, maar ik besloot toch maar eens uit te kijken naar een andere aanpak.

 

Professionals

Het komt namelijk ook regelmatig voor bij professionals, zoals bij de  kinderopvang en verloskundigen. Nou snap ik natuurlijk wel dat zo’n bolle buik nogal aanwezig is. En verloskundigen hebben logischerwijs veel te maken met het lichaam van de zwangere. Maar toch. De partner is toch ook een relevante gespreksdeelnemer in beide settings. Er verandert toch voor beiden iets. Zou je zeggen. Maar verloskundigen en mensen van de kinderopvang praten voor het grootste deel van de tijd tegen de zwangere. (Verder zijn die mensen overigens uiterst vriendelijk en behulpzaam, en ik wil ze er ook zeker niet van betichten dat ze de partner opzettelijk negeren.) Maar het gebeurt wel.

En we zijn niet de enigen. Ik hoorde laatst dat een bekende van ons – op het moment ‘de partner van een zwangere’ – zich had afgevraagd over de bezoeken aan de verloskundige: ‘Ik doe het graag hoor, maar waarom ga ik eigenlijk mee?’.

Het goede nieuws: ook zwangeren kunnen hier iets aan doen tijdens dit soort bezoekjes.

 

Samen op de bank

Laatst zaten weer bij zo’n rondleiding bij een kinderdagverblijf. Een enthousiaste mevrouw vertelde over de gebruiken, dagindeling, voedingsbeleid, de meest gewilde opvangdagen, de groepen, opruimliedjes, etc. U raadt het al. De mevrouw richtte zich bijna uitsluitend tot mij. Haar blikrichting ging nauwelijks naar de aanstaande vader, die toch echt vlak naast mij op de bank zat.

Zucht.

 

Mosterd bij de maaltijd

Over het algemeen ben ik niet alert genoeg om theoretische kennis toe te passen in een lopend gesprek en denk ik achteraf: ‘ik had natuurlijk X moeten zeggen/doen’ of ‘ik had het natuurlijk moeten formuleren als X’. Zeg maar mosterd na de interactionele maaltijd.

Maar nu schoot me zowaar tijdens het gesprek te binnen dat de luisterende partij normaal gesproken de blik gericht houdt op de spreker. Door hiervan af te wijken, zou ik dat patroon doorbreken en mezelf niet meer zichtbaar beschikbaar maken als luisteraar. Wellicht zou dat mevrouw ertoe verleiden mijn blikrichting te volgen.

Bovendien hebben mensen sowieso de neiging de blikrichting van andere mensen te volgen, meende ik me te herinneren van een college over advertenties waarin modellen hun blik op het aan te prijzen product richten en zo de aandacht van de kijker sturen.

 

Twee

Ik maakte mijn blik los van de kinderdagverblijf-mevrouw en keek links van me. En ja hoor, opeens zaten we er met twee aanstaande ouders op de bank in plaats van één. En dat zonder iets gezegd te hebben. En daarmee met stukken minder risico op ongezellige toestanden.

Die houden we erin!

Dit bericht is geplaatst in column, taalbeheersing met de tags . Bookmark de permalink.

2 reacties op Waarom ga ik eigenlijk mee?

  1. Marce; Meijer Hof schreef:

    Ja, dit is een hele fijne ! Die onthoud ik, dank U.

  2. Marcel Plaatsman schreef:

    Deze observaties zijn me uit het hart gegrepen. Als jonge vader heb ik me ook verbaasd over de merkwaardige opvattingen over ouderschap die in de sector kennelijk gemeengoed zijn. Er staat steeds een muur aan vooroordelen op je te wachten. De rolpatronen zijn de dames kennelijk zo heilig dat je in de hele sector, van verloskunde tot kinderopvang en het lager onderwijs daarbij, geen man meer tegenkomt.

    Het dieptepunt was wel mijn bezoek aan het consultatiebureau op een dag dat mijn vrouw aan het werk was. Ik kwam daar dus ZONDER MOEDER en dat heb ik geweten. Zou moeders die zonder hun man komen ook door iedereen gevraagd worden waar de vader is? “Is de moeder er volgende keer wél? Kunt u dat nagaan?” En “Moet ik helpen, meneer?” bij álles, alsof ik nog nooit een luier zou hebben verschoond. Behalve dan bij het wegzetten van de kinderwagen: “o ja, inparkeren, dat kunnen mannen goed hè?” Verbijsterend.

    Je moet, is mijn ervaring, als vader wel verdomd graag wíllen, want de vrouwen die je op je pad tegenkomt vinden eigenlijk dat iemand van ons geslacht überhaupt niet met kinderen in aanraking zouden mogen komen en dat is meer dan ontmoedigend.

Reacties zijn gesloten.