Gedicht: Ida Gerhardt – Kinderland

Kinderland

Als ik ontwaakte onder ’t zolderdak,
in goede geur van appelen en hout,
was het weer daar: de pijltjes tintelgoud
van ’t licht, dat door de fijne spleten brak.

Eén streep, die trillend als een gouden speer
schuin inviel – ik kon, reikende opgericht,
mijn vinger doopen in die baan van licht, –
dan legde ik, bevredigd, mij weer neer.

En turend in die sterke wemeling
met warme gloed van leven binnenin,
heb ik vermoed, in schemerend begin
àlles, wat later voor mij openging.

Zoo liggen steden in een gouden mist
bij lente -, op het mild-beschenen plein
gaan menschen, met in woord en samenzijn
een zacht geheim, dat tastend wordt gegist. –

In ièder ding vindt men het anders weer,
en langzaam wordt een samenhang onthuld. –
Ik lag verzonken, zalig en vervuld;
aan ’t hoofdeneind straalde de gouden speer.

Ida Gerhardt (1905-1997)
Het veerhuis (1945)

———————————-

Dit bericht is geplaatst in gedicht met de tags , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter