Alleen halsstarrige joden gebruiken Jiddische woorden

Door Ewoud Sanders

Eduard Gerdes. In welk jaar deze foto, uit de collectie van het Letterkundig Museum, is genomen, is niet bekend.

Twee zwervelingen, een jeugdboek uit 1882 waarin een joodse jongen tot het christendom wordt bekeerd, bevat uitzonderlijk veel joodse woorden en uitdrukkingen, namelijk 41 – beduidend meer dan alle andere jeugdverhalen in dit genre. Het boek is geschreven door Eduard Gerdes, indertijd een beroemde schrijver, en beleefde drie drukken. Waar haalde Gerdes die joodse woorden en uitdrukkingen vandaan en welke functie hadden ze?

Eduard Gerdes (1821-1898) behoort tot de productiefste en meest gelezen jeugdboekenschrijvers uit de tweede helft van de 19de eeuw. Hij werd in Kleef in Duitsland geboren, als jongste in een gezin met zes kinderen. Twee kinderen stierven bij hun geboorte en drie op jonge leeftijd bij een epidemie, zodat Eduard als enig kind overbleef. Zijn vader stierf jong, zijn moeder was zeer godsdienstig. ‘Elken avond moest ik haar een hoofdstuk uit haren (duitschen) Bijbel voorlezen’, schreef hij later in het tijdschrift Oud en Nieuw (1891:221). Gerdes hield hier een gedegen Bijbelkennis aan over. Hij werd onderwijzer, werkte korte tijd in Duitsland en vestigde zich vervolgens in Amsterdam. Daar kwam hij in 1856 in contact met dominee Jan de Liefde (1814-1869).

In 1856 of 1857 werd Gerdes voorzitter van de Amsterdamse afdeling van de ‘Vereeniging tot Heil des Volks’. Naast evangelisatie hield deze organisatie, die was opgericht door De Liefde, zich bezig met armenzorg en volksonderwijs.

Eduard Gerdes

In Amsterdam deed Gerdes evangelisatiewerk onder de arbeidersbevolking van Oostenburg, Kattenburg en Wittenburg. Hij bezocht de zondagavondbijeenkomsten van de bekeerde jood Isaac da Costa (1798-1860) en gaf Nederlandse les aan dominee Carl Schwartz (1817-1870), een Duitse bekeerde jood die halverwege de 19de eeuw in Amsterdam veel ophef veroorzaakte als jodenzendeling.

Na Amsterdam zette Eduard Gerdes zijn evangelisatiewerk voort in de veenkoloniën bij Stadskanaal (onder Duitse turfstekers), in Doetinchem, Haarlem en sinds 1878 weer in Doetinchem. Daar woonde hij tot zijn dood in 1898.

Gerdes wordt tot de schrijvers van het Réveil gerekend, een opwekkingsbeweging binnen de protestantse kerk. Deze beweging stond een praktisch christendom voor dat onder meer tot uiting kwam in liefdadigheid en sociale bewogenheid.

Gerdes was een veelschrijver: hij publiceerde ruim 250 boeken (zie dit overzicht,). Hij schreef ook verschillende liederen. Zijn beroemdste lied, ‘Daar ruischt langs de wolken’, was op kerstavond 1858 voor het eerst te horen. Dit lied is nog steeds populair en wordt wel de ‘Christelijke Internationale’ genoemd.

Twee zwervelingen

Het omslag van de derde editie van Twee zwervelingen, of Jood en Christen.

In Twee zwervelingen beschrijft Gerdes vijf jaar uit het leven van Rinus en Levi. Het verhaal speelt ‘ruim veertig jaar geleden’, schreef Gerdes in 1882 – dus omstreeks 1840.

Rinus is een wees. Op een trekschuit ontmoeten hij en zijn zieke grootmoeder – die hem bij verre familie wil onderbrengen – een joodse koopman, Nathan Polak. Grootmoeder overlijdt en Nathan, ‘de menschlievende Jood’, besluit om Rinus tegen betaling bij zijn zuster Racheltje onder te brengen.

Rinus is een frisse, leergierige jongen, met ‘een teeder geweten en een vroom gemoed’. Racheltje is weduwe en heeft een slagerij in een dorp in Gelderland. Ze heeft één zoon, Levi, en zij wordt geholpen door haar zwager, Mozes.

Mozes handelt in alles wat maar verkoopbaar is. Hij loopt een beetje voorovergebogen, is inhalig en heeft een ‘ontevreden mond’. Zijn ‘kleine oogen met een uitdrukking van listigheid blonken onder de dikke zwarte wenkbrauwen’. Mozes bedriegt zelfs zijn zus, hoewel die nauwelijks het hoofd boven water kan houden. Wel leeft hij volgens de joodse regels. ‘Op Sabbat behoefde hij niets te verdienen, maar was het dan verboden op Sabbat te denken aan ’t geen hij morgen en overmorgen zou verdienen?’

De vier hoofdpersonen van Twee zwervelingen. Racheltje, de moeder van Levi (‘haar neus een weinig te lang en te veel gebogen’). Oom Mozes, de gewelddadige, sluwe oom van Levi. De wees Rinus – de goedheid zelve. En Levi de slagerszoon, die tot het inzicht komt dat ‘de nietsbeteekenende formaliteiten van het hedendaagsche Jodendom’ hem niets te bieden hebben. De naam van de illustrator is niet bekend.

Levi (zwarte ogen, pikzwart kroeshaar) is een dromer. Maar ‘vertrouwelijk zooals de Joden zijn’ sluit hij al snel vriendschap met Rinus. Rinus heeft een Bijbel meegenomen – de enige nalatenschap van zijn grootmoeder.

