Gedicht: Hendrik Tollens – Egon en Licida

Proeve van minnezangen en idyllen van Hendrik Tollens is een van de nieuwe titels in de DBNL van deze maand.

Egon en Licida

Herder Egon, vlug en aartig,
Ging van Licida verzeld,
Weidend beider blanke kudden,
Koutende langs ’t groenend veld.

Egon praatte ’t schoone meisje
Snaaksche herdersgrapjes voor;
En de jonge lieve schoone
Was ten eenemaal gehoor.

Beiden zien zy slechts elkander,
En wat rondom hen geschied
Ziet de herder niet door ’t spreken,
’t Meisje door het luistren niet.

Beider schoone, blanke schapen
Liepen door elkandren heen,
En, daar niets hen dit belette,
Dwaalden ze eindlyk gantsch door een.

’t Meisje ontdekte dit in ’t einde,
En op ’t eigenst oogenblik
Zegt zy ’t spoedig aan den herder,
Gantsch vervuld van vrees en schrik.

Ieder zoekt terstond zyn schapen,
Doch, wat vlyt men ook betoon’,
Geene kon die onderscheiden:
Allen waren ze even schoon.

‘Ach,’ dus sprak het bevend meisje,
Zuchtend, schreijend, keer om keer:
‘Ach! wat zal ik toch beginnen?
Hoe vind ik myn schapen weêr?’

‘’k Weet’, dus sprak de vlugge herder,
‘’k Weet een middel, lieve meid!
Dat uw droefheid kan verdryven
En my niets dan vreugd bereid,

Laat het huwlyk ons verbinden:
Dit is ’t middel, anders geen:
Beider goed hoort dan ons samen,
Beider kudde word dan één.’

’t Meisje ziet den knaap in de oogen:
Deze raad verzoet haar smart;
Egon strekt zyne armen open,
Licida zinkt aan zyn hart.

‘Als ’t my’, zegt de blyde herder,
‘Immer weêr te binnen schiet
Herdersgrapjes te vertellen,
Dan vergeet ik ’t onze niet.’

Hendrik Tollens (1780-1856)
uit: Proeve van minnezangen en idyllen. Deel 1(1800)

———————————-

Dit bericht is geplaatst in gedicht met de tags , . Bookmark de permalink.