Die finale dagen in de schemer

Door Marc Kregting

Er bestaat redelijk wat consensus over de observatie dat de samenleving is getweeëndeeld. Sociaaleconomisch bewijs wordt daarbij gehaald uit het mattheuseffect, dat stelt dat rijkeren rijker worden en armeren nog armer. Verder is er een epistomologische overtuiging dat de informatie-overvloed filterbubbels heeft opgeleverd. Vergeleken met de ander weet de een veel meer, dat vreemd genoeg onberispelijk is – het fake news zit steeds elders.

Literatuur onttrekt zich evenmin aan die tweedeling. Toch kan ik me niet herinneren daarvan ooit zo’n proeve te hebben gekregen als in de eerste weken van maart 2018. Griet Op de Beecks Boekenweekgeschenk en het tienjarig overlijden van Hugo Claus bleken toen twee uiteenlopende publieken te genereren. Lezers waren gewaarschuwd!

Van literatuurcritici kreeg Griet Op de Beeck voor Gezien de feiten niet bepaald de handen op elkaar. Dat viel te verwachten. Op de Beecks romans zijn van begin af even bewierookt als omstreden, halen veel publiciteit (waarin het programma De Wereld Draait Door andermaal zijn bepalende rol voor de branche speelde) en hebben een zo verbluffend aantal lezers dat het wantrouwen van vakmensen geprikkeld wordt. Toch ging het er nu wel erg hard tegenaan. Ik ben geen psycholoog, dus ben ik opgelucht elders te hebben vernomen dat die kritieken ‘bijna lustvol’ waren. Op de Beeck kreeg ook onnodige steken. Bijvoorbeeld toen het nieuws over Remco Camperts terugtreding aan haar werd gekoppeld door de cheffin boeken van de Volkskrant: ‘Je kunt natuurlijk de komende dagen het Boekenweekgeschenk van Griet Op de Beeck openslaan, het is tenslotte gratis. Maar je kan ook Somberman’s actie herlezen of lezen.’

Negatieve oordelen van critici kregen bovendien meermaals een metasignalement. Op zaterdag 10 maart, toen de weekendbijlagen verschenen, had de literaire nieuwssite Tzum meteen onder de kop ‘gekielhaald’ een overzicht met de venijnigste oordelen uit de Nederlandse pers. (De Belgische boekhandel Limerick nam dat bericht over in een tweet met de verzekering ‘een ECHT boek’ van Robert Walser te schenken, waarmee een oude Facebook-belofte werd herhaald.) Daags daarna meldde ook Dirk Leyman als Papieren Man dat Op de Beeck ‘aan de lakmoesproef van de critici onderworpen’ was. Hij betrok er Vlaamse recensies bij en linkte naar zijn eigen depreciatie over ‘La Op de Beeck’ voor De Morgen.

Zout in deze wonde wreven zowel De Morgen als De Standaard op 13 maart, een dinsdag die bij deze media normaliter literatuurarm is. Ze schreven ook dat boekhandel Limerick zou hebben geweigerd Gezien de feiten uit te delen omdat Robert Walser anders is dan ‘therapeutisch proza, relatiegezeik of scenario’s voor de zoveelste overbodige weekendfilm’. Ziezo, die drievoudige vernedering kon Op de Beeck in haar zak steken. Aan het eind van de Boekenweek recapituleerde de hoofdredacteur van Tzum al deze ontluisterende wapenfeiten nogmaals en verzekerde dat de Vlaamse schrijfster een verwend nest was. Zoveel dagen later, vandaag, is de lente begonnen, maar publiceert deze site nóg een recensie op Gezien de feiten, ditmaal per vlog waarvan het ‘oordeel’, wordt aangekondigd, ‘niet mals’ is. Spreker Mark Cloostermans, die normaliter De Standaard bedient, reflecteert er op ‘het slachtofferschap’ in het controversiële oeuvre.

Nu suggereren literatoren naar aanleiding van het Boekenweekgeschenk wel vaker kritisch te zijn, maar deze ontvangst ging verder. Op de Beeck werd met een imposante hoeveelheid diminutieven toegesproken over hoe ze technisch en inhoudelijk haar boek beter had kunnen aanpakken. Dat zij ook in Gezien de feiten de befaamde poëticale voorkeur voor showing boven telling bleef miskennen, bracht Leyman tot een tip: ‘De Bond Zonder Naam is nooit veraf bij Op De Beeck. Je vraagt je af waarom de organisatie haar nog niet als voltijds ambassadeur heeft gecharterd.’ Wie was die ‘je’ eigenlijk? Op één na waren het uitsluitend – witte – mannen die tegenover Op de Beeck een laatdunkendheid aan de dag legden, die ik anno 2018 niet voor mogelijk had gehouden. Zij kreeg te horen de beginselen van de spelling niet eens machtig te zijn (wat eveneens metacommentaar opleverde, dat even later gelegitimeerd moest).

Al die heren vielen als een blok voor de verleiding om zelfs de blijkbaar principiële middelmatigheid van Op de Beeck te verklaren. Én de auteur én haar overwegend vrouwelijke publiek ontleende aan tekst namelijk louter therapeutische waarde. Daarom had de CPNB, gesteund door haar Vlaamse partner Boek.be, met de keuze voor deze ambassadrice veeleer commerciële dan artistieke zaken gedaan. Zielige en stompzinnige massa, die Op de Beecks werk hersenloos tot zich neemt!

Ik ga er maar even aan voorbij dat zulke waarnemingen elk vooroordeel over culturo’s bevestigen, omdat ik te verbaasd ben dat dit spervuur van oordelen nergens werd verlegd naar eigen prestaties. Tzum is een site die fantastisch veel informatie geeft, maar wekt tegelijk het beeld dat auteurs zich op Facebook van de ene schoorsteenbrand naar de andere slepen. De Standaard en De Morgen berichtten zo verlekkerd over de actie van boekhandel Limerick, dat onvermeld bleef dat deze speler geen lid is van Boek.be en dus geen Gezien de feiten mocht uitdelen. De Gentse winkel houdt hooguit de gimmick hoog dat Op de Beecks titels er louter zijn te bestellen; de zinsnede die haar drievoudig leek te vernederen, was gekopieerd uit een oude Cobra-recensie over het boek van Walser.

En in hoeverre mag je afgaan op een bespreking in media die in de Lage Landen bijna uitsluitend tot twee concerns behoren? De kortste recensies op Gezien de feiten (Trouw, de Volkskrant) schommelen rond het niet serieus te nemen aantal van 300 woorden, de allerlangste (uit de onafhankelijke Groene) telt maar 800 woorden. Verkochten ze het fameuze psychologische artikel van de zelfhaat? Zulke beschamende hoeveelheden passen bij een letterenbijlagencultuur die een oververzadigde markt tegemoet treedt met grootste gemene delers. Ook moet opleuking de panacee zijn. Bij een bespreking is het aantal ‘ballen’ hetgeen dat telt en wil een foto ook iets. Evenwaardig zijn interviews, lijstjes en rubriekjes van het soort Zeg lees jij ook (ik dacht al dat ik het rook)? waarin bekendheden hun favoriete recept uit de wereldliteratuur onthullen.

Op zulke selecties, al dan niet met kortingsbon uit de dienstdoende krant, zijn ketenwinkels dol. Ook wanneer boeken daar als zoete broodjes over de toonbank gaan, is dat geen bewijs dat ze relevanter zijn dan de grote meerderheid van onzichtbaar blijvende titels. Tot die werkelijkheid moeten onafhankelijke boekwinkels zich verhouden, bijvoorbeeld met een koffiebarretje waarin het grasduinen door titels, of geconcentreerd raken, pas echt een beleving wordt. Hoe dan ook reageert de branche als geheel op een afnemend aantal lezers van literatuur en zegt afhankelijk te zijn van media die nieuwe titels enthousiast belichten. Bij De Wereld Draait Door doen boekhandelaren de aanprijzingen zelf, een mainstream titel als En we noemen hem van Marjolijn van Heemstra opent paginagroot met hun lyriek. Desnoods bemiddelt het enthousiasme van niet-vakgebonden bekendheden; bij Van Heemstra zijn dat Sophie Hilbrand en Jort Kelder.

Daarom beperkt het zichtbare aanbod zich grotendeels tot merknamen. Hier doet zich een raadsel voor, want Op de Beeck ís zo’n merknaam. Ze werd grootgemaakt in een systeem van mensen die haar nu wellustig neersabelen. De boekenchef die haar een onnodige tik gaf, liet haar nog een week voordien een briefwisseling met Jan Terlouw voeren. Naar verluidt verdroegen behalve vele van Op de Beecks lezers ook boekhandelaren niet goed dat hier zo opzichtig iemand werd uitgesloten.

Het is duister waarom Op de Beeck ineens verbannen werd uit het kringetje A-auteurs die haar volgens de standaardprocedure met loftuitingen in de markt hadden gezet. Zelf worden ze uitgenodigd om in lezingen zonder coreferent hun privéwereldbeeld te ontvouwen. Hun boeken zijn aanleiding voor lange interviews waaruit ze als lijdende, authentieke mens naar voren komen. Ironischerwijs behelst dit pas echt een therapeutische praxis, waarbij tekst neerslag is geworden. Ook politiek uitte die psychologisering van de kritiek zich onlangs zowel bij rechts (na onthullingen over Luceberts jeugdige nazisympathieën) als bij links (na de presentatie van een dichteres als voormalig Primark-werknemer).

Terug bij af is het twintigste-eeuwse voorstel literaire teksten als zelfstandig object te zien omdat taal hun onderscheidende kenmerk is. Opnieuw regeert het negentiende-eeuwse romantisch biografisme waarbij teksten, in de eenentwintigste eeuw idealiter bereid volgens grootmoeders recept, getoetst worden aan hun vermoede beweegredenen, tot aan het obscene toe.

Die ontwikkeling loopt parallel aan de carrière van Hugo Claus. Hij begon te publiceren toen de autonomistische benadering van literatuur veld won en gaandeweg wereldvreemde trekken kreeg terwijl de man koketteerde met de showbusiness en concurrentie kreeg van lifestyle die zich haast als karikatuur aandiende – met en na zijn dood. Exact tien jaar na Claus’ euthanasie brengt zijn uitgever onder meer een bundel waarin de biograaf alvast fragmenten uit het hele oeuvre heeft gesprokkeld die willen demonstreren hoe Op-de-Beecks-dicht literatuur zat op gebeurtenissen uit het leven van ‘de meester’. Hoe genuanceerd daar vervolgens ook toelichtingen bij komen, het idee dat er een direct, noodlottig verband is valt niet meer te ontkrachten.

Het verhaal van Claus’ vrijwillige keuze voor de dood heb ik elders verteld. Het blijft eigenaardig dat kwaliteitsmedia een decennium later beweren dat zijn euthanasie ‘een shock’ veroorzaakte, dat België ‘in nationale rouw’ was, dat een kardinaal de keuze van de meester bekritiseerd zou hebben, enz. Opnieuw wordt elk cliché over culturo’s bevestigd. En omdat de ijdelheid van enkelen onder hen in de tussenliggende tien jaar leidde tot onthullingen, ligt voor wie het zou willen weten ook op straat hoe er werd gesold met de moedige Claus en hoe hij politiek werd gerecupereerd.

Het aantal evenementen rond Claus’ tienjarig overlijden (waarvoor de publieke nieuwssite VRT al in februari een dossier reserveerde) was overstelpend. Net als de herdenkingsteksten die daar kennelijk bij hoorden. Ze vielen in drie soorten uiteen. Ten eerste waren er de hymnes van de naasten. Een intro luidde bijvoorbeeld: ‘Op 19 maart 2008 stapte schrijver Hugo Claus in een taxi voor een laatste rit. Op verzoek van Knack keert collega en vriend Erwin Mortier terug naar die finale dagen in de schemer.’ Daarnaast waren er sympathiserende stukken die, bijna verwijtend, feiten erkenden zoals dat jongere lezers geen aansluiting meer vinden bij Claus’ gelaagde werk. Ten slotte waren er de kanttekeningen bij deze herinneringsindustrie als geheel, inclusief het plichtmatig afserveren van Claus’ oeuvre door Herman Brusselmans of de genderkritiek van Jamal Ouariachi op Een zachte vernieling.

Het klinkt erg onaardig van mij, maar ik geloof dat alle drie de tekstsoorten getuigen van intellectuele oneerlijkheid. In vermalende mediastructuren moeten de auteurs domweg elk een specifieke rol voor hun rekening nemen. Tenzij ik te gefixeerd ben geraakt door een langlopend project, is dit vertoon opinisme in zijn zuiverste, door en door cynische vorm. Wat er wordt gezegd, doet er niet veel toe. Zelfs wanneer een betoog oprecht woedend is, dan nog verschilt de uitkomst niet van het slot van dat grappige liedje over John McEnroe: ‘I was talking to myself’. (En nee, daar kan ik me evenmin aan onttrekken.)

Dit is bij Claus wel de grootste treurigheid van de discrepantie tussen de 1% representatiemacht en de 99% van de wereld die voor mijn part wordt bevolkt door Op de Beeck-lezers. Iedereen uiteraard zijn rouwprocessen en feestjes, maar voor wie waren ze bedoeld? Wie het oeuvre van de meester niet apprecieerde leek even stupide als degene die Gezien de feiten wel apprecieerde. Dat er, anders dan op de tweedehandsmarkt, in boekhandels nog weinig werk van Claus te bespeuren valt, was dat al niet het geval tijdens zijn leven, maar viel dat toen minder op, vanwege het luide compartiment mediamannen uit zijn vriendenkring?

Heden bleven ze stil toen de KVS van Claus het antiroyalistische toneelstuk Het leven en de werken van Leopold II uit 1970 herprogrammeerde dat, bij ontstentenis van een toebedeeld eigen woord aan Congolezen, het inmiddels aanzienlijk gegroeide niet-witte deel van de intelligentsia allerminst kon bekoren. Onversneden werk van de meester kwam in contact met de actualiteit! Dat het controverse opriep, luidde de verdediging, onderstreepte zijn unieke kwaliteit. Ik moet zoiets over Op de Beecks boeken nog horen.

Drie jaar geleden zei een programmator ronduit dat met het oog op de toekomst aversie een risico is van echte literatuurboeken. Daarbij gold Het verdriet van België als prototypisch voor werk dat door weinigen zou worden uitgelezen. De reden daarvan was wel vermeldenswaard: zulke boeken vergen studie. Mij lijkt het niet toevallig dat de universiteit bij de Claus-herdenkingen kwam met games, een trailer en een audiowandeling. Dat is evengoed opleuking, die mij, voor de goede orde, aanvaardbaar lijkt om de aandacht te vestigen op iets wat complexer is.

Bij wetenschappelijke literatuurlessen blijkt het gangbaar om studenten aan de leerstof verwante weblogs en Wikipedia-artikelen te laten vervaardigen. Nóg een aardige stimulans, maar mijn vrees is dat bij al die ‘vertaalslagen’ geletterdheid een beetje een excuus wordt. (Ben ik nu roomser dan de paus? Dat treft, want de opleukstrategie doet me denken aan beatmissen van weleer die de leegloop in de katholieke kerk wilden stuiten.) En dan zwijg ik nog over de manier waarop de vertaalslagen tot stand komen. Die heuristiek is prachtig in kaart gebracht in het genoemde boek En we noemen hem. Daarin beschrijft Marjolijn van Heemstra, geboren in 1981, haar onderzoek naar het oorlogsverleden van een ver familielid. Haar iPhone is haar raadgever want beantwoordt opdoemende vragen die ze onsystematisch stelt. Surfen, bellen, chatten zijn kernactiviteiten. En we noemen hem staat dan ook vol met weetjes. Voor onderzoekskwesties wijzen derden Van Heemstra ondertussen op bestaande literatuur, boeken en naslagwerken. Ook ontmoet ze een man die zo geïntrigeerd is dat hij voor haar archieven begint na te pluizen.

Met zo’n op zichzelf charmante heuristiek én een kennisachterstand, zeker op literair gebied, worden universitaire taaldocenten geconfronteerd. Om een hopelijk inzichtelijk beeld te gebruiken voor hun beroep op andere media: als groentespecialisten doen ze dus extra hun best om studenten appelmoes voor te schotelen, in de hoop dat daarmee iets gezonds binnengespeeld wordt. Tragisch. Wetenschappers verkeren al in een topdrukte, door dwaas veel te moeten outputten en gelden binnen te halen. Ondertussen investeren ze tijd en energie in iets wat met de beste wil van de wereld niet anders te noemen is dan marketing voor een product waarover ze wel vakkennis bezitten.

Ingewikkeld vind ik dat ze uiteindelijk een context bekrachtigen die hun geletterdheid ondermijnt en waarin taal geen waarde meer is. Top-60-boeken vallen vaak slechts negatief op als het om stijl gaat. Waarschijnlijk ben ik er overgevoelig voor, maar ook nominatietitels, voer voor boekenbijlagen, geven zelden blijk van originaliteit, laat staan dat ze het romangenre verder brengen zoals aan de rand in de essayistiek gebeurt. Voor mij nog een reden waarom de publieke executie van Op de Beeck zo misplaatst was.

Een pasklare oplossing heb ik niet; ik snap wel dat remediëren tijdrovend is en geen garanties geeft. Het argument dat de vlucht vooruit in andere media een daad van realisme zou zijn, lijkt me in elk geval niet valabel. Uitgerekend de veelbesproken boekhandel Limerick heeft amper bestsellers in zijn aanbod en overleeft door een pragmatische, consequente keuze voor zogeheten ‘eentjes’: kwaliteitstitels uit literatuur, filosofie, geschiedenis, psychologie en wetenschap die onverkoopbaar heten maar ‘meerwaardezoekers’ blijken te trekken. Zij voelen zich in de steek gelaten door de boekenbijlagencultuur die hen, zoals pubers door leraren incapabel verklaard worden voor het complexe Claus-universum, niet in staat acht aandacht vast te houden bij informatie van meer dan 1000 woorden.

Wat weten we überhaupt van ‘de lezer’ of ‘de koper’? Ik had vroeger al het gore lef me hardop af te vragen of de boekenbranche niet wordt geregeerd door projecties op wat dit mythische personage vermag en verlangt. Bizar is dat daarbij, net als bij fake news, steeds naar andere partijen wordt doorverwezen. Uitgevers beweren dat bepaalde schrijvers na een aantal slecht verkochte boeken ‘niet te slijten’ zijn aan media en boekhandels, journalisten beweren niet over bepaalde schrijvers te berichten omdat over hen ‘geen verhaal’ geleverd wordt en boekhandelaren kopen bepaalde titels niet in omdat er – ik vermeldde de mantra al – ‘geen mediabelangstelling’ voor is.

Laten we ons allemaal herscholen! En misschien moesten universitaire taaldocenten eens contact opnemen met Griet Op de Beeck? Anders dan Claus het zich kon permitteren, ontmoet zij namelijk tijdens lezingen in het land ‘gewone lezers’. En wie zegt aan te sluiten bij de competenties van potentiële literatuurconsumenten, begint beter echt aan de basis. Tweedelingen zorgen immers niet alleen voor onrecht, maar doen iedereen tekort.

Dit bericht is geplaatst in column. Bookmark de permalink.

Één reactie op Die finale dagen in de schemer

  1. joke van overbruggen schreef:

    Leuk stukje: ben het wat Griet Op de Beeck betreft met je eens: Gezien de feiten trekt
    veel mensen naar de boekhandel:

    Wat is er toch aan de hand in literatuurland
    Noem de naam van Griet Op de Beeck
    En sommigen weten: het is weer boekenweek
    Lezers hebben de klok horen luiden
    Over deze welbespraakte vrouw uit het zuiden
    “Gezien de feiten” werd door critici tot de grond toe verwoest
    In Gent werd zelfs een alternatief boekenweekgeschenk opgehoest
    Daar werden de lezers met “De wandeling” van Robert Walser verrast
    En wat ik niet meer had durven hopen:
    Met “De wandeling” ben ik terug naar Nederland gelopen

    Joke van Overbruggen, Nuenen©

Reacties zijn gesloten.