Gedicht: Paulus Strick van & tot Linschoten – Jeugd

Jeugd
Allegorie

Gelijk de onzekre schrede
Van d’onbezonnen waaghals
Op ’t neêrwaarts kromgebogen
Bedrieglijk slappe danskoord,
Zo is de tred des jonglings
Op ’t smalle pad des levens,
Dat, bevend van den donder
Van ’s aardrijks ingewanden,
Hem onder zijne voeten
Begeeft, en neêr laat ploffen.

In plaats van met het blanke
Beschuttend kunstbereidsel
Van ’t kale kalkgebergte,
Bemaalt de dolle springer,
Bemaalt hij? neen, bezoedelt
Brooddronken, onbehoedzaam,
Zijn zolen met het glibbrig
Gevaarlijk, groene mengsel,
Uit as en loog gezoden*:
Zijn schedel draagt een stormhoed,
Belaân met bonte pluimen,
Die voor- en rugwaarts hangen,
En op en neder zwaaien,
En hem het oog doen scheemren;
Zijn weegstok is een oude
Vermolmde staak van tuinhout,
Die reeds verscheiden jaren
Langs zijne dorre schorse
De bonen op liet slingren.

Geef acht! nu wil hij klimmen,
’t Gevaar van ’t rond geweefsel
Met driesten moed braveren,
En naar den palmtak grijpen.
De steile vaart voor de oogen
Richt hij zich plotsling opwaarts,
Hij wankt en dreigt en kantelt,
Maar hij herstelt zich weder,
En nu stapt hij vermetel
Met snelle schreên naar boven,
Waagt roekelooze sprongen,
Maakt luchtig kunstje op kunstje,
Zich op den stok verlatend,
Die niet tot steunsel dienen,
Maar ’t evenwicht moet houden,
En hem voor ramp beschermen.

Doch, Hemel! wat gebeurt er?
Hoe buigt de zwakke weegstok!
Hij kraakt en knapt in stukken;
En, eer de wufte springer
Op ’t glibbrig koord het toppunt
Nog halfweg kan bereiken,
Stort de onbedachte waaghals,
Het evenwicht verliezend,
Eensklaps van boven neder,
En breekt en kneust erbarmlijk
Zich arm en been en schouder,
Gelukkig, zoo zijn stoutheid
Hem ’t hoofd niet ook verplettert.
Het gladde aan zijne versnen,
De zwaarte op zijnen schedel,
Het broze van het tuinhout,
Het wagglend hennepvloertje,
De steile vaart naar boven,
Zijn onvoorzigtig ijlen,
Zijn drift en eigenwijsheid
Bedrogen hem te gader.
Zoo ook bedriegen zwakheid,
Te logge geest tot denken,
Te vlugge om zorg te dragen,
Te jeugdig hart tot ruste,
Te lichte grondbeginsels,
Een valse vriend of raadsman,
Laatdunkend zelf betrouwen
En ijdle waan van krachten,
En opgewonden ijver,
En zucht naar roem en eere,
Door al te koene stappen,
De nog te lossen jongling.

(1807)

Paulus Strick van & tot Linschoten (1769-1819)

* het glibbrig gevaarlijk, groene mengsel uit as en loog gezoden = zeep

———————————–

Dit bericht is geplaatst in gedicht met de tags , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter