Gedicht: Jacobus Bellamy – De ijverzuchtige

De ijverzuchtige

Een recht* en teder minnaar
Is altoos ijverzuchtig. –
Wanneer zijn meisje een’ ander’
Met vriendlijke oogjes toelonkt,
Gevoelt hij, in zijn’ boezem,
Een heimelijke ontroering.
Dan straalt hem de ongerustheid
En kommerlijke vreeze
Uit naauwoplettende oogen.
Nu poogt hij eens de droefheid,
In zijn gelaat zoo zichtbaar,
Met een geveinsde vreugde,
Voor aller oog te dekken.
Dan weêr doen spijt en gramschap
Zijn bleeke wangen gloeïen.
Dan brandt ‘er in zijn oogen
Het vlammig vuur der woede.
Dan knerst hij op zijn tanden,
En vloekt hem, dien zijn meisje
Zoo vriendelijk belonkte.
Maar – ziet hij weêr zijn meisje,
En lagcht zij lief en teder
Den gullen lagch der liefde:
Straks* zijn de vreeze en droefheid,
De spijt* en felle gramschap
Van zijn gelaat verdweenen.
Dan valt hij op haar boezem,
En drukt haar in zijn armen,
En kuscht heur lieflijk mondje,
En staamelt, onder ’t kusschen:
Gij zijt, gij zijt mijn meisje! –
Gij zijt de lust mijns levens! –
Gij zijt – gij zijt mijn alles!

recht en teder = echt tedere
straks = weldra
spijt = ergernis

Jacobus Bellamy (1757-1786)
uit: Gezangen mijner jeugd (1782)

———————————–

Dit bericht is geplaatst in gedicht met de tags , . Bookmark de permalink.