O fonkelende taalfontein

Door Marc Kregting

Ik heb me altijd verzet tegen de predestinatie van teksten. Dus ook tegen theorie dat een rechtopstaand boek grotere kans maakt ontdekt te worden dan een liggend boek. Toch betrap ik me erop in de bibliotheek geregeld een titel mee te pikken die meer liet zien dan de rug alleen.
Zo kwam ik achter het bestaan van Alsof er niet is gebeurd. Een jaar nieuws in gedichten. Daar leerde ik uit dat 25 Vlaamse collega’s voor de radio wekelijks op de actualiteit poëtisch commentaar hebben geleverd dat wilde voorbijgaan aan de waan van de dag.

Het is ijdel van mij te spreken over ‘collega’s’, omdat ik jaren geleden ben gestopt met het schrijven van gedichten. Daar waren allerlei redenen voor, maar de aanleiding was een gelegenheidsgedicht waar mij alles aan gelegen was er iets geslaagds van te maken.

Reden te meer dat mijn ontzag voor Alsof er niet is gebeurd al grenzeloos was voor ik een pagina had gelezen.

Eén gedicht uit deze bundel, tegelijk een staalkaart van de Vlaamse poëzie, houdt me nog bezig. Het evalueert Nederland vlak voor de Tweede Kamerverkiezingen op 15 maart 2017. Daar had Peter Theunynck, zegt het bijschrift, de indruk van gekregen dat de PVV de campagne beheerste en dat andere partijen daarom in die richting opschoven:

Verwildering

Moet het echt nog veel wilder worden, bij u daar in het noorden?
Loopt iedereen straks met zo’n Mozartpruik getooid?
Pakt alleman zijn portie pepernoten uit de angstboot aan
alvorens naar het hoempahoempacarnaval te sjezen?

O weidsheid van het denken, wie is er met u aan de haal gegaan?
Wordt alles dichtgetimmerd met de spijkers van Van Leeuwen?
Terug naar klompenland? Weer af naar daf, een stuiver en een piek?
Krijgen alleen nog pindakaas en bruinebonensoep het woord?

O fonkelende taalfontein van Multatuli, o speelveld van Spinoza.
Tomeloze tulpentuin, wie heeft uw kroon ontbloot?
Vallen de donderwolken in uw hoofd nog te verdrijven?
Wie stopt er de verwildering. Wie vindt er lentewoorden?

De naam van de boosdoener, Geert Wilders, wordt slechts genoemd in afleidingen. In de titel begint dat proces al. Ik sluit niet uit dat hij in de openingsregel met één van zijn standaardkreten wordt geconfronteerd: ‘Het moet niet veel gekker worden.’ Het zou me evenmin verbazen wanneer de toch wat koddige situering daarna niet alleen het Vlaamse perspectief benadrukt, maar vooral een hak wil zetten met de uitdrukking ‘het noorden kwijt zijn’.

Ook regel twee zorgt bij mij voor obstructie. Men kan getooid ‘zijn met’ of ‘in’ iets, maar toch niet getooid ‘lopen met’? Sowieso is het een opzichtig literair woord, dat de kakelverse diagnose ‘wilder’ aanvreet. Het past wel bij de ‘Mozartpruik’. Dat ding blijkt een synoniem van een zogeheten Wilders kugel.

De pruik wekt associaties met verkleedpartijen tijdens carnaval dat in de vierde regel opduikt. Doordat de ‘angstboot’ voor ‘alleman’ is, moet er misschien geen Middellandse Zee maar toch zeker een grote rivier zijn, waarover dat feest kan worden bereikt. Als contrast met de geografie in de openingsregel zal dat plaatsvinden in ‘het zuiden’. Het prefix ‘hoempahoempa’ bij carnaval klinkt denigrerend, maar dat kan een gevoeligheid mijnerzijds zijn.

Dan nog lijkt het me stereotypisch om Wilders, geboren te Venlo, op die manier te typeren. De dichter had nota bene al een psychogram geschapen, door er met de rijmelaarsalliteratie ‘portie pepernoten’ nog een feest bij te halen: Sinterklaas. Daar moet het zwartepietendebat een argument geven tegen de PVV. Naar verluidt hebben sympathisanten van die partij immers angst dat een of ander oud Nederland zou verdwijnen.

Het gedicht stelt dus de ene teloorgang tegenover de andere. Het roept ‘de weidsheid van het denken’ aan, waardoor de tegenpartij benepener en irrationeler wordt. Ook het werkwoord ‘dichttimmeren’ duidt op die afsluiting van werkelijkheid en waarheid. Die spijkers snap ik dan, maar wat met ‘Van Leeuwen’?

Enig surfen leert dat als intertekst een oude mop fungeert die het katholicisme (het zuiden!) bespot. Hoewel dit geloof in Nederland geen item is zoals in Vlaanderen, krijgt Wilders zo een koekje van eigen deeg, wegens zijn niet-aflatende beschimpingen van een andere godsdienst, ‘de’ islam. Er is echter nog een intertekst. Lizzy van Leeuwen onthulde dat Wilders Indische grootouders heeft.

De dichter ziet een ruimere blik wel zitten. Al was het tegen provincialisme, dat hij verbindt met ‘klompenland’ (boeren! carnaval!) en met munten van voor de invoering van de euro. Zijn zoveelste retorische vraag in het gedicht vreest hilarischerwijs dat de noorderburen ‘weer af naar daf’ gaan. Hij kan het niet laten zijn tong uit te steken naar de Nederlandse keuken (pindakaas komt uit Amerika).

Naast teloorgangen strijden in het gedicht dus ook clichés. De slotstrofe onderstreept ze, met een tweevoudige apostrofe. Ofschoon het klopt dat Multatuli een geweldig boek over Indië schreef, weet ik niet waaraan hij die ‘fonkelende taalfontein’ verdiend heeft. Mogelijk fungeerde voor deze dichter Gezelles krinklende waterding als prefiguratie.

Mij biologeert de tweede alliteratie in die regel, het ‘speelveld van Spinoza’. Die filosoof mag horen bij Nederlands geschiedenis, inclusief het verhaal over het slijpen van lenzen, de dichter had in zijn allusie-arbeid evengoed ‘de crosspass van Cruyff’ kunnen noemen. Volgens mij sluit hij vooral aan bij de opmars van Spinoza in de Lage Landen, als wegbereider en exponent van de radicale Verlichting (Jonathan Israel). Dan staat hij voor tolerantie, secularisering en emancipatie.

De volgende alliteratie ‘tomeloze tulpentuin’ roept Neerlands fameuze handelsgeest en kapitalisme op, en combineert die met een Vlaamse zegswijze over een ontblote kroon – misschien ontstaan nadat een Mozartpruik wordt afgezet.

Alles gaat volgens de dichter naar de vaantjes. Het slotvers bevat zelfs twee zinnen met dezelfde strekking. Ze staan er, opnieuw, als retorische vragen, waarvan de eerste toch wordt besloten door een punt. De ‘verwildering’ behelst niet alleen een moreel maar ook een cultureel-economisch verval. Daartegen kan de dichter louter taal inzetten.

Zijn finale ‘lentewoorden’, die rijmen op de eerste regel, verwijzen naar een nabije toekomst. Zes dagen na de verkiezingen begon dat jaargetijde. Dat staat natuurlijk ook in het teken van de hoop, van de bloei. En het komt, ben ik door het voorafgaande een beetje gaan vrezen, direct na de winter – een seizoen dat uitdaagt tot een frivool spel met woorden.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter