‘U hoeft niet te doen alsof u bekende Nederlanders kent.’ De Internet Poëzieprijs 1998

Iemand moet ooit de geschiedenis van de Nederlandse literatuur op internet schrijven. In dit artikel doet pionier Hans van der Kamp een voorzet en beschrijft het wedervaren van de Internet Poëzieprijs, twintig jaar geleden.

Door Hans van der Kamp

In 1997 ontstond bij Piet Wesselman, beheerder van een website met links naar Nederlandstalige literatuur, het idee om een Internet Poëzieprijs uit te schrijven. Hij zocht samenwerking met De Opkamer, het eerste tijdschrift voor Nederlandstalige literatuur op het Internet.

Die samenwerking lag voor de hand omdat De Opkamer redelijk veel grote namen aan boord had en bovendien had het tijdschrift een forum dat de Open afdeling heette waar iedereen zonder tussenkomst van de redactie bijdragen kon plaatsen. Een idee dat ik als hoofdredacteur van de uitgave vaak heb betreurd, omdat de Open afdeling regelmatig de server overbelastte en veel tijd besteed moest worden aan het sussen van verhitte discussies op het platform. Wanneer drie of vier mensen immers tegelijk een commentaar plaatsten, dan crashte de forumsoftware.

Ook herinner ik me eens benaderd te zijn door een psychiater die eiste dat zijn patiënt geen toegang meer tot de Open afdeling kreeg, omdat haar door andere forumbezoekers in de grond geboorde gedichten al tot een serieuze zelfmoordpoging hadden geleid.

Elke recensent die over De Opkamer schreef richtte zijn of haar pijlen uit sensatiezucht op de Open afdeling, en niet op het tijdschrift zelf, waardoor de vaste bijdragen van serieuze auteurs als Henk Romijn Meijer, Richter Roegholt, Theun de Vries en Hans van Straten in het gedrang kwamen.

Een NRC-journalist betrapte ik hierop, omdat hij in een negatief stukje de datum noemde waarop hij De Opkamer had gelezen, maar in zijn tekst repte de jongeman met geen woord over het tijdschrift. Wel fakkelde hij met verve bijdragen op de Open afdeling af. Die bewuste dag, zo bleek uit mijn statistieken, waren er meer dan honderd bezoekers op de Open afdeling geweest en slechts één bezoeker voor De Opkamer. Dat IP-nummer was makkelijk te herleiden, want dat was mijn eigen IP-nummer.

Bij NRC eiste ik om opheldering en indien mogelijk een rectificatie, maar de schrijver van het stuk overleed in een auto-ongeluk in de weken die volgden. Men vond het niet kies om in die voor zijn familie zo verdrietige weken met een rectificatie te komen.

In diezelfde tijd werd ik naar aanleiding van een stuk dat ik schreef over literatuur op het internet voor Vrij Nederland door iemand van het Fonds voor de Letteren in datzelfde weekblad een ‘hacker’ genoemd.

Wat was er gebeurd? Ik had een spelfout gemaakt bij het zoeken naar documentatie over Willem Elsschot. In de haast had ik Elsschot met één s geschreven, en de eerste link was die van de in aanbouw zijnde website van het Fonds van de Letteren. Daar werd Willem Elsschot met een enkele s gespeld, anders was ik nooit op die pagina terechtgekomen. Zo intuïtief waren zoekdiensten in die tijd immers nog niet.

De makers van de site hadden het bestuur verzekerd dat niemand de in aanbouw zijnde site kon bereiken, dus haastte het Fonds zich om mij in een ingezonden brief als hacker neer te zetten. Een verzoek om wederhoor werd door VN afgewezen.

Ik schets deze achtergronden om duidelijk te maken hoezeer ik gebaat was bij een Internet Poëzieprijs met een goede jury om het imago van mijn tijdschrift te verbeteren.

Mijn eigen uitgever Dick Gubbels van L.J. Veen moest niets van het internet weten. In zijn ogen was het internet uitsluitend voor mensen die van voetballen hielden. Hij beschikte weliswaar over een computer, maar die stond nog geheel ingepakt boven op zijn boekenkast en hij was niet van plan die nog voor zijn pensioen uit te pakken.

Bij Meulenhoff en Querido was wel beperkte interesse voor het internet, maar daar had men geen budget voor nieuwe media. Net zoals ze ook geen noemenswaardig budget hadden voor het promoten van eigen auteurs. Wel voor uit andere landen aangekochte manuscripten.

Het kostte Peter van Gorsel, commercieel directeur van Meulenhoff, heel wat moeite om de uitgave Het seizoen van de uitgeverij als experiment door De Opkamer op het web te laten uitgeven. Het bracht hem ook in direct conflict met inhoudelijk directeur Maarten Asscher die maar niet wilde begrijpen waarom we de uitgave niet na twee weken van de server verwijderden, een beetje zoals je een oude krant bij het oud papier legt als de nieuwe in de bus valt.

Licht in deze duisternis was Querido’s Anthony Mertens die zelf een faxtijdschrift uitgaf en al in de vroege jaren van computerlinguïstiek wel eens met een terminal had gewerkt. Zonder hem had ik het ongevraagde gevecht met literair Nederland waarschijnlijk nooit zo lang volgehouden.

Mertens werd de eerste die ik vroeg om in de jury plaats te nemen. Hij had weinig vertrouwen in de poëzieprijs, maar hij was de beroerdste niet. Een andere voor de hand liggende keuze was Thomas Verbogt omdat hij mijn redacteur bij L.J. Veen was. George Moormann benaderde ik omdat ik wel eens een Zingende Zaag deels had mogen vormgeven, maar vooral natuurlijk vanwege zijn dichterschap . Het is mij nu niet meer geheel duidelijk hoe Guus Luyters in de jury is gekomen. Waarschijnlijk op mijn voorspraak, al kan ik mij daar nu twintig jaar later niets meer bij voorstellen.

Inmiddels stroomden de inzendingen binnen. Ordners vol en ook de aandacht voor literatuur op het internet in de media leek wat positiever te worden. Een redactrice bij Contact beweerde heel stoer in de media dat men bij haar uitgeverij in de statistieken kon zien hoeveel tijd iemand had besteed om een digitaal proefhoofdstuk te lezen, iets wat naar mijn beste weten zelfs nu met de verbeterde technologie niet mogelijk is, tenzij je camera’s in laptops en andere gadgets hackt, maar ik was toch heel blij met haar uitspraak. Heb je in Nederland immers met ‘harde’ cijfers de sales managers aan boord gekregen, dan is elke verdere slag snel gewonnen.

Bij Vrij Nederland waar men zich jarenlang met hand en tand tegen computers had verzet, stond nu op vrijwel elk bureau een computer met een internetaansluiting en mijn bijdrage over het gevaar van cookies werd door hen met dédain afgewezen, omdat het een ‘achterhaald verhaal over computers en privacy’ zou zijn.

Wel had ik nu een ander ernstig probleem en dat was dat ik geen van de juryleden kon opschepen met drie ordners vol gedichten waarvan het merendeel eigenlijk nauwelijks verteerbaar was. Uiteraard kun je het aan dichters overlaten dat ze bij inzending van eigen werk ook uitgebreid ingaan op reeds gepubliceerd werk. Zo ontdekte ik dat er nogal wat dichters uit het fonds van Querido meededen.

Ik gebruikte die wetenschap om Anthony te enthousiasmeren: ‘Je kunt wel zeggen dat er uitsluitend troep op het internet staat, maar er zitten toch aardig wat dichters uit je eigen fonds tussen.’

Zo, die zat. Althans, dat dacht ik.

Mertens reageerde echter heel koel: ‘Alsof ik niet weet dat we ook een hoop troep in ons fonds hebben.’

Ik besloot dat ik een voorselectie ging maken van veertig gedichten en dat ik die met de juryleden afzonderlijk zou doornemen. Anthony was druk bezet, dus hem stuurde ik de gedichten per post door. Iedereen had in die tijd weliswaar een e-mailadres, maar zeker niet iedereen haalde zijn post meer dan eens per maand op.

Hij koos voor de enige bijdrage die in het Zuid-Afrikaans geschreven was. Mijn reactie boven een biertje: ‘Nu weet je in ieder geval zeker dat je niet een van je eigen dichters op de tenen bent gaan staan.’

Ik had zwaar de pest in en liet het gedicht beoordelen door iemand die beter op de hoogte was van Zuid-Afrikaanse literatuur en die vond het gedicht ondermaats.

George Moormann bleek voor mij in die tijd geheel onbereikbaar, want ik had ooit eens een conflict gehad met zijn persoonlijk secretaris die kennelijk over het geheugen van een olifant beschikte want ik drong niet door tot George.

Ik besloot Luyters en Verbogt thuis uit te nodigen. Wetende dat zij net als ik wel van een borrel hielden, had ik met mijn karige inkomen een liter jenever aangeschaft. Het werd een geanimeerd gesprek dat plots omsloeg toen Luyters zei dat ik geen recht van spreken had omdat ik slechts één enkele roman had geschreven.

Ik dacht dat vlot en leuk te pareren door te stellen dat veelschrijvers over het algemeen ook snel de vergetelheid inzwemmen en dat viel helemaal verkeerd. Vooral Verbogt werd razend en hij is door vrijwel niemand ooit kwaad gezien. Het werd net geen vuistgevecht, maar de heren verlieten wel – inmiddels net zo dronken als ik – met klappende deuren het pand.

Ik zat nu met Anthony’s stem voor de Zuid-Afrikaan en nog twee andere stemmen voor diezelfde dichter. Waarschijnlijk nog om dezelfde reden ook. Het bezwaar tegen het werk van Wigman dat op de tweede plaats stond was dat zijn werk te conventioneel zou zijn.

Eigenlijk was er dus geen winnaar voor de prijs. Ik voelde er niets voor om een Nederlandse poëzieprijs aan een Zuid-Afrikaan te geven. Men had tientallen keren op mij ingepraat dat Zuid-Afrikaans ook Nederlands was, maar als ik om vertaling van bepaalde woorden vroeg, dan moesten mijn juryleden het antwoord schuldig blijven.

Ik besloot te doen wat volgens mij bij wel meer literaire prijzen gebeurt. Ik koos voor mijn eigen club en wees de prijs toe aan Menno Wigman, omdat ik vond dat hij die drieduizend gulden – en daar sta ik nog steeds achter – simpelweg verdiende.

Uiteindelijk stond ik op de dag van de uitreiking helemaal alleen achter een lessenaar in Perdu. De juryleden hadden op het laatste moment afgezegd en er waren misschien tien of twintig mensen in de zaal. Ik ontkwam er niet aan om wat namen van auteurs te noemen, waarna een dame in het publiek opstond en de onvergetelijke woorden sprak: ‘U hoeft niet te doen alsof u bekende Nederlanders kent. Wij zijn hier omdat we regelmatig op de Open afdeling publiceren en wij wilden wel eens zien wie u nu was.’

Voordat ik antwoord kon geven liep zij, gevolgd door een aantal anderen, de zaal uit. Wigman vertrouwde het niet en bleef mij maar vragen of ik hem niet had bevoorrecht. Hij wilde zelf ook eigenlijk die prijs niet hebben en hij is er ook altijd zwijgzaam over geweest, maar goed; drieduizend gulden kun je moeilijk weigeren als jonge dichter.

Dat geld is er ook nooit gekomen. Volgens mij heeft Piet Wesselman zijn deel van duizend gulden wel betaald, maar Maarten Asscher die tweeduizend gulden had toegezegd kwam zijn afspraak niet na zodat we Menno uiteindelijk een laptop van de redactie die we maar ternauwernood konden missen cadeau hebben gegeven.

Hij was helemaal blij dat hij nu in navolging van Proust voortaan in bed kon schrijven.

Dit bericht is geplaatst in column, letterkunde met de tags , , , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter