Kanttekeningen bij Marita Mathijsen: Jacob van Lennep. Een bezielde schavuit.

Door Renaat J.G.A.A. Gaspar

Een mooi boek, een knap boek. Mooi van vormgeving, knap van inhoud. En vooral vol, bijna overvol met allerlei vermeldenswaardige feiten en gebeurtenissen.

Niettemin kunnen op een tweetal onderdelen van deze biografie enkele aanvullingen gegeven worden. Ze betreffen de eerste en de laatste roman van Jacob van Lennep: De pleegzoon en De lotgevallen van Klaasje Zevenster.

De pleegzoon

Over Van Lenneps eersteling, De pleegzoon, vermeldt Marita Mathijsen een aantal interessante aspecten, met name inzake de thematiek van dit boek (Mathijsen, pag. 253-257).

Het is bekend dat Van Lennep zijn inspiratie voor een publicatie vaak in andermans werk vond. Zijn eerste publicatie is zelfs niet meer dan een vertaling van het lange gedicht La Grace van Louis Racine. Ook zijn Nederlandsche Legenden zijn, hoe kan het anders, een navolging van Walter Scott in diens onovertroffen sfeertekening van het middeleeuws landschap in haar bewoners. Sommige gedeelten zijn zelfs een nagenoeg letterlijke ontlening aan Walter Scott en Lord Byron (p. 166).

Zo ook in Van Lenneps eerste roman De pleegzoon. Mathijsen noemt als zijn grote voorbeeld opnieuw Scott. Deze grote Schot als lichtend voorbeeld nemend, had hij gehoor gegeven aan de oproep van zijn vader David Jacob van Lennep ‘om scottiaanse romans met Nederlandse stof te schrijven’ (p. 253). Maar hiermee is niet alles gezegd. David Jacob had nog andere behartenswaardige voorbeelden ter navolging genoemd: de Zwitserse historische romans, met name die van Heinrich Zschokke.

W.A.P. Smit heeft in zijn Utrechtse colleges van 1949 deze redevoering van David Jacob van Lennep als het ware gefileerd, en W. Drop heeft enkele gegevens uit die analyse gebruikt bij de samenstelling van zijn studie Verbeelding en historie. Drop (p. 65, n. 15) noemt expliciet als opvallende overeenkomst tussen de knecht Bouke in Van Lenneps De pleegzoon en de Meistersanger Wirri en in Zschokkes Addrich im Moos dat beiden, Bouke en Wirri, hun taal met spreekwoorden en zegswijzen doorspekken. In De pleegzoon tel ik er ca. 115, in de veel dunnere roman Addrich bijna het dubbele aantal: ca. 225 Deze hebbelijkheid van een romanpersonage lijkt tamelijk uniek in de literatuur. Alleen in de novelle Baas Gansendonck van Hendrik Conscience heb ik een verhoudingsgewijs nog veel groter aantal aangetroffen: ca. 190 (maar hier verdeeld over verschillende personages).

Illustratief zijn de volgende twee voorbeelden; zij vormen tevens de passages met de grootste ‘dichtheid’ aan spreekwoordelijke uitdrukkingen. Het eerste fragment is ontleend aan het eind van hoofdstuk 12 van De pleegzoon. Het is een gesprek tussen de knecht Bouke en de meid Geertrui. Geertrui heeft een geheim verklapt over de afkomst van Joan.

‘Dat heb je al heel dom behandeld voor een verstandig mensch’, bromde Bouke: ‘’t is met jou ook: hoe alder hoe malder. Ik zoû het maar niet aan mijn Heer vertellen; want dan zag het er slecht met je uit.’

‘Ik heb mij toch niet versproken, zooveel ik weet,’ zeide Geertrui verlegen.

‘Nu! gedane zaken hebben geen keer! en het best dat ik je raden kan, is dat je op een anderen tijd voorzichtiger zijt en altijd denkt: verzint eer je begint! vroeg gedaan en laat bedacht heeft menigeen ten val gebracht: heden doen, morgen bloên: vandaag de tong gevierd, morgen den rug gesmierd.’

‘Ja, als je mij geen beter troost weet te geven, dan je stomme spreekwoorden, Bouke! dan….’

‘Nu! ga dan maar naar Ds. Raesfelt, en die zal je zeggen, dat je lezen moet den Brief van Jakobus cap. III vs.3; doch het wordt tijd, weêr aan ’t werk te gaan […].

In het tweede fragment (Addrich im Moos, hfdst. 8) mijmert de niet meer zo jonge Wirri over de voor- en nadelen van de huwelijkse staat met de meid Aenneli. Dat gaat als volgt:

[1] Freilich, heirathen ist kein Kappentauschen. Aber wer’s will genau erlesen, fällt oft am ersten in den Koth. [2] Allerdings, von der Liebe bloss werden Zwei nicht satt; [3] und ein Weib kann in der Schürze mehr aus dem Haus tragen, als der Mann mit dem Heuwagen hereinführen. [4] Doch, das Aennelli, – ja, Zucht und Ehrbarkeit ist die beste Aussteuer und Morgengabe. [5] Mit Vielem kömmt man aus, mit Wen’gen hält man Haus; [6] und mit leerem Sack anfangen ist wahrlich besser, als mit leerem Sack enden. [7] Gute Zucht, gute Frucht! Wohl wahr, [8] eine Schöne Frau bekommen ist leichter, aber sie Schön behalten, ist schwer. Auch weiss ich wohl, man sagt: [9] Weiber haben lange Röcke, kurzen Sinn; [10] Ehstand, Wehstand. Aber besser erwogen, und denk’ ich an meine Jahre, wahrlich, ist’s doch hohe Zeit. Bin ich nicht im besten Alter? [11] Pflanzt Liebe nicht Liebe? [12] Man rühmt wohl, lediger Leib sei Goldes werth, aber das Pfund davon gilt einen Heller.

Beide passages zijn even lang: iets meer dan 150 woorden. Dat van Van Lennep bevat zes spreekwoordelijke uitdrukkingen; dat van Zschokke het dubbele aantal: twaalf.

Overigens moet hier worden opgemerkt, dat geen enkel spreekwoord dat Van Lennep te berde brengt, terug te vinden is bij Zschokke. Dat is niet verwonderlijk, want spreekwoorden en zegswijzen behoren bij uitstek tot het idioom van een taal. Maar de oorspronkelijkheid van Van Lennep op dit gebied blijkt ook als ze vanuit de tegenovergestelde richting wordt beschouwd. De uitdrukking hoe alder hoe malder heeft een equivalent in het Duits: je oller je toller. Bij Zschokke echter is dit je oller je toller niet aan te treffen.

Toch is deze hebbelijkheid van Bouke en Wirri niet de enige overeenkomst tussen de twee boeken. Om die andere overeenkomsten te kunnen signaleren begin ik met een summier overzicht van de gebeurtenissen in Addrich im Moos.

De gebeurtenissen spelen zich af tegen de achtergrond van de boerenopstand tegen de stadse heren van Bern en Luzern in de Luzerner regio, het Emmenthal en de Aargau in het jaar 1685.

Het meisje Epiphanie (Fanny) woont bij haar oom Addrich in het Moosthal. De sympathieke Fabian dingt naar haar hand. Maar Gideon Renold, een Zweedse, zeer onbetrouwbare huurling, dringt zich aan haar op. Hij wil haar inpalmen en om succes te hebben is hij bereid zijn concurrent Fabian definitief uit te schakelen.

Ook een zekere Don Nardo (die door Fabian beschouwd wordt als een duivelse paap)  vertoont in de wantrouwige ogen van Fabian een ongezonde belangstelling voor Fanny. Het lijkt erop dat hij haar bij de protestant Addrich wil weghalen en weer laten terugkeren in de schoot van de Moederkerk. Tot zijn afgrijzen ziet Fabian immers vanuit de verte, hoe deze Don Nardo zijn geliefde Fanny bezwerend toespreekt en zegenende gebaren maakt, en hoe Fanny zich daarna aan zijn borst vlijt.

Na de beslissende veldslag tussen boer en stad wordt Addrichs hoeve door de boeren, die de nederlaag hebben geleden, geplunderd en verwoest. Fanny is verdwenen.

Maar alles komt goed. De slotscène brengt de ontknoping: Don Nardo is helemaal geen katholiek priester incognito, maar Addrichs broer, die in Oost-Indië steenrijk is geworden, een kasteel aan de Rijn heeft gekocht en zich Heer van Grön Kerkenbosch mag noemen. In Indië is hij zich tot het katholicisme bekeerd, en nu wil hij dat Fanny hem daarin volgt. Hij heeft een goede reden deze wens te koesteren; Fanny is immers zijn dochter.

Dit vrede brengend slottafereel speelt zich af in de bergen en voert tevens de hoofdpersonages bij elkaar, uitgezonderd de gemene Gideon die in de strijd gesneuveld is. Het boek eindigt ermee, dat Addrich in de dichte bergnevel langzaam achteruit stapt en in de mist verdwijnt; de pleegvader maakt plaats voor de biologische vader. Later vindt men het lichaam van Addrich, neergestort in het ravijn.

Het lijkt er sterk op, dat Van Lennep deze roman van Zschokke als bron van inspiratie heeft gekend. Niet dat hij Addrich im Moos getrouw heeft nagevolgd, maar de parallellen doen vermoeden dat Zschokkes roman (in het Nederlands vertaald in 1828) hem niet onbekend, sterker nog: zeer vertrouwd is geweest. We zien de volgende overeenkomstige romanfiguren.

  • Twee broers, de een R.K., dan ander P.C.: enerzijds vicaris Ambrosio en baron Van Reede, anderzijds Don Nardo en Addrich;
  • Twee geadopteerde kinderen om wier geloof wordt gestreden: enerzijds Joan, anderzijds Fanny;
  • Twee geliefden van deze jonge mensen: enerzijds Ulrica, anderzijds Fabian;
  • Twee intriganten die hun streven dwarsbomen: enerzijds Mom, anderzijds Gideon;
  • Twee geleerde, irenisch geaarde vertegenwoordigers van het ware (protestantse) geloof: enerzijds de evangelische decaan Heinrich Nüsperli, anderzijds dominee Raesfelt.
  • Twee ‘grappige’ personages die met hun groot aantal spreekwoorden en zegswijzen voor een komische noot zorgen: enerzijds Bouke, anderzijds Wirri.

Verschillen zijn er natuurlijk ook. Zschokke verhaalt veel meer over de strijd van de opstandige boeren tegen de steden dan Van Lennep over die van de opstandige Hollanders tegen de Spanjaarden. Bovendien heeft Van Lennep in De pleegzoon de intrige uitgebreid met ‘nieuwe’ personages waardoor hij de godsdienstige tegenstellingen veel scherper heeft aangezet dan Zschokke gedaan had in zijn Addrich im Moos. Van Lennep verrijkte de plot met onder anderen Maurits en Frederik Hendrik, met de twee zonen van Ds. Raesfelt, de een Gomarist, de ander Arminiaan, met Magdalena (een weggelopen non), met Eugenio, en met hun beider zoon Ludwig. Vooral de figuur van Eugenio krijgt een centrale rol. Hij is de duivelse jezuïet, die om zijn geloof te dienen niet terugschrikt voor de meest abjecte daden; hij is onder Van Lenneps pen geen mens gebleven, maar tot een monsterlijke ónmens verworden.

Opmerkelijke overeenkomsten dus én duidelijke verschillen tussen Addrich im Moos en De pleegzoon. Maar hoe ook hun onderlinge verhouding moge zijn: ook voor De pleegzoon geldt het volgende spotvers van N.N. (Michel van der Plas?):

OP JACOB VAN LENNEP

Als ge ooit geadelijkt wordt,
Van Lennep, om uw boeken,
Behoeft gij niet te zoeken
Wat zinnebeeld behoort te prijken op uw bord:
Vrij moogt ge een volle maan op ’t wapenschild doen malen
Omdat ge altijd uw licht bij anderen moest halen.

De lotgevallen van Klaasje Zevenster

Over de bronnen van Klaasje Zevenster heeft Marita Mathijsen voortreffelijke en opmerkelijke gegevens verschaft (Mathijsen, p. 493-495). De overeenkomsten die zij heeft ontdekt tussen het persoonlijk leven van Van Lennep en dat van een aantal romanfiguren liegen er niet om: Bleek en Carp, Galjart en Van de Linde, Bol en Veder en bovenal: Klaasje (Nicolette) en Betje (Elisabeth).

Over één gegeven echter valt nog wat aan te vullen. Het is de omgeving, het kader bij de introductie van Klaasje in het boek: een samenkomst van het (knie)dichtend studentengezelschap De Pleiaden. Marita Mathijsen zegt daarover niet meer dan ’Er waren verhalen in omloop over studenten die in Leiden een baby geadopteerd hadden’. En in noot 15 op blz. 558: ‘Over het studentengezelschap Tandem dat eind achttiende eeuw een baby geadopteerd zou hebben, schrijft [Van Lennep] dat hij daar pas achteraf over gehoord had.’ De tijdsaanduiding ‘eind achttiende eeuw’ moet op een vergissing berusten, maar onduidelijk is van wie: Van Lennep of Mathijsen?

Meer informatie over deze zaak biedt de classicus S.A. Naber (1828 – 1913), graecus, sinds 1871 hoogleraar te Amsterdam, en oprichter van het befaamde tijdschrift Mnemnosyne. Hij is tevens bekend gebleven als een hyperkritische tekstediteur, wetenschapsman en filoloog.

Als aanloop tot Nabers verklaring diene het volgende.

In De Gids 1866 I, p. 117-140 en De Gids II, p. 156-170 verschenen twee zogenaamde ‘tafelgesprekken’ onder de respectievelijke titels ‘Tafelkout’ en ‘Vriendenkout’ van achtereenvolgens Ernst (d.i. S. Vissering) en Slot (d.i. J.T. Buys). De erin optredende disgenoten waren:

  1. Gus van Yken (een oud-rechter);
  2. Thomas Groen (emeritus-predikant);
  3. Van der Wouden (een zakenman in ruste);
  4. Willem van der Velde (een filoloog, oud-rector van een Latijnse school);
  5. Piet Kole (van jongs af rentenierend en een liefhebber van paradoxen);
  6. Flanor (oud-Indischgast, oud-lid van de Raad van Indië en van de Eerste Kamer der Staten-Generaal);
  7. Dr. Suermaelen (medicus in ruste).

Allen waren student geweest in Leiden, en zij figureren in Studententypen en Studentenleven van Klikspaan (J. Kneppelhout).

In deze twee tafelgesprekken werden godsdienstige, politieke en sociale kwesties van die jaren behandeld.

Veertig jaar later, in De Gids 1906 I, p. 43-69; De Gids 1909 II, p. 205-235; De Gids 1910 IV, p. 413-433 verschenen drie van dergelijke tafelgesprekken, telkens onder de titel ‘Tafelkout’ en ondertekend met de crypto-signatuur ***. J. Vürtheim in De Gids 1913 III, p. 172 onthulde dat achter deze asterisken schuil ging: Samuel Adrianus Naber voornoemd.

In ‘Tafelkout’ nr. 1 komt de roman De lotgevallen van Klaasje Zevenster in zoverre ter sprake, dat er kort wordt weergegeven hoe Thomas Groen te Hardestein in contact is gekomen met Ds. Bol, met hem theologische vraagstukken begon te bespreken en hoe beiden zich allengs tot het modernisme hebben bekeerd. (De suggestie op p. 54-55, dat Tandemia en Klaasje identiek zouden zijn, is niet letterlijk op te vatten, maar te beschouwen als slechts een verhaaltechnische truc om het gespreksonderwerp op theologische terrein te kunnen brengen.)

Drie jaar daarna, in ‘Tafelkout’ nr. 2, is dit inmiddels zeskoppige gezelschap – Van der Wouden was overleden – te gast op Hardestein bij de inmiddels zeer oude Maurits van Eylar, destijds de afgewezen minnaar van Nicolette (Klaasje) Zevenster en naderhand getrouwd met Ernestine (Nestje) van Marsden.

In dit gesprek heeft Naber uitgebreid een thema behandeld dat hem na aan het hart lag: waarheid en verdichting in de romankunst. Verschillende schrijvers en hun werk passeren de revue, o.a. Fielding in zijn Tom Jones, Dickens met zijn Nicolas Nickleby en David Copperfield, Hildebrand met zijn Camera Obscura, Van Koetsveld in zijn Pastorij te Mastland. Het zijn allemaal romans waarin duidelijk herkenbare figuren uit ’s schrijvers omgeving worden uitgebeeld.

Zo ook in De lotgevallen van Klaasje Zevenster door Jacob van Lennep. Naber is er absoluut zeker van, dat de romanfiguur Klaasje Zevenster is geïnspireerd door een vergelijkbaar geval van adoptie door enige Leidse studenten in de jaren ’20 der 19e eeuw. Het dispuutgezelschap ‘Tandem fit surculus arbor’ [‘Eens wordt de stek een boom’] zou toen een vondeling hebben aangenomen en dat kind Tandemia genoemd hebben. En deze Tandemia was in de tijd dat Naber student was (1845 – 1850) dienstbode in Leiden. In de editie 1844 van Klikspaan, Studentenleven is nagenoeg ditzelfde verhaal op blz. 771 terug te vinden. Kneppelhout noemde het echter ‘een sprookje’ en in de editie 1863 is deze herinnering weggelaten.

Naber – met zijn, als gezegd, uiterst kritische geest – was evenwel zo zeer overtuigd van de waarheid van dit ‘sprookje’, dat hij deze geschiedenis opnieuw heeft verteld aan Dr. A. Beets (de zoon van Nicolaas), destijds een der redacteuren van het W.N.T.

‘Volgens een schriftelijke mededeling van S.A.N[aber] aan Dr. Beets […] ging in zijn studententijd (1845 – 1850) te Leiden ‘het praatje’, dat ongeveer twintig jaar vroeger – dus juist in den tijd dat Klaasje Zevenster wordt geacht te zijn geboren – door het studenten-dispuutgezelschap Tandem om welke reden dan ook, eene vondeling was aangenomen, die in de genoemde jaren onder de naam Tandemia te Leiden dienstbode was.

Beets heeft dit verhaal op zijn beurt verteld aan zijn mede-redacteur J.W. Muller, en ook Muller was overtuigd:

’Met Prof. Naber geloof ik dus dat Van Lennep omstreeks 1824 wellicht als “komeet” bij de “Pleiaden” van “Tandem” hospiteerende, het toen nog versche verhaal gehoord zal hebben, waarvan Klikspaan na twintig jaren gewag maakt en dat een lustrum later te Leiden nog niet uitgestorven blijkt te zijn.’

[Zie: ‘Verwanten van Klaasje Zevenster’ in Taal en Letteren 1906, p. 321-340.]

Nu, de veronderstelling dat Van Lennep ‘wellicht als komeet bij de Pleiaden van Tandem heeft gehospiteerd’ is bepaald onjuist. Maar Muller noch Naber heeft blijkbaar geweten, dat een andere, belangrijke én waarachtige gebeurtenis inmiddels had plaatsgehad: de geboorte op 22 januari 1822 van Betje Tulle, Jacobs eersteling. Natuurlijk is hiermee niet gezegd, dat Betje en Klaasje identiek zijn, maar wel dat Jacob van Lennep een echt studentengezelschap en een wellicht ware gebeurtenis in zijn studententijd (de Pleiaden en hun adoptiefkind Tandemia) heeft aangegrepen om die gegevens te gebruiken als startpunt voor zijn roman De lotgevallen van Klaasje Zevenster.

Nog enkele woorden over het voortleven van Klaasje Zevenster in de literatuur tot in de jaren ’50 der vorige eeuw. Zeker, iets dergelijks hoort strikt genomen niet thuis in deze biografie, maar het feit is té curieus dan dat het onvermeld zou blijven.

In 1867 verscheen bij Westermann in Braunschweig een Duitse vertaling van De lotgevallen van Klaasje Zevenster:  Hänschen Siebenstern, dem holländischen des J. van Lenneps nacherzählt von Adolf Gläser. In deze vertaling krijgen haar lotgevallen een wel heel ander einde: Hänschen / Klaasje / Nicolette / Madeline sterft niet aan hartzeer, maar treedt gelukkig in het huwelijk met Maurits van Eylar.

Van Lennep was daarover bepaald niet te spreken. In een ingezonden stuk in de Allgemeine Zeitung schreef hij: ‘Dat aandoenlijke sterfbed van het onschuldige meisje […] is juist datgene wat velen hier te lande met de strekking van mijn boek verzoend heeft. Het nieuwe slot voldoet misschien aan de onnadenkende massa, maar geenszins aan de aesthetiek. […] Dat men, een auteur vertalende, hier en daar zijn werk wat bekort, is nog zulk een zware overtreding niet; dat men er de grondgedachte uit wegneemt, is een vergrijp tegen de letterkundige eerlijkheid.’ [Geciteerd uit: Jhr. Dr. M.F. van Lennep, Het leven van Mr. Jacob van Lennep II, p. 251-252.]

Nog veel minder zou Van Lennep te spreken zijn geweest over wat ongeveer 90 jaar later met zijn roman gebeurde.

Circa 1957 verscheen van De lotgevallen van Klaasje Zevenster bij Mulder & Zn. te Amsterdam voor de jeugd een navertelling in twee deeltjes (2 x 61 bladzijden), geschreven door Piet van den Aardweg onder het pseudoniem Johanna van Hoorn. Een kinderboek dus. Gelukkig heeft Van Lennep dat niet meer mee kunnen maken. Hij zou ongetwijfeld zéér ontstemd zijn geweest, want het verhaal is totaal verminkt. Oordeel zelf:

In het eerste deeltje (getiteld Klaasje Zevenster) is het nota bene Van Zirik die pleit voor een goede opvoeding zodat het kind later geen kamenier of dienstbode hoeft te worden, en nu is het nota bene Galjart die het pleegkind in de steek laat en niet langer wil bijdragen in de kosten van haar opvoeding. Na haar schoolgang bij mevrouw Zilverman gaat Klaasje op vakantie bij ds. Bol. Zij is daar heel graag, maar beëindigt haar verblijf in de pastorie naar aanleiding van een nare opmerking van Leentje. Zij gaat terug naar de school van mevrouw Zilverman om daar lerares te worden.

Na een jaar keert ze terug naar ds. Bol. Ze maakt te Hardestein (opnieuw) kennis met Maurits en met diens vriend Drenkelaer. Het grootste part van dit tweede deeltje (getiteld Hoe het verder met Klaasje Zevenster ging) beschrijft de intriges van Drenkelaer ten opzichte van Bettemie. Zijn ontmaskering volgt. Het laatste gedeelte verhaalt hoe Klaasje door Maurits ten huwelijk wordt gevraagd, en hoe zijn oudere broer (de graaf van Eylar) door ds. Bol – wel erg gemakkelijk – wordt overreed om zijn bezwaren tegen dat huwelijk op te geven. Klaasje en Maurits gaan een gelukkige toekomst tegemoet!

De lotgevallen van Klaasje Zevenster is verworden tot een braaf, honingzoet kinderverhaaltje. Van Lennep moet zich in zijn graf hebben omgedraaid.

Woorden…woorden…woorden

Deze kanttekeningen wil ik besluiten met enkele kritische opmerkingen over Jacob van Lennep. Een bezielde schavuit.

Eerst een kleinigheid. Op bladzijde 508 lees ik over Van Lennep: ‘Dat eeuwig schelden op de roomsen begon hem tegen te staan. Wellicht heeft dit daarmee te maken dat hij veel vaker kwam samen te werken met Alberdingk Thijm, die aan dezelfde historiezucht leed als Van Lennep en in zijn tijdschrift De Dietsche Warande een rubriek had over wandalisme: een combinatie van wandaad en vandalisme, over afbraak van oude gedenktekens en gebouwen.’

Het betreft deze zinsnede: wandalisme: een combinatie van wandaad en vandalisme. Als woordspeling niet onaardig gevonden, maar als woordverklaring nogal dwaas, want dit is etymologie van rond de keukentafel. Ik moét wel haast aannemen, dat Marita Mathijsen vergeten heeft te vermelden, dat we hier ter maken hebben met een woordverklaring door Alberdingk Thijm, niét door haar zelf. Of is ze als professorale ui afkomstig van Thijms biograaf Gerard Brom? Die hield wel – tot vermoeiens toe – van allerlei woordspelingen, aforismen en paradoxen.

Voor alle duidelijkheid: Vandalen en Wandalen vormen niets anders dan een doublet, vergelijkbaar met dubbelvormen als Leuven – Löwen; Loevestein – Löwenstein. Vergelijk ook doubletten bij Kiliaen als wrijven / vrijven en wroeten / vroeten. Evenzo onze uitspraak van wreed, wrang, wrat.

Ten slotte nog enkele opmerkingen over de woordkeus in dit boek. In haar zucht om toegankelijk te schrijven voor een breed publiek heeft de auteur de juiste grens met het informele taalgebruik niet altijd in het oog gehouden. Ik beperk me kortheidshalve tot het tweede gedeelte van het boek. Te vaak bleef mijn blik een kort moment ‘haken’ aan uitdrukkingen als: erin tuinen (312), de klos zijn (324), buitenlandse bagger (328), geheide oudheidliefhebbers (339), het zou hem worst zijn (359), de Antwerpenaren gingen uit hun dak (382), En nog trok Binger het niet (409), Bovendien jatte Van Vloten (413), maffe plaatjes en maffe versjes (419), vaderlandse kul (419) Hierover brak nu de pleuris uit (442), Een jaar later al ging het weer goed fout (443), blingbling (444), makkes (497).

Hoe moet je dit noemen? Spreektaal? Kroegtaal? Johnny Jordaan-en-Tante Leen-taal? Vooralsnog geen UvA-omgangstaal, neem ik aan.

Heus, ik ben geen fatsoensrakker in een krijtstreepkostuum met stropdas, vest en horlogeketting. Ik moest breed grijnzen om Mathijsens bewoordingen (394) waarin ze beschreef hoe de oude heer Van Lennep met zijn jongeheer door de Haagse bakkersvrouw ontvangen werd. Ook een geestig pornografisch gedicht als dat van de jeugdige Jacob van Lennep (111-112) kan ik zeker wel waarderen. Maar uitdrukkingen als een veer in de kont steken (326), als piespaal dienen (508) en kon een pomp voor zijn kanis krijgen (518) zijn beslist vulgair en horen niet thuis in een boek als dit; de andere trouwens evenmin.

Maar genoeg azijn geplengd voor de god Criticus. Jacob van Lennep. Een bezielde schavuit is een fraai uitgevoerde, zeer leesbare en voortreffelijk gedocumenteerde biografie. De hier gepresenteerde kanttekeningen bij De pleegzoon en De lotgevallen van Klaasje Zevenster zijn hopelijk niet geheel onbelangrijk voor een neerlandicus die geïnteresseerd is in het werk van Jacob van Lennep.

Marita Mathijsen. Jacob van Lennep. Een bezielde schavuit. Amsterdam: Balans, 2018. Bestelinformatie bij de uitgever.

 

Dit bericht is geplaatst in recensies met de tags , , . Bookmark de permalink.