Een Oost-Indisch dove albino in Batavia

Een nieuwe oudste vindplaats van ‘Oost-Indisch doof’

Door Annemieke Houben

Waar en wanneer de uitdrukking ‘Oost-Indisch doof’ precies is ontstaan, is niet duidelijk. Tot nu toe werd aangenomen dat de oorsprong ervan ergens in het begin van de negentiende eeuw lag. Een online zoektocht leidde echter tot twee achttiende-eeuwse vindplaatsen.

De bevolking van Oost-Indië zou zich tegenover Nederlanders nogal eens doof gehouden hebben.  Dit omdat het meegedeelde hun niet zinde, óf om langer te kunnen nadenken over een eventueel antwoord. De negentiende-eeuwse spreekwoordenspecialist P.J. Harrobomée opperde dat dit gedrag wellicht te herleiden is tot een klimaatgebonden traagheid.

De oudst bekende vindplaats van de uitdrukking was een artikel in de Arnhemsche Courant van 25 juni 1835. Met handig zoeken op Google Books en Delpher zijn er echter meerdere oudere voorbeelden te vinden. Zo kwam ik hem ook tegen in het pamflet ‘Brief van een Hollandsch Patriot; aan zyne vrienden in Duitschland’ uit 1793. Een nog oudere vermelding vond ik in de opmerkelijke, in Oost-Indië geschreven ‘Beschryvinge van eene blanke negerin uit de Papoesche eilanden’ (1780, gepubliceerd in 1784*) van Josua van Iperen.

De jonge Papoease albinovrouw Penau is door Hollanders aangekocht en als werkkracht verscheept naar Ternate. Van daaruit wordt zij in 1779 ter bestudering naar het Bataviaasch Genootschap der Konsten en Wetenschappen gestuurd. Aanvankelijk is ze zo schurftig dat onderzoeker Van Iperen zijn slaven en zijn huisgenoten niet aan haar durft bloot te stellen, maar na een uitgebreide behandeling met tamarindeblad en salpeter is ze op 14 december 1779 klaar om geïnspecteerd en ondervraagd te worden.

Aandachtig beschrijft hij haar rossige kroeshaar (‘zoo fraai [..] ingelast, dat men niets aardiger begrypen kan’) en haar blauwe ogen met oranje en gele accenten. Haar huid is wit, rimpelig en grof, terwijl ze nog heel jong moet zijn, want haar borsten zijn nog niet volgroeid. Hij besteedt aandacht haar dikgerande, uitstaande oren, die in haar jeugd expres naar voren gebogen zijn, zodat ze later beter zou horen. Toch lijkt er wat bijzonders aan de hand te zijn met haar gehoor:

‘Zy is een weinig doof; maar de doofheid blykt ons niets anders te zyn, dan een langdurig overleg om iets wel en voorzichtig te begrypen, eer zy kan of durft antwoorden. Men noemt dit, hoewel ook nog in eenen anderen zin, Oost Indisch doof; en ik bespeure, dat de Javaanen, Chineezen en andere Oostersche Natien een diergelyk zweemzel van doofheid telkens laaten blyken.’

Van Iperen vermoedt dat dit culturele fenomeen westerlingen nogal eens op het verkeerde been heeft gezet. Hij citeert een stuk uit het reisverslag van de Portugese ontdekkingsreiziger Jorge de Menezes, die in 1527 als eerste Europeaan kennismaakt met Papoea’s: ‘Zy zyn wel mager en verstyfd, maar kunnen zeer wel tegen den arbeid, en [zijn] van natuure tot allerlye schelmstukken en verraad genegen. Onder hen vindt men veele Dooven, en sommige, die maar weinig zien.’

De Menezes zou Oost-Indische doofheid dus wellicht voor echte hebben aangezien. Van Iperen, die op het moment van schrijven nog geen jaar in Batavia verbleef, was al wel op de hoogte van deze soort van hardhorendheid. Uit zijn schrijven blijkt dat de uitdrukking in 1780 in ieder geval al werd gebruikt voor mensen die doen alsof ze iets niet gehoord hebben om tijd te winnen. De ‘anderen zin’ waarop hij doelt, is waarschijnlijk die waarin personen een hun onwelgevallige mededeling of opdracht negeren.

* Gepubliceerd in: Verhandelingen van het Bataviaasch genootschap, der konsten en weetenschappen. Johannes Allart, Amsterdam / Reinier Arrenberg, Rotterdam, 1784

Dit bericht is geplaatst in column, taalkunde met de tags . Bookmark de permalink.

Één reactie op Een Oost-Indisch dove albino in Batavia

  1. Klaas Jac. Eigenhuis schreef:

    “De ‘anderen zin’ waarop hij doelt, is waarschijnlijk die waarin personen een hun onwelgevallige mededeling of opdracht negeren.”
    Ja, dus Oost-Indisch doof in de zin van ‘niet horen willende’ is ouder (dan 1780). Het woord Oost-Indisch, of ook West-Indisch, werd ingekort tot nl. stiens, steens, en fries stynsk, en ging op slot betekenen van ‘uit een verre streek afkomstig’ via ‘exotisch’ tot ‘alternatief, zeldzaam’. Leuk dat Van Iperens uitspraak dat aantoont!
    Maar ja, een bijbehorend jaartal van attestatie hebben we daarmee nog niet. In vast wel oudere plant- (Stynske Weet ‘Maïs’) en diernamen (Steense Rat) hebben we nog niet de betekenis ‘alternatief, zeldzaam’.
    Klaas Jac. Eigenhuis

Laat een reactie achter