Tot ongenoegen van zijn moeder leest Levi graag. ‘Als bij toeval was hem eens een boek in handen gekomen, dat eene reisbeschrijving behelsde van Jeruzalem en het Heilige Land’. Daarin heeft Levi gelezen ‘dat de Messias reeds lang was gekomen’.

Rinus en Levi worden zwaar uitgebuit door oom Mozes. Die stuurt de jongens voortdurend op pad, vaak ‘zonder eten of drinken’.

Levi stelt aan Rinus voor om iedere ochtend een half uur samen in de Bijbel te lezen. Dat moet in het geheim, want ‘oom Mozes zou ons klappen geven of ons het boek afnemen’. Ze verstoppen de bijbel onder een dakbalk.

Het is voor Rinus een belevenis om bij joden te wonen. In de koosjere slagerij verbaast hij zich over ‘de formaliteiten, die soms zeer bespottelijk zijn’. En hij verbaast zich over de joodse manier van bidden. Toch lacht Rinus, goed als hij is, ‘niet over de wonderlijke bewegingen en uitgalmingen, die er bij gemaakt werden’.

De jongens lezen al twee jaar samen in de Bijbel als ze op een dag door Mozes worden betrapt. In Mozes leeft ‘een gloeienden haat tegen alle Christenen’; Jezus noemt hij ‘den gehaten Nazarener’.

Oom Mozes pakt de bijbel af die Rinus en Levi in het geheim samen bestuderen. Hij gooit de bijbel van de trap en raakt daarbij Racheltje, die op het geschreeuw is afgekomen.

Mozes vliegt de jongens aan. Hij ‘rukte eensklaps Levi het boek uit de hand en sloeg er zijn neef rechts en links mee om de ooren; ja, zoo woedend werd hij, dat hij Rinus niet ontzag, maar hem rijkelijk klappen toedeelde’. Mozes gaat ‘te keer als een wild dier’.

Nadat de jongens een boodschap van Mozes niet goed hebben bezorgd, worden ze dagelijks ‘gruwelijk mishandeld’. Mozes wordt ‘een tiran voor de beide jongelingen, snauwde en grauwde, sloeg en ranselde, liet hen geen oogenblik alleen, zorgde dat zij niet te zamen konden lezen en bidden (…). Levi werd mishandeld, omdat hij niet Joodsch genoeg deed, en Rinus, omdat hij met Levi over het Christendom sprak.’

Als de jongens 17 zijn, besluiten ze samen weg te lopen. In de jaren daarna beleven ze nog diverse avonturen. In vogelvlucht: de jongens redden twee jonge freules van de verdrinkingsdood, met hun spaargeld beginnen ze een goedlopende winkel, maar nadat die is afgebrand moeten ze in armoede opnieuw beginnen.

Hoewel de Gelderse rabbijn een zware vloek over Levi heeft uitgesproken, besluit Racheltje bij de jongens te gaan wonen, op hun uitnodiging. Op een dag krijgen ze bezoek van een sjofel geklede oom Mozes, die Racheltje met veel omhaal probeert over te halen bij de jongens weg te gaan. Maar Rinus en Levi tonen zoveel christelijke naastenliefde, ook ten aanzien van hun vroegere onderdrukker, dat Mozes omslaat als een blad aan een boom. In feite blijkt Mozes heel rijk te zijn – hij heeft fortuin gemaakt in Zuid-Afrika. Hij koopt een villa, waar ze met z’n allen gaan wonen.

Langzaam zien de jongens zelfs bij oom Mozes ‘de vijandschap tegen het kruis’ afnemen en ook Racheltje zingt af en een toe psalm mee. De jongens hoopten ‘dat Mozes en Racheltje zich aan hun Messias hadden overgegeven, maar die vreugde was hun niet gegund’.

Mozes en Racheltje sterven kort na elkaar. De jongens trekken daarop samen naar Jeruzalem, waar Levi wordt gedoopt.

Twee zwervelingen verscheen bij uitgeverij P.J. Milborn in Nijmegen en beleefde drie drukken: in 1882, in 1888 en omstreeks 1900. Twee zwervelingen had als ondertitel ‘een verhaal voor jongelieden’. Uitgeverij P.J. Milborn beval het in krantenadvertenties in onder meer De Standaard aan als ‘feestgeschenk voor jongens’. In het Repertorium op Brinkman’s catalogussen werd het in 1884 onder de ‘Kinderwerkjes’ opgenomen. Twee zwervelingen verscheen niet alleen in boekvorm, maar tevens als feuilleton in De grondwet, tussen 2 juni 1896 en 26 september 1896. Boven het feuilleton stond ‘Voor de jeugdigen’. Van Twee zwervelingen zijn geen besprekingen aangetroffen.

Het Joods-Nederlands in Twee zwervelingen

Eduard Gerdes op 70-jarige leeftijd

Eduard Gerdes besteedt in Twee zwervelingen op twee manieren aandacht aan het Joods-Nederlands. In een voetnoot schrijft hij: ‘De Israelieten [hier gebruikt in de betekenis: ‘een nakomeling van Israël, iemand van het volk van Israël, jood’; ES] vooral uit den minderen stand, spreken wanneer zij bij elkander zijn, dikwijls bargoensch, een verbasterd Hoogduitsch, vermengd met woorden uit andere talen. Ik heb hun in mijn verhaal dit bargoensch niet in den mond gelegd, daar dit vaak aanleiding geeft tot spot en minachting eener natie, voor welke ik eerbied gevoel. Evenwel mocht ik hunne gewone vragende wijze van spreken niet geheel achterwege laten, en heb ook hier en daar een uitdrukking gebruikt, die zoo geheel den Jood kenmerkt.’

Gerdes maakt dus een onderscheid tussen de intonatie (de ‘gewone vragende wijze van spreken’) en het gebruik van bepaalde ‘uitdrukkingen’. Hij zegt uit respect voor joden weinig joodse ‘uitdrukkingen’ te zullen opnemen, want ze worden erom bespot, maar in feite gebruikt hij er ruim veertig. Bovendien gebruikt Gerdes veel joodse woorden meer dan één keer – sommige zelfs meer dan tien keer.

Hieronder zal ik alle joodse woorden en uitdrukkingen in Twee zwervelingen in kaart brengen, ter gelegenheid van de lancering van het Jiddisch Nederlands Woordenboek (JNW).

Joodse intonatie

Gerdes verwerkt de in zijn ogen kenmerkende ‘joodse intonatie’ op twee manieren. In de eerste plaats maakt hij expliciet melding van een zingende en vragende toon. Hier enkele voorbeelden:

‘En waarom zou hij dat doen!’ riep Sam uit, op dien zingenden en vragenden toon, den Jood eigen.
‘Moeder heeft mij geroepen?’ zegt hij [Levi] op vragenden toon.
‘Och, schei maar uit!’ zong ze [Racheltje] schreeuwend, ‘weet ik niet wat je zeggen wilt?’
‘Wat de Sabbat beteekent?’ antwoordde Mozes op zijne gewone zingende en vragende wijze, ‘wel, de Sabbat is de Sabbat.’

In de tweede plaats laat Gerdes veel zinnen van zijn joodse hoofdpersonen eindigen met een vraagteken. Zo zegt de moeder van Levi, die vindt dat haar zoon teveel leest: ‘Zou hij [oom Nathan] niet beter gedaan hebben u geen boeken te geven? Wat geven me boeken? Kunnen we daarmee wat verdienen? Kunnen we van de boeken eten?’

Ook Levi zelf spreekt vrijwel voortdurend in vragen. Als hij zich tegen Rinus beklaagt over de mishandelingen door oom Mozes, zing-vraagt-zegt hij: ‘Heeft oom Mozes u niet verschrikkelijk geslagen? En hebt gij geen striemen op den arm? Heb ik geen dik gezicht?’

Levi leert van Rinus anders bidden (niet meer ‘met al de bewegelijkheid den Jood eigen’) en zijn vriend adviseert hem om ook anders te leren praten: ‘Houd u goed Levi, wees niet droomerig en spreek niet op den vragenden en zingenden toon, dien gij aangeleerd hebt. ’t Is waar, gij doet het veel minder dan vroeger, maar gij vergeet het toch wel eens.’

Volgens Eduard Gerdes spraken joden niet alleen zangerig, maar ook wijdlopig. Over Nathan Polak merkte Gerdes in 1882 in Twee zwervelingen op: ‘Oom Nathan deelde hun het doel zijner komst mede, en verhaalde, niet in korte woorden, want de Israelieten houden van veel omhaal, – zijne ontmoeting met de oude vrouw en den knaap op het beurtschip.’

 Bargoense/joodse woorden in Twee zwervelingen

Ik heb de Bargoense/joodse woorden in Twee zwervelingen hier in twee categorieën verdeeld: woorden die Gerdes niet en woorden die hij wel verklaart.

  1. Bargoense/joodse woorden die Gerdes niet verklaart

Bij de onderstaande negen Bargoense/joodse woorden ontbreekt in Twee zwervelingen een verklaring. Soms zijn joodse woorden en uitdrukkingen in Twee zwervelingen cursief gezet, soms niet. In het (voorbeeld)citaat is dat nagevolgd. In de tabel ‘frequentie’ wordt vermeld hoe vaak het woord of de uitdrukking in dit jeugdboek voorkomt.

Woord Frequentie Gebruikt door (voorbeeld)citaat Toelichting
beschabberen 1 Oom Mozes O, was ik nog Katsef (vleeschhouwer) ik zou mijn wraak aan je koelen, ik zou je beschabberen. De betekenis (‘begraven’) is op te maken uit een ander citaat in Twee zwervelingen: ‘Waar ik (…) er voor zorgde, dat de vrouw een eerlijke beschabbering (begrafenis) kreeg.’
betjoegelen 2 Oom Mozes Kon ik nu maar zelf naar dien boerenknecht toegaan, dan had ik hoop hem te betjoegelen. Waarschijnlijk is betjoegelen een vormvariant van besjoegelen. Besjoegelen is aan de Duitse dieventaal (het Rotwelsch) ontleend en betekent ‘bedriegen, belazeren, besjoemelen’.
massele 2 Sam, een joodse loopjongen Mijnheer Nathan heeft zeker goede massele gemaakt in Gorkum, denk ik. Massele maken [mazzel maken] betekent hier: goede zaken doen. Via het Jiddische mazzel is het ontleend aan het Hebreeuwse mazzāl (‘gesternte, geluk’).
meschummad 3 Gerdes over oom Mozes Hij had gehoord, dat Levi zich aan de Christenen verkocht had, en – aldus drukte hij zich uit – nu zou hem gewis eenmaal de vloek treffen, die over iederen meschummad komen moest. Meschummad (‘afvallige’) gaat via het Jiddisch terug op het Hebreeuwse sjoemmad (‘gedwongen worden zijn geloof te verloochenen’).

