Turn. Cultural? Historical?

Door Johan Oosterman

Er is iets opvallends gaande in de wereld van de letterkundige neerlandistiek. In razend tempo verschijnen er boeken waarvan je niet zou vermoeden dat ze zijn geschreven door hoogleraren letterkunde als dat niet op de achterkant stond.

De Daf van mijn vader is een ‘een bijzonder verhaal over het naoorlogse Nederland aan de hand van de Daf. De introductie ervan, in 1958, was een duizelingwekkende prestatie. Vanuit het niets, in een land zonder noemenswaardige industriële traditie, was er opeens dat Nederlandse autootje met het “pientere pookje’.’ Thomas Vaessens beoefent hier cultuurgeschiedenis van de goede soort, die aansluit bij de prachtige boeken van Neil MacGregor (met Germany, Memories of Nation als hoogtepunt) waarin objecten het uitgangspunt vormen.

Kort nadien verscheen van Geert Buelens De jaren zestig: een cultuurgeschiedenis. Buelens, die met zijn eerdere Europa Europa ! al ver buiten de grenzen van de Nederlandse letterkunde was getreden, gaat nu een paar stappen verder en schrijft een even omvangrijk als wijdreikend boek over een bewogen decennium vol ontwikkelingen die zorgden ‘voor een omwenteling van waarden’.

En vandaag zag ik de aankondiging van weer een boek van een hoogleraar Nederlandse letterkunde. Van Jan Konst verschijnt in april De wintertuin een Duitse familie in de lange twintigste eeuw. Het boek volgt het leven van Hilde Grunewald, geboren in 1902 in Meißen, die keizertijd, Weimarrepubliek, twee wereldoorlogen en de opkomst en ondergang van de DDR meemaakt. Konst verhaalt over ‘het leven van Hilde, haar ouders, haar kinderen en kleinkinderen, gewone mensen met een ongewone geschiedenis.’ Grote en kleine geschiedenis dooreen.

Eerder al verscheen van Frits van Oostrom het prachtige Nobel streven. het onwaarschijnlijke maar waargebeurde verhaal van ridder Jan van Brederode. Het is het enige van de genoemde boeken dat ik al volledig gelezen heb, en met enorme bewondering. Een schoolvoorbeeld van geschiedschrijving die recht doet aan de bronnen, inzicht geeft in hoe geschiedschrijving plaatsvindt, en geen moment twijfel laat ontstaan over de vraag waarom we ons bezighouden met ons verleden. Het is van al deze boeken nog het meest neerlandistische, want Jan van Brederode was niet alleen een ridder die ‘naar Ierland reisde om in een onderaardse grot het helse vagevuur van Sint Patricius te voelen’ maar hij bracht ook jaren door ‘in het klooster, waarin hij een sprankelende Middelnederlandse tekst schreef.’ Die Middelnederlandse tekst, Des Coninx Summe speelt in het boek zeker geen bijrol, maar als geheel is Nobel Streven toch eerder een biografie of een cultuurgeschiedenis dan een literair-historische studie.

Zijn de hoogleraren uitgekeken op de Nederlandse letterkunde als zodanig, en is het niet veelzeggend dat ook ikzelf werk aan een tentoonstelling en boek waarin een middeleeuwse hertogin centraal staat, en waarin de literatuur niet afwezig is maar toch een van de vele bijzaken vormt? Ik durf nog niet tot een definitief oordeel te komen, al weet ik uit ondervinding hoe aantrekkelijk het is de vleugels breder uit te slaan. In elk gevaal denk ik dat deze ontwikkeling een illustratie vormt van het feit dat de Nederlandse literatuur steeds minder als een op zichzelf staande wereld functioneert. In boekhandels liggen romans, sportboeken en historische studies zij aan zij, en Nederlandse en vertaalde werken zijn evenmin nog scherp van elkaar gescheiden. Misschien is er voorzichtig een trend te bespeuren, maar of er werkelijk sprake is van een nieuwe richting in de letterkundige Neerlandistiek? In elk geval kijk ik erg uit naar de biografieën van Jan Walravens en Jacob Cats van hand van mijn goede collega’s Jos Joosten en Johan Koppenol.

Dit stukje verscheen eerder op Oostermans persoonlijke blog HistLit.nl.

Dit bericht is geplaatst in column, letterkunde met de tags . Bookmark de permalink.

Één reactie op Turn. Cultural? Historical?

  1. Gert de Jager schreef:

    De drie hoogleraren moderne letterkunde zijn ongeveer van dezelfde generatie: Konst uit 1963, Vaessens uit 1967, Buelens uit 1971. Dat zij zich van poëzie en fictie wenden tot hevig ervaren werkelijkheid heeft zich misschien meer te maken met de levenstijdperken van de man.

Reacties zijn gesloten.