Gedicht: Bruin boven blond & Blond boven bruin

Wat de schoonheid der Parijsche vrouwen over het algemeen aanbelangt, waaromtrent men het vrij wel eens is, dat dezelve minder lang stand houdt, dan in noordelijker landen, zoo heb ik daarover menig verschillend oordeel gehoord. Zij zijn voor het grootste gedeelte brunettes: diegene dus, welke met een onzer voortreffelijkste Dichteressen uit de vorige eeuw instemmen, waar zij zingt:

Bruin boven blond

Ruilt nooit uw verf, bevallige Bruinetten,
Voor blanke kleur of blonde kuif.
De roos verbleekt voor bruine violetten,
De witte wijkt de purpren druif.
De bloesemknop, zo teêr, zo ligt verstooven,
Zwigt voor de rijper kers in geur.
De staatige eik, hoe bruin van verw, praalt boven
De taaije wilgen, wit van kleur.
Al wat natuur poogt kragten bij te zetten,
Huldt ze altoos met een bruine huif.
Ruilt nooit uw verf, bevallige Bruinetten,
Voor blanke kleur of blonde kuif

Elisabeth Koolaart-Hoofman (1664-1736)


die met deze regels instemmen, zullen aan de Parijsche vrouwen gaarne den prijs der schoonheid boven vele anderen toekennen. Zij daarentegen die het gevoelen omhelsen van den dichter Spandaw, en hem nazingen:

Blond boven bruin
Tegenstuk van Jufvrouw Koolaart’s ‘Bruin boven blond’

Ruilt nooit uw zachte kleur, bekorelijke Blonden!
Voor verw of bruine kuif;
De lof der bleeke roos klinkt toch uit duizend monden,
En zoet is ’t blinkend sap der muskadelledruif;
De zachte perzik is het sieraad van de hoven,
Zij wint het van de kers in geur;
De lommerrijke linde, in blonden tooi, praalt boven
Den hagedoren, bruin van kleur.
Natuur hult all’ wat schoon, beminlijk wordt gevonden,
Steeds met een zachte en blonde huif. –
Ruilt nooit uw blanke kleur, bekorelijke Blonden!
Voor hande verw of bruine kuif.

H.A. Spandaw (1777-1855)

die aan dit gevoelen hun zegel hechten, zullen een minder gunstig oordeel over de Fransche schoonen vellen. Wat mij betreft, gedachtig aan het [motto], non nostrum tantas componere lites [het is niet aan ons dit geschil te beslechten], ik zal mij hier geene uitspraak vermeten, en slechts aanmerken, dat welke hoedanigheden van lichaam en geest men ook in de Parijsche vrouwen bewonderen moge, men toch vele dier huiselijke deugden, waardoor onze Vaderlandsche schoonen zich zoo zeer onderscheiden, en die den grondslag van alle waarachtig geluk uitmaken, veelal te vergeefsch bij haar zoeken zal.
• Parijs in 1834, A.W. Engelen

———————————–

Dit bericht is geplaatst in gedicht met de tags , , . Bookmark de permalink.