 

Parnas 1 Oom Mozes Racheltje kom mee! Wat zullen de Schohet, de Gazan en de Parnas zeggen als zij hooren, dat gij hier woont?’ Parnas betekent ‘bestuurder van een joodse gemeente’. Het is ontleend aan het Hebreeuwse pirnes (‘voorzien, onderhouden, ondersteunen’).

 

sjachelen 1 Oom Mozes Nu zoo’n keurig tafelservies zou hem niet meer kosten dan twee gulden en een pet wist hij wel te sjachelen, zoodat hij goede massele had gemaakt. Sjachelen [sjacheren] betekent hier ‘op de kop tikken’. Via onder meer het Jiddische sachern (‘kleine handeltjes drijven, sjoemelen, sjacheren’) is het ontleend aan het Hebreeuwse sāḥār (‘handel drijven’).

 

soton 1 Gerdes over oom Mozes Hij eindigde met verwenschingen, en zijn laatste woord tot zijn neef was in het bargoensch: Gei som soton, meschummad! ’t welk ik maar liefst onvertaald laat’ Gei som soton, meschummad betekent: ‘Loop naar de duivel, afvallige.’

 

tfise 1 Oom Mozes Wat woon je hier in dit krot van een huis? Lijkt ’t niet een tfise? Tfise betekent ‘gevangenis’. Het is afgeleid van het Hebreeuwse thofas (‘grijpen, pakken’).

 

Verschwarzter hourik 1 Oom Mozes God van den hemel, zegt ge, zal u zegenen. Neen, God van den hemel zal u vloeken, verschwarzter hourik. Verschwarzt [versjwartst] betekent: vervloekt, verwenst, duivels; Gerdes vermeldt wel de betekenis van hourik (‘rakkert’)

 

 Bij de verwensing gei som soton (‘loop naar de duivel’) geeft Gerdes met opzet geen verklaring – hij wil die zijn jonge lezers besparen.

Wellicht vond Gerdes het onnodig om sjachelen en massele maken te verklaren, omdat hij de betekenis bekend veronderstelde (vóór Gerdes is sjacheren onder meer te vinden in het werk van Multatuli, Emants en Justus van Maurik). Maar het is zeer onaannemelijk dat de jonge lezers van Twee zwervelingen de betekenis kenden van beschabberen, betjoegelen, meschummad, Parnas, tfise en verschwarzter hourik.

Dat Gerdes die woorden niet verklaarde, zegt hoogstwaarschijnlijk iets over zijn werkwijze: hij zal de verklaringen uit slordigheid niet hebben vermeld. En mocht hij een drukproef onder ogen hebben gehad, dan heeft hij een en ander daarin niet rechtgezet. Wellicht zegt het ontbreken van die verklaringen ook iets over de werkwijze van de uitgever. Twee zwervelingen verscheen bij uitgeverij P.J. Milborn en beleefde tussen 1882 en ca. 1900 drie drukken. Bij de niet-verklaarde woorden zijn in latere drukken geen verklaringen toegevoegd. Mogelijk vond de uitgever dit te duur; aanvullingen zouden immers nieuw zetwerk opleveren.

  1. Bargoense/joodse woorden die Gerdes wel verklaart

Alle overige Bargoense/joodse woorden en uitdrukkingen – ruim dertig – zijn door Gerdes van een betekenis of uitleg voorzien. Meestal voegt hij de betekenis tussen haakjes toe, soms verklaart hij die in een voetnoot en soms pakt hij het op deze manier aan:

Levi: ‘Zij zouden mij straffen.’
Rinus: ‘Waarmede?’
Levi: ‘Weet ik het? Misschien met tijnis houden.’
Rinus: ‘Wat is dat?’
Levi: ‘Vasten en gedurende drie dagen bidden.’

In de tweede kolom staat het woord of de uitdrukking in de vorm zoals die door Gerdes is gebruikt. Waar nodig is in het veld ‘toelichting’ de gestandaardiseerde vorm tussen [vierkante haken] toegevoegd. Die is ontleend aan Koosjer Nederlands (2006) van Justus van de Kamp en Jacob van der Wijk.

Woord Frequentie Gebruikt door (voorbeeld)citaat Toelichting
Attel lemiese 1 Racheltje ‘O wee!’ riep Racheltje uit, die van schrik bijna was gevallen, ‘O wee! Wat moet me gebeuren? Wilt gij mij attel lemiese? (doodslaan).’ Attel lemiese [attelemiese] is via het Jiddisch ontleend aan het Hebreeuwse ad lemiso/ad lemitha (‘tot de dood’, ‘tot de dood er op volgt’).

 

Bakschenajim 2 Racheltje ‘O wee!’ riep Racheltje uit, haar mond met de handen bedekkende, ‘mijn bakschenajim!’ Bakschenajim [baksnajem] betekent letterlijk ‘kaaktanden’, maar werd/wordt ook gebruikt voor ‘bek, mond, bakkes’. Gerdes verklaart het woord niet rechtstreeks, maar de betekenis ‘mond’ is op te maken uit de bijzin (‘haar mond met de handen bedekkende’). Snajem is via het Jiddische sjenajem ontleend aan het Hebreeuwse sjinajiem, beide met als betekenis: tanden.

 

Bechoor 2 Gerdes over Levi Maar leed deed het hem, als hij dacht aan de ongerustheid, die zijne moeder zou gevoelen, aan haar angst, aan haar gejammer over haren Bechoor (Eerstgeboorne). Bechoor [bechour] betekent ‘eerstgeboren zoon’.
Beis, er ist – 1 Oom Mozes Zou hij mij niet een standje maken? O, er ist beis (hij is boos). Beis [bijs] betekent hier: kwaad, slecht. Via het Jiddisch gaat het terug op het Middelhoogduitse boes (‘boos’).
Beschabbering 1 Oom Nathan Waar ik (…) er voor zorgde, dat de vrouw een eerlijke beschabbering (begrafenis) kreeg. De herkomst van beschabbering, een zeldzaam woord, is niet bekend. Een gangbaarder Bargoens/Joods-Nederlands woord voor ‘begrafenis’ is lewaje/lawaje.
Galg 1 Gerdes over Levi Hij was wel eens in de tiffele der Gojim geslopen en had hun galg (dominee) hooren preeken, maar ’t was hem zelden duidelijk geworden, wat de predikant bedoelde. Galg betekent: geestelijke. Via het Jiddische gallech is het ontleend aan het Hebreeuwse gallach, dat ‘geschorene’ betekent. In het Bargoens werd galg meestal gebruikt voor ‘pastoor’ of een katholieke geestelijke.

 

Gammer 2 Oom Mozes Levi, dit zijn de vijf en twintig guldentjes, die gij aan dien gammer (ezel) brengen moet. Gammer betekent ‘ezel, sufferd’. Via het Jiddische chammer is het ontleend aan het Hebreeuwse chamour, beide met als betekenis: ezel.

 

Gammerstuk 1 Gerdes over Oom Mozes Dat zou, om oom Mozes’ uitdrukking te gebruiken, een gammerstuk (ezelswerk) zijn. Gammerstuk is een zeldzaam woord. In plaats van ‘ezelswerk’ wordt het ook verklaard als ‘ezelsstreek’.

 

Gazan 8 Gerdes Toen kwamen mijnheer de Leeuw, Gazan (voorlezer), en ten slotte David Davidson de Schohet zelf. Gazan [gazzen] betekent: voorzanger. Via het Jiddische chazzen is het ontleend aan het Hebreeuwse chazan, beide met als betekenis: voorzanger.
Giddisch 1 Racheltje Was giddisch? Wat nieuws? Giddisch is ontleend aan het Hebreeuws chidoesj (‘nieuws’). De gestandaardiseerde vorm is: chídesj.
Gojim 8 Gerdes Racheltje en Mozes deinsden achterwaarts op hunne zitplaatsen. Hoe? een kind van de Gojim? In een voetnoot schrijft Gerdes: ‘Dezen naam geven de Joden aan allen, die niet hun geloof deelen.’

Gojim is het meervoud van goj, dat via het Jiddisch is ontleend aan het Hebreeuwse gōj (‘volk’). In het Oude Testament wordt gojim meestal gebruikt voor: niet-joodse volkeren.

Haschi mijne 3 Oom Mozes Als de knaap het niet goed naar zijn zin had, dan kon hij eens haschi mijne (zich uit de voeten maken) en dan was Racheltje haar honderd en vijftig gulden kwijt. Haschi mijne [hasjeweine] is via het Jiddisch ontleend aan het Hebreeuwse hasjiweinoe (‘laat ons terugkeren, onze Vader, naar Uw leer’). In de joodse dienst wordt deze formule onder meer gebruikt bij het terugbrengen van de thorarollen naar de heilige ark en in het ochtendgebed.
Hé-basch 3 Oom Nathan Kijk, daar heb je een hé-basch (vijf-stuiverstuk); koop daar samen wat voor, wat moois, wat goeds, wat nuttigs. , de vijfde letter uit het Hebreeuwse alfabet, heeft 5 als getalswaarde; bas betekent hier ‘stuiver’; het gaat dus om een ‘kwartje’.
Hourik 6 Oom Mozes Dat meende Mozes ook, die er de jongens van langs zou geven als de houriks (rakkerts) niet goed oppasten. Hourik [hourek] betekent onder meer ‘hufter, hork’. Via het Jiddische houreg (‘schurk’) is het ontleend aan het Hebreeuwse houreig (‘moordenaar’).
Jirkse hasschem 2 Oom Mozes ‘Neen’ riep hij uit, ‘ik wil en mag u niet van elkander scheiden. Mag ik dat wel? Neen, wij zullen bij elkander blijven zoolang Jirkse hasschem! (Als God wil).’ Elders gebruikt Gerdes deze uitdrukking in de vorm sirtse hasschem, met als verklaring: ‘zoo God wil’. Jirkse hasschem [im jirsé hasheim] betekent: met Gods wil, zo God het wil, Deo Volente. In het Hebreeuws luidt de uitdrukking iem jirtsee haSjem (‘als de Naam het wil’).
Kapore 4 Oom Mozes Bezwijk ik niet van dorst? Ik ben kapore (dood). Kapore [kepore] betekent onder meer: verloren, weg, kapot, stuk, dood. Het komt van het Jiddische kappore (‘zoenoffer, dood, stuk’).
Katsef 1 Oom Mozes O, was ik nog Katsef (vleeschhouwer) ik zou mijn wraak aan je koelen. Katsef (‘slager’) is via het Jiddisch ontleend aan het Hebreeuwse katsow (‘vleeshouwer’).
Kauscher 2 Gerdes Voor reizigers, die met het schip een of twee nachten onder weg moeten blijven, is er tegen matige vergoeding een slaapgelegenheid, maar of deze wel altijd kauscher (rein) is, zullen wij nu maar niet onderzoeken. Elders gebruikt Gerdes de schrijfwijze kaschar (‘Is hier iets Kaschar?’). Kauscher [koosjer] betekent ‘toegestaan volgens de joodse voedselvoorschriften’. Via het Jiddische kosher is het ontleend aan het Hebreeuws kosjer (‘in orde, zuiver, wettig’).

 

Kijwer 2 Oom Mozes Bij mijns vaders Kijwer (graf), ’t is een hol. Elders gebruikt Gerdes de schrijfwijze kijner (‘Neen, bij mijn vaters kijner niet’). Kijwer [keiwer] is via het Jiddisch ontleend aan het Hebreeuwse kewer (‘graf’), van kowar/kawar (‘begraven’).

 

Knittelen 1 Oom Mozes Hoor ik ze niet? Misschien zijn ze bezig met knittelen (bidden). Knittelen betekent ‘(geknield) bidden’. De herkomst van dit woord, dat zelden voorkomt, is niet bekend.
Leek leschaloon 1 Racheltje Neen, Mozes, ik blijf. En waarom zou ik niet blijven? Leek leschaloon! (Ga in vrede). Van de Hebreeuwse zegening leech lesjollem/lesjoloum/leshalom (‘ga tot vrede’).

 

Malke 1 Oom Mozes O malke malke (vrouw), lijd je geen armoede? Malke is via het Jiddisch ontleend aan het Hebreeuwse malka (oorspronkelijke betekenis: koningin; vrouw des huizes). Malke wordt doorgaans alleen als naam gebruikt, niet in de betekenis ‘vrouw’.

 

Meirif ore 1 Oom Nathan En moeten wij niet bidden? Moeten wij niet meirif ore? (avondgebed verrichten). Meirif ore [meiref oren] betekent: het avondgebed uitspreken. Meiref betekent ‘avond’ en ‘avondgebed’; oren is via het West-Jiddisch ontleend aan het Latijnse orare (‘bidden’).
Meschogge an metorf 2 Oom Mozes Mozes antwoordde niets, maar hij dacht bij zichzelven, dat Nathan meschogge an metorf (stapelgek) was geworden. Meschogge an metorf [mesjogge en metorf] betekent: stapelgek. Mesjogge is via het Jiddische mesjoege (‘gek’) ontleend aan het Hebreeuwse mesjoeggo/mesjoegga (‘razend, gek’). Metorf gaat via het Jiddisch terug op het Hebreeuwse metorof/metoraf (‘verward’).
Miese massematten 2 Oom Mozes ‘’t Zijn miese massematten,’ (netelige zaak) zuchtte hij. Mies betekent: kwalijk, ongunstig, lelijk, lastig. Via het Jiddische mieës is het ontleend aan het Hebreeuwse mioes (‘afkeer, minderwaardigheid’). Massematten betekent: handel, negotie, koopwaar, zaken. Via het Jiddisch gaat het terug op het Hebreeuwse massa oe mattan (‘laden en afgeven’).
Miese meschinne 1 Levi ’t Is waar, hij was een posch jisrool, over wien de Rabbi een miese meschinne (zware vloek) had uitgesproken’ Miese meschinne [miesemesjinne] betekent: onnatuurlijke, gewelddadige dood. Via het Jiddische miesemesjiene is het ontleend aan het Hebreeuwse mieso mesjoeno (‘vreemde dood’).
Posch jisrool 5 Oom Mozes Zou hij mij niet kapittelen en zeggen: Mozes, gij zijt een posch jisrool (slechte Israeliet). Zou hij mij niet een standje maken? Posch jisrool [posje Jisrool] betekent: zondaar (tegen de God) van Israël. Posje is via het Jiddisch ontleend aan het Hebreeuwse posjeia (‘overtreder, misdadiger, zondaar’).
Schohet 13 Gerdes De Israelieten (…) steken de runderen niet, maar snijden ze de keel af. Dit beulenwerk moet echter door een bevoegd persoon geschieden, door den Schohet of kauscherslachter. Schohet [sjouget] betekent: ritueel slachter. Via het Jiddisch is het ontleend aan het Hebreeuwse sjachat (‘slachten’).

 

Sjoveltjes 3 Oom Mozes Wou je ’t me hieten te liegen, dat je moeder het sjoveltjes, armoedig heeft? Gerdes gebruikt het woord sjoveltjes slechts één keer, maar op p. 99 schrijft hij: ‘ziet gij er niet sjovel en poovertjes uit?’; en op p. 130 heeft hij het over een ‘sjovelen toestand’.

Sjovel [sjofel] is via het Jiddische sjofl (‘gering, nederig, slecht’) ontleend aan het Hebreeuwse sjofol/sjafal (‘hol, laag, nederig, gering’).

Sopher 3 Gerdes Eerst verscheen Saartje van den Schohet, met Leijzer den Sopher (schoolmeester). Sopher [soufer] betekent o.a: schrijver (van torarollen en andere religieuze teksten), kalligraaf, secretaris, Schriftgeleerde. Via het Jiddisch is het ontleend aan het Hebreeuwse safar (‘tellen, snijden’).
Tiffele 3 Oom Nathan Laat hem de stad eens zien, de mooie tuinen en velden, de tiffele (kerk). Tiffele [tifle] (‘kerk’) is via het Jiddisch ontleend aan het Hebreeuwse beis tieflo (‘huize ijdelheid/onbeschaamdheid’), ter onderscheiding van beis tefillo: het (joodse) bedehuis.

 

Tynis houden 2 Racheltje ‘O Levi, Levi, mijn zoon! heb ik heden niet al tynis gehouden? (gevast)’ Elders (op p. 57) gebruikt Gerdes de schrijfwijze tijnis houden. Tynis [teines] houden betekent: vasten. Via het Jiddisch gaat het terug op het Hebreeuwse ta’anith (‘vasten, boetedoening, (zelf)kastijding’).

Deze inventarisatie maakt mijns inziens duidelijk dat het Joods-Nederlands in Twee zwervelingen een inhoudelijke functie heeft. Gerdes legt vrijwel alle joodse woorden en uitdrukkingen in de mond van Racheltje en oom Mozes. Zij vertegenwoordigen in dit bekeringsverhaal de halsstarrige joden. Joden die zich, ondanks de lichtende voorbeelden in hun directe omgeving, vastklampen aan hun eigen taalgebruik en religie.

Nathan, ‘de menschlievende Jood’, gebruikt slechts vier joodse woorden en uitdrukkingen: hij zorgt dat de straatarme grootmoeder van Rinus een ‘eerlijke beschabbering’ (‘begrafenis’) krijgt, hij is zo aardig Levi en Rinus een hé-basch (‘vijf-stuiverstuk’) te geven, hij vraagt ‘moeten wij niet meirif ore?’ (het ‘avondgebed verrichten’) en hij raadt een bezoek aan de tiffele (de kerk) aan.

Levi, de jongen die Jezus erkent als de Messias, gebruikt nauwelijks joodse woorden en uitdrukkingen. Hij praat aanvankelijk wel zangerig, maar op aanwijzing van de vrome Rinus leert hij dat af.

De gewelddadige Mozes daarentegen, die van geen bekering weten wil, gebruikt ruim twintig joodse woorden en uitdrukkingen. Hij wil sjachelen, boerenknechten betjoegelen en hij uit een verwensing die zo erg is dat Gerdes hem onvertaald laat. Gerdes gebruikt het Joods-Nederlands dus niet alleen omdat dit ‘zoo geheel den Jood kenmerkt’, zoals hij in een voetnoot stelt, maar ook als richtingaanwijzers voor de karakters en ontwikkelingen in dit bekeringsverhaal.

De bronnen voor het Joods-Nederlands van Eduard Gerdes

Van slechts vijf van de 41 ‘Bargoense’ woorden in Twee zwervelingen is Gerdes’ bron niet bekend. Het gaat om:

Woord Toelichting
beschabberen In de acht miljoen krantenpagina’s die via Delpher te doorzoeken zijn, komt beschabberen precies één keer voor: op 22-09-1896 in De Grondwet in een aflevering van het feuilleton van Twee zwervelingen. Ook op internet en in Google Books is slechts één bron te vinden: de tekst van Gerdes.
betjoegelen Net als beschabberen komt betjoegelen slechts één keer in Delpher voor: op 4-8-1896 in De Grondwet in een aflevering van het feuilleton van Twee zwervelingen.
schohet Voor schohet (‘slachter’) geldt hetzelfde als voor beschabberen en betjoegelen; in Delpher komt het alleen voor in afleveringen van het feuilleton van Twee zwervelingen in De Grondwet.
sjachelen Sjachelen is al in de 17de eeuw in het Nederlands opgetekend en duikt vanaf het midden van de 19de eeuw af en toe op in Nederlandse boeken, tijdschriften en dagbladen.
sopher In Nederlandse romans uit de 19de eeuw is sopher (‘schoolmeester’) niet aangetroffen; in 19de-eeuwse kranten komt het alleen voor in het Nieuw Israelietisch weekblad

Gerdes vermeldt in Twee zwervelingen niet welke bronnen hij gebruikte voor het Joods-Nederlands, maar ze bleken wel degelijk te achterhalen. Kennelijk had hij in 1882, bij het schrijven van dit jeugdboek, de volgende werken binnen handbereik:

  1. Louis de Leeuw, De Nederlandsche Jood, zoo als hij thans is, zijne godsdienst, zeden en gebruiken (Amersfoort, 1864).

Louis de Leeuw was een bekeerde Amsterdamse jood. Met dit bijna driehonderd pagina’s dikke boek streefde hij twee doelen na: ‘den jood met zichzelven bekend maken’, en christenen ‘de waarheid en niets dan de waarheid’ over joden te vertellen. De meeste hoofdstukken gaan over religieuze gebruiken bij de joden, maar De Leeuw wijdt ook hoofdstukken aan onder meer ‘het eigenaardig karakter van den jood’, ‘het dagelijks leven van den jood’ en aan ‘het godsdienstig gevoel van den jood’.

Om de inhoud ‘onderhoudend en niet droog of vervelend te maken’ last De Leeuw af en toe literaire passages in, waarbij hij joden sprekend opvoert. Veel van de door Gerdes overgenomen woorden en uitdrukkingen zijn te vinden in zo’n literaire passage, die een kleine tien bladzijden in beslag neemt.

Overigens leende Gerdes niet alleen woorden en uitdrukkingen uit De Nederlandsche Jood, maar ook namen en situaties. Eén voorbeeld: De Leeuw schrijft laatdunkend over een brillenkoopman die tevens Parnas (‘kerkmeester’) is. In Twee zwervelingen is Rinus zeer verbaasd dat een eenvoudige brillenkoopman een kerkelijke functie kan bekleden.

  1. Louis de Leeuw, Ben-Onie: tafereelen uit het dagboek van een tot het Christendom bekeerden Israeliet (Amsterdam, 1865).

In dit boek, dat hij voor eigen rekening uitgaf, beschrijft Louis de Leeuw de zware lijdensweg van een bekeerde jood (Ben Onie betekent ‘zoon van het lijden/de lijdende’). Het is opgezet als een roman, maar bevat duidelijk zeer veel autobiografische elementen. Ook dit boek, dat in 1879 een tweede druk beleefde, bevat tientallen Bargoense en Joods-Nederlandse woorden en uitdrukkingen.

Vóór zijn bekering was Louis de Leeuw onder meer leraar (‘sopher’) voor de joodse gemeente in Dwingelo in Drenthe. Zijn boeken deden veel stof opwaaien. Over zijn leven is niet veel bekend. Kennelijk week hij uit naar de VS, want volgens een advertentie in De Standaard van 19-8-1873 was Louis de Leeuw toen ‘predikant in Noord-Amerika’. Gerdes noemt de boeken van De Leeuw niet als bron, maar het zal geen toeval zijn dat hij een personage in Twee zwervelingen De Leeuw heeft genoemd. Deze mijnheer De Leeuw, een bijfiguur, is gazan (‘voorlezer’).

  1. J.J. Cremer, Hanna de freule (1873).

Hanna de freule, een succesvolle roman van J.J. Cremer, gaat over de jonge, donkerharige Hanna, die vanwege haar hooghartigheid ‘Hanna de freule’ wordt genoemd. Zij is een wees die er gedurende het verhaal achter komt dat haar moeder (Esther) een jodin was. Esther is door de Amsterdamse joden verstoten omdat zij zich heeft bekeerd en van een christen zwanger is geraakt. Daarom heeft Esther altijd geroepen dat zij joden haat.

Hanna wordt geholpen door Elie Mager, een ‘voddenjood’ die graag met Esther had willen trouwen. Cremer laat Elie diverse keren praten in het Bargoens, ‘de gewone huistaal der geringe Joden, een mengsel van slecht Nederlandsch, Duitsch en Hebreeuws’ (Hanna de freule, p. 213).

De tabel hieronder laat zien uit welke van de bovengenoemde bronnen Gerdes de joodse woorden en uitdrukkingen in Twee zwervelingen kan hebben geleend. Slechts drie woorden en uitdrukkingen komen in alle bronnen voor, dertien woorden en uitdrukkingen in twee bronnen en twintig woorden en uitdrukkingen in één bron. Welk bron dat is, wisselt, maar het lijkt erop dat Gerdes de meeste joodse woorden en uitdrukkingen heeft geput uit De Nederlandsche Jood (1864) van Louis de Leeuw. Of Gerdes sommige woorden en uitdrukkingen rechtstreeks uit De Leeuw of via het werk van Cremer uit De Leeuw heeft overgenomen, is niet vast te stellen. Zeker is dat de uitdrukking im jirtse hasschem (‘als God wil’) niet in de boeken van De Leeuw voorkomt, maar wel bij Cremer. Kennelijk heeft Gerdes die uitdrukking aan Cremer ontleend. Overigens laat Cremer zijn joodse hoofdpersonen voortdurend in de vragende vorm praten; wellicht was Cremer ook hierin een voorbeeld voor Gerdes.

Gerdes 1882 De Leeuw 1864 De Leeuw 1865 Cremer 1873
Bechoor: eerstgeboorne Bechoor: eerstgeborene
beschabbering: begrafenis beschabbering: begravenis [sic] of lijkstoet
galg: dominee galg: dominee
gammerstuk: ezelswerk gammerstuk: ezelwerk
Gazan: voorlezer Gazan: voorzanger of voorlezer
gei som soton gei som soton: ga naar de duivel!
haschi mijne: zich uit de voeten maken haschi-wijne: voeten gemaakt
houriks: rakkerts hourik: rakker
jirkse hasschem: als God wil im jirtse hasschem: als God wil
kaschar: rein kaschar: rein
katsef: vleeschhouwer katsef: vleeschhouwer
knittelen: bidden er knittelt: hij bidt
leek leschaloon: ga in vrede leek leschaloom: ga in vrede
malke: vrouw malke: vrouw
massele massel
meschummad meschommed: vervloekte; meschoemad: afvallige
sjoveltjes: armoedig sjofele
tiffele: kerk tiffele: kerk
tijnis houden: vasten tijnis gehouden: gevast
Was giddisch?: wat nieuws? Was giddisch: wat nieuws?
bakschenajim: tanden bakschenajim: tanden bakschenajim: tanden
Er ist beis: hij is boos Er is beis: hij is boos beis: boos
gammer: ezel gammer: ezel gammer: ezel
hé-basch/hebasch: vijf-stuiverstuk hé-basch: vijf-stuivers hébasch: kwartje
kapore: dood kapore: dood kapore
kijwer: graf kijwer: graf kijwer: graf
meirif ore: avondgebed verrichten meirif ore: avondgebed verrigten te Meirif ore: avondgebed te doen
meschogge an metorf: stapelgek meschogge an metorf: stapelgek meschogge an metorf: stapelgek
miese massematten: netelige zaak miese massematte: netelige zaak niese massematten: netelige zaak
miese meschinne: zware vloek miese meschinne: sterf een buitengewonen dood! miese meschinne: een ongewone dood over hem!
Parnas Parnas: lid van den kerkeraad Parnas: kerkmeester
tfise tfise: gevangenis tfise: gevangenis
verschwarzter verschwarzter: ellendige verschwartster: ellendige
Attel lemiese: doodslaan attillemise geslagen: ten doode toe geslagen attel lemiese slaan: dood slaan attellemise: dood
Gojim: ‘niet-joden’ Gooijim: christenen Gooi Gojim
posch jisrool: slechte Israeliet posch Jisreelim: slechte Joden posch jisrool: slecht Israëliet posch jisrool: slecht Israëliet


Met dank aan Justus van de Kamp

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , , , , . Bookmark de permalink.