Gedicht: Bert Schierbeek – De schreeuw der vrouwen om meer (fragment)

De schreeuw der vrouwen
om meer

niet alle hulplijnen zijn loodlijnen, riep de vrouw
ik ben het middelpunt
wie het magisch middelpunt van mijn tong zou zijn dit te wetenmijzelf en spatiaal en transport
voor wat is in mij
in mij dacht de man
door de immense buiken der onrust reis ik als erfvrucht van mijn verbeeldingsboom en smijt
rorschachvlekken tegen het mysteriegehemelte van mijn mond en voel mij kleeverwant en wek
het wonder open binnen de wonden van dit lichaam mijn ziel en zie wat er voor machinale
onrusten de bergpunten bewonen der paralijnen en knoopkanalen en hoor de epigrammale stem
in mij die de graven een zin verleent en tot bedden maakt

zie je zei zij hij wilde het wel iedere nacht en
ik was te moe van het werk en een man is dat nooit
want zijn geest heeft geen tijd en zoekt altijd een
dieptepunt van verstrooiing voor zijn handen wat mij
dan aangedaan wordt niet de liefde maar het zwarte gat van
een mijnwerker die de dag en de nacht moet dalen uit het leven
zonder een woord zonder wat de streling tot liefde maakt en meer
dan een beestenleven zie je dat zo voelde ik en ik wilde het soms niet
ook omdat ik zo moe was van de dagen alleen zonder de stilte van lieve
woorden die de huid zo mooi kunnen bewonen en alles laten glanzen

[lees verder]

Bert Schierbeek (1918-1996)
uit: De andere namen (1974)

———————————–

Dit bericht is geplaatst in gedicht met de tags , